id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251120.1N.9 Rolnummer: F.24.0062.N Zaak: XPLO vzw contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-12-17 Raadplegingen: 535 - laatst gezien 2026-06-16 05:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251120.1N.9 Fiche Opdat de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud van een onroerend goed door erkende jeugdbeschermingstehuizen wordt onderworpen aan het verlaagd btw-tarief moet het daadwerkelijke gebruik van de huisvesting van minderjarigen worden getoetst aan de vereiste van een uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik als privéwoning
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven - 20 - 20-07-1970 - Rubriek XXXI, § 1, 1°, van tabel A van de bijlage bij - 31 Link Justel databank 19700720-31 Tekst van de conclusie F.24.0062.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering.
- Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan blijkt dat de eiseres een erkende organisatie is van bijzondere jeugdzorg. Haar statutair doel is gericht op hulpverlening aan kinderen, jongeren en hun gezin, voornamelijk met betrekking tot de doelgroep waarbij men spreekt van problematische en verontrustende opvoedingssituaties. Tussen 2017 en 2020 heeft eiseres op haar site in Kortrijk een bouwproject gerealiseerd waarbij enerzijds een centraal, multifunctioneel gebouw bestemd voor administratieve diensten en voor context- en dagbegeleiding voor jongeren en anderzijds een wooninrichting gericht op het permanent verblijf van jongeren, afgebroken en heropgebouwd werden. De door de eiseres gevraagde toepassing van het btw-tarief van 6% voor de heropbouw van dit bouwproject werd door de fiscale administratie geweigerd, hetgeen het hof van beroep Gent bevestigt in het bestreden arrest van 31 oktober
- In het cassatieberoep tegen dit arrest voert de eiseres één middel aan. 2 Bespreking.
- In het eerste onderdeel voert de eiseres aan dat de appelrechters een verkeerde afleiding maken uit rubriek XXXI van het KB/BTW nr. 20
(1), namelijk (samengevat) dat louter uit de vaststelling dat in § 2 van rubriek XXXI de eiseres als eindgebruiker wordt vermeld, daaruit kan worden afgeleid dat deze rubriek XXXI bijkomend ook renovatiewerken viseert aan de meer complexe vormen van huisvesting waaronder erkende jeugdbeschermingstehuizen (zoals de eiseres). Aangezien vervolgens de hier toepasselijk rubriek XXXVII van dat KB de (eveneens hier toepasselijke) complexe vormen van langdurig residentieel verblijf niet expliciet vermeldt noch ernaar verwezen wordt, leiden de appelrechters - volgens de eiseres - af dat rubriek XXXVII deze meer complexe vormen van langdurige residentieel verblijf niet viseert. De eiseres voert aan dat de bestreden beslissing steunt op een vergelijking tussen rubriek XXXI en XXXVII. Met andere woorden stelt de eiseres dat het niet is omdat in rubriek XXXI woonvormen zoals o.a. jeugdbeschermingstehuizen zijn aangemerkt als mogelijke eindverbruiker (zijnde een voorwaarde die gesteld wordt enkel in rubriek XXXI, niet in rubriek XXXVII), dat deze woonvormen niet zouden kunnen voldoen aan de voorwaarde van uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik als privéwoning (voorwaarde die wordt gesteld, op identieke wijze, zowel in rubriek XXXI als in rubriek XXXVII).
- De bestreden beslissing steunt op de zelfstandige reden dat de zorginstelling van de eiseres niet voldoet aan de vereiste van een uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik voor privébewoning. In zoverre het eerste onderdeel niet opkomt tegen deze redengeving kan het niet tot cassatie leiden en is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. In zoverre het eerste onderdeel ervan uitgaat dat de beslissing steunt op een vergelijking van de teksten van de rubrieken XXXI (incl. § 2) en XXXVII, meer bepaald over de al dan niet omschrijving van de “eindgebruiker”, mist het feitelijke grondslag. In zoverre het onderdeel aanneemt dat de appelrechters te kennen geven dat § 2 van rubriek XXXI het toepassingsgebied van het verlaagd tarief van 6% voor renovatiewerken uitbreidt, mist het (eveneens) feitelijke grondslag.
- De appelrechters stellen het volgende vast: “Terecht merkt de appellante in dat verband op dat de bestemmingsvoorwaarde van de toekomstige woning op identieke wijze is geformuleerd als de bestemmingsvoorwaarde van rubriek XXXVII. Een bijkomende voorwaarde voor de toepassing van rubriek XXXI is evenwel dat de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan eindverbruikers”. Aldus stellen de appelrechters duidelijk dat het een bijkomende voorwaarde betreft voor rubriek XXXI die niet is voorzien in rubriek XXXVII. Aangezien aldus die bijkomende voorwaarde niet is voorzien in rubriek XXXVII, valt niet in te zien dat het verlaagd tarief voorzien in rubriek XXXVII niet kan worden toegekend omdat niet aan de voorwaarde is voldaan (die er immers niet is voorzien). In zoverre het eerste onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters oordelen dat het verlaagd tarief voorzien in rubriek XXXVII niet aan de eiseres kan worden toegekend omdat deze rubriek niet in dezelfde bijkomende voorwaarde voorziet over de eindgebruiker (zoals in rubriek XXXI), mist het feitelijke grondslag. Ofwel, anders verwoord, in zoverre het eerste onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters oordelen dat jeugdbeschermingstehuizen zijn uitgesloten voor de toepassing van rubriek XXXVII, berust het (eveneens) op een verkeerde lezing en mist het feitelijke grondslag.
- Het tweede onderdeel voert de schending aan van de voormelde rubriek XXXVII van KB/BTW nr. 20, door te oordelen dat niet voldaan is aan de voorwaarde dat de wooninrichting na het uitvoeren van de werken van afbraak en heropbouw uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt wordt als privéwoning.
- De bestreden beslissing steunt inderdaad op de beoordeling dat de wooninrichting van de eiseres niet uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt wordt als privéwoning. De beoordeling of een wooninrichting al dan niet uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt wordt als privéwoning, betreft een soevereine feitelijke beoordeling. In zoverre het onderdeel het Hof uitnodigt tot een onderzoek van de feiten, is het niet ontvankelijk.
- De appelrechters sluiten niet uit dat een jeugdbeschermingstehuis kan voldoen aan de voorwaarden van rubriek XXXVII van KB/BTW nr.
- Het arrest vermeldt dat ook collectieve vormen van bewoning een in de rubriek XXXVII beoogde vorm van privébewoning kan uitmaken. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het arrest uitsluit dat een jeugdbeschermingstehuis kan voldoen aan de voorwaarden van rubriek XXXVII van KB/BTW nr. 20, mist het feitelijke grondslag.
- De eiseres voert tenslotte aan dat uit de gehele lezing van rubriek XXXI van het voormelde KB volgt dat jeugdbeschermingstehuizen kwalificeren als privéwoning, waardoor deze instellingen ingevolge de gelijkaardige bewoordingen van rubriek XXXVII ook voor de toepassing van deze rubriek als privéwoning kwalificeren.
- In eerste instantie kan het volstaan vast te stellen dat de eiseres de toepassing vraagt van een verlaagd btw-tarief op grond van rubriek XXXVII van KB/BTW nr.
- Rubriek XXXI is niet toepasselijk waardoor de interpretatie door de eiseres van rubriek XXXI vreemd is aan de beslissing en niet tot cassatie kan leiden, waardoor het tweede onderdeel niet ontvankelijk voorkomt.
- Uit de enkele vaststelling dat rubriek XXXVII “naar analogie” van rubriek XXXI is opgemaakt, zoals door de appelrechters wordt opgemerkt, volgt niet dat een analogische interpretatie van artikel XXXI kan worden geëxtrapoleerd naar rubriek XXXVII. Uit het legaliteitsbeginsel volgt dat de fiscale wet niet bij analogie kan worden geïnterpreteerd
(2). In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, berust het op een verkeerde rechtsopvatting. 12. Voor zover de interpretatie van rubriek XXXI als relevant zou worden aangemerkt, moet worden opgemerkt dat anders dan waar het onderdeel van uitgaat, geenszins uit de lezing van de gehele rubriek XXXI volgt dat een jeugdbeschermingstehuis (automatisch) als een privéwoning wordt aangemerkt. In zoverre het onderdeel berust op een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Conclusie: verwerping. ____________________________________________________________
(1)Koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, in de versie zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten.
(2)Cass. 2 mei 2024, AR F.21.0007.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240502.1N.8; Cass. 13 april 1978, Pas. 1978, I, 910; A. TIBERGHIEN, Tiberghien. Handboek voor Fiscaal Recht 2024-2025, Kluwer 38. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251120.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251120.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240502.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div