id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251127.1N.6 Rolnummer: C.23.0184.N Zaak: D. contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht - Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-12-30 Raadplegingen: 432 - laatst gezien 2026-06-18 14:07 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251127.1N.6 Fiches 1 - 4 De termijn bepaald in artikel XX.194, tweede lid, WER doet niet op onevenredige wijze afbreuk aan het eigendomsrecht, in het bijzonder ten aanzien van een in het buitenland gevestigde revindicant
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)GwH 15 mei 2025, 80/2025, ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.080. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.194, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 16 Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.194, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.194, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: EIGENDOM Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.194, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 5 De vervaltermijn bepaald in artikel XX.194, tweede lid, WER heeft enkel betrekking op de uitoefening van het recht tot terugvordering, hetgeen kan geschieden via een vormvrij verzoek gericht aan de curator; niet vereist is dat de eigenaar voor de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen een vordering in revindicatie bij de rechter aanhangig maakt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.194, eerste en tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de conclusie C.23.0184.N Conclusie van advocaat-generaal Frederic VROMAN: Eiser komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, gewezen op 5 januari 2023. Door de eiser wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd, betreft het recht van terugvordering van de eigenaar van de goederen die in het bezit zijn van de schuldenaar op het ogenblik van het faillissement (artikel XX.194 WER) en in het bijzonder de vraag of de regel dat het recht van terugvordering vervallen is wanneer dit recht wordt uitgeoefend na de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen (artikel XX.194, tweede lid WER) al dan niet klaarblijkelijk in overeenstemming is met artikel 16 Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM. Het Hof stelde in deze zaak in het arrest van 30 september 2024 volgende prejudiciële vraag
(1)
(2): “Schendt artikel XX.194, tweede lid, WER artikel 16 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, in zoverre de eigenaar van goederen die in het bezit van de gefailleerde zijn, vervallen is van zijn recht op terugvordering van deze goederen wanneer hij dat recht uitoefent na de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen”? Het Grondwettelijk Hof besliste in het arrest van 15 mei 2025 nr. 80/2025 dat artikel XX.194, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht schendt niet artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens
(3). II.1. Eerste onderdeel. In dit onderdeel voert de eiser aan dat de appelrechter de artikelen XX.161, eerste lid WER, de artikelen 3.50 en 3.51 Burgerlijk Wetboek, artikel 544 Oud Burgerlijk Wetboek, artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM heeft geschonden door te oordelen dat hij geen aanspraken meer zou kunnen maken op zijn goederen na het verstrijken van de strikte en korte termijn voorzien in artikel XX.194 WER doordat deze bepaling op onevenredige wijze afbreuk doet aan zijn eigendomsrecht
(4). Wat de principes betreft kan ik verwijzen naar wat ik daaromtrent reeds schreef in mijn vorige conclusie neergelegd in deze zaak. In het arrest van 20 september 2024 oordeelde het Hof (in de huidige zaak) dat uit de bepalingen van de artikelen XX.104, tweede en derde lid, XX.107, § 1, eerste lid, XX.161, eerste lid, en XX.194, tweede lid WER volgt dat, onder voorbehoud van situaties van overmacht, de revindicant over een termijn van 35 tot 60 dagen vanaf het vonnis van faillietverklaring, dat binnen vijf dagen na zijn dagtekening in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd, beschikt om zijn recht op terugvordering uit te oefenen. Uit het vermelde arrest van het Grondwettelijk Hof, in het bijzonder overweging B.10.2, blijkt dat deze vervaltermijn van artikel XX.194. WER geen onevenredige gevolgen heeft: “Opdat de vervaltermijn geen onevenredige gevolgen heeft, moet de termijn evenwel voldoende lang zijn rekening houdende met de kenbaarheid die eraan wordt gegeven. Krachtens de in het geding zijnde bepaling treedt het verval in bij de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. Gelet daarop beschikt de eigenaar in beginsel over een termijn variërend van 35 tot 60 dagen vanaf het vonnis van faillietverklaring, dat binnen vijf dagen te rekenen van zijn dagtekening bij uittreksel wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Een dergelijke gecentraliseerde bekendmaking biedt elke persoon de mogelijkheid om te allen tijde kennis te nemen van het faillissement. Het is niet onredelijk van een persoon die eigenaar is van een goed dat zich in het bezit van een onderneming bevindt, bijvoorbeeld in het kader van een bewaargeving, te verwachten dat hij zich op regelmatige basis informeert over de rechtspositie van die onderneming, door na te gaan of er berichten met betrekking tot die onderneming zijn verschenen in het Belgisch Staatsblad”. Zoals ik reeds schreef in mijn eerste conclusie in deze zaak heeft de omstandigheid dat de revindicant in het buitenland woont of daar is gevestigd in ieder geval geen invloed op deze vraag. Het Belgisch Staatsblad is slechts online beschikbaar via zijn website. De aanwezigheid van de revindicant in het buitenland heeft dan ook geen enkele invloed op zijn mogelijkheid om het Belgisch Staatsblad te raadplegen en ook niet op de mogelijkheid om zijn recht tot terugvordering uit te oefenen aangezien dit laatste aan geen enkele vormvereiste is verbonden. Een gewone brief of een email-bericht aan de curator volstaat daartoe. De buitenlandse revindicant heeft niet meer hindernissen te overwinnen dan een binnenlandse. Het eerste onderdeel steunt dan ook op een onjuiste rechtsopvatting en faalt naar recht. II. Tweede onderdeel. In dit onderdeel verwijt de eiser de appelrechter de artikelen XX.161 en XX.194 WER en de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM en de algemene rechtsbeginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen door te oordelen dat de eiser vervallen is van zijn recht tot terugvordering wegens laattijdige uitoefening ervan en dat de eiser niet concreet aantoont dat hij zich in een situatie van overmacht bevond terwijl in de publicatie in het Belgisch Staatsblad geen melding wordt gemaakt van het bestaan van een rechtsvordering tot terugvordering en de termijn ervan. Wat dit onderdeel handhaaf ik wat ik daaromtrent reeds schreef in mijn eerste conclusie neergelegd in deze zaak nl. “Dit onderdeel berust op een verkeerde rechtsopvatting. Zoals reeds uiteengezet bij het eerste onderdeel volgt uit de interpretatieve wet van 12 maart 2000 dat het helemaal niet noodzakelijk is dat de eigenaar zijn recht op terugvordering binnen de termijn van artikel XX.194 WER instelt door een rechtsvordering aanhangig te maken bij een rechtbank. Het volstaat dat hij de curator in kennis stelt van zijn recht op terugvordering. XX.194, tweede lid WER heeft dan ook in tegenstelling met wat de eiser voorhoudt geen betrekking op het recht op toegang tot de rechter”. Het onderdeel faalt naar recht. De door eiser gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof moet dan ook niet gesteld worden. Conclusie: Verwerping. ______________________________________________________________________
(1)Cass. 30 september 2024, AR C.23.0184.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240920.1N.2, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240920.1N.2.
(2)Dit arrest werd reeds kort becommentarieerd door VAN HOE A., “Over eigendomsrecht en faillissementsprocedure”, Corporate Finance Lab 20 oktober 2024, https://corporatefinancelab.org/2024/10/20/over-eigendomsrecht-en-faillissementsprocedure/
(3)GwH 15 mei 2025, 80/2025, ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.080.
(4)Deze “hakbijltermijn” werd reeds bekritiseerd in de rechtsleer: vb. LESCOUHIER A., VREBOS J., (red.), “7.E.1. Actief van het faillissement”, in BRIJS S., COLMAN H., DEBUCQUOY M., VANANROYE J., Faillissement & Reorganisatie, Wolters Kluwer Belgium 2025,
(1)26, nr. 41 met verwijzing naar VAN HOE A., “Over eigendomsrecht en faillissementsprocedure”, Corporate Finance Lab 20 oktober 2024, https://corporatefinancelab.org/2024/10/20/over-eigendomsrecht-en-faillissementsprocedure/ PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251127.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251127.1N.6 voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240920.1N.2 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240920.1N.2 citeert: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.080 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div