id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251127.1N.8 Rolnummer: C.24.0274.N Zaak: BOUWONDERNEMING EECKHOUT en ZONEN bv contra M. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige Invoerdatum: 2025-12-30 Raadplegingen: 329 - laatst gezien 2026-06-18 14:07 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251127.1N.8 Fiches 1 - 3 De rechter oordeelt in feite of met de verwezenlijking van de stedenbouwkundige vergunning is gestart binnen twee jaar na de afgifte van de vergunning in laatste administratieve aanleg; het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 4.6.2, §1, eerste lid, 1°, VCRO zoals van toepassing voor de wijziging ervan door art. 4 Decreet van 6 juli
- Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.6.2, § 1, eerste lid, 1° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.6.2, § 1, eerste lid, 1° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.6.2, § 1, eerste lid, 1° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Tekst van de conclusie C.24.0274.N Conclusie van advocaat-generaal Frederic VROMAN: Eiseres komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, gewezen op 29 maart
- Door eiseres wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de vraag hoe het op het geschil toepasselijke artikel 4.6.2, § 1, lid 1, 1° VCRO moet worden uitgelegd en dus wat er moet worden begrepen onder het starten van de verwezenlijking van de stedenbouwkundige vergunning zonder het welke een vergunning voor onbepaalde duur van rechtswege vervalt wanneer dit niet plaatsvindt binnen de twee jaar na de afgifte van de vergunning in laatste administratieve aanleg gewezen. In het bijzonder rijst de vraag of voorbereidende werken al dan niet volstaan om te kunnen spreken van starten van de verwezenlijking van de stedenbouwkundige vergunning. II. Het middel. De eiseres verwijt de appelrechters artikel 4.6.2, § 1, eerste lid, 1° VCRO, zoals van toepassing voor de wijziging ervan door artikel 4 van het Decreet van 6 juli 2012
(1), te hebben geschonden door te oordelen dat voorbereidende werken niet in aanmerking komen als start van de verwezenlijking van de stedenbouwkundige vergunning terwijl uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de decreetgever het woord “daadwerkelijk” wat betreft de verwezenlijking van de vergunning opgenomen in artikel 128 Stedenbouwdecreet heeft weggelaten bij de invoering van artikel 4.6.2., § 1, 1° VCRO waaruit volgt dat het volstaat dat de bouwheer binnen de vervaltermijn van de vergunning enig materieel werk tot uitvoering van vergunning heeft verricht en voorbereidende werken wel degelijk in aanmerking komen als werken die een aanvang van de werkzaamheden betreffen. III. De principes. De vergunning waarvan sprake in dit dossier dateert van 12 juli 2012. De toepasselijke versie van artikel 4.6.2, § 1, VCRO luidt als volgt: “§ 1 Een stedenbouwkundige vergunning voor onbepaalde duur vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen: 1° de verwezenlijking van de stedenbouwkundige vergunning wordt niet binnen twee jaar na de afgifte van de vergunning in laatste administratieve aanleg gestart; 2° de werken worden gedurende meer dan twee jaar onderbroken; 3° de vergunde gebouwen zijn niet winddicht binnen drie jaar na de aanvang van de werken. De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in het eerste lid, worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de stedenbouwkundige vergunning aanhangig is bij de Raad voor vergunningsbetwistingen, behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschade desalniettemin behouden. Indien de stedenbouwkundige vergunning voor onbepaalde duur uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee of drie jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede en volgende fasen worden de termijnen van verval dientengevolge gerekend vanaf de aanvangsdatum van de betrokken fase.” Art. 128, § 1 Stedenbouwdecreet 1999, de rechtsvoorganger van artikel 4.6.2, § 1 VCRO en waarnaar de eiseres verwijst, luidde als volgt: “§ 1 De stedenbouwkundige vergunning vervalt van rechtswege indien de vergunninghouder niet daadwerkelijk met de verwezenlijking van de vergunning van start is gegaan, binnen twee jaar na afgifte van de vergunning. De termijn vangt aan op de dag waarop de vergunning definitief wordt verkregen. De stedenbouwkundige vergunning vervalt eveneens van rechtswege indien de werken gedurende meer dan twee jaar zijn onderbroken of, als het om gebouwen gaat, wanneer het gebouw niet winddicht is binnen drie jaar na de aanvang van de werken. Indien de stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op twee of meer afzonderlijke gebouwen, dan vervalt de stedenbouwkundige vergunning enkel voor de gebouwen waarvoor niet is voldaan aan de voorwaarden van dit artikel. De termijnen vermeld in het eerste en tweede lid worden geschorst gedurende de periode waarbinnen een beroep tot vernietiging van de stedenbouwkundige vergunning bij de Raad van State aanhangig is, behoudens in die gevallen waarin de vergunde werken in strijd zijn met een voor de datum van de definitieve uitspraak van de Raad van State van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan, onverminderd het eventuele recht op planschade in toepassing van artikel 84”. Met verwijzing naar een noot van DE PRETER meent eiseres volgens mij ten onrechte dat met het verdwijnen van het woord “daadwerkelijk” in artikel 4.6.2, § 1, eerste lid, 1°, VCRO het onder de gelding van deze laatste wetsbepaling volstaat dat de bouwheer binnen de vervaltermijn van de vergunning enig materieel werk tot uitvoering van vergunning heeft verricht en voorbereidende werken wel degelijk in aanmerking komen als werken die een aanvang van de werkzaamheden betreffen. DE PRETER besluit inderdaad dat het in se zou kunnen volstaan dat de bouwheer binnen de vervaltermijn van de vergunning enig materieel werk tot uitvoering van de vergunning heeft verricht
(2). Toch lijkt volgens mij DE PRETER hiermee nog altijd werken te bedoelen waarvoor een vergunning is vereist zodat voorbereidende werken niet in aanmerking komen. Deze auteur stelt immers ook dat het perfect verdedigbaar is om de eerste materiële handeling die strekt tot uitvoering van de vergunning en die zonder die vergunning niet kan worden verricht, te laten gelden als de start van de vergunning
(3). SEBREGHTS en WILDEMEERSCH daarentegen verdedigen dat het is aan te nemen dat de bouwheer binnen de vervaltermijn van de stedenbouwkundige vergunning kan worden volstaan met het uitvoeren en enig materieel werk tot uitvoering van de vergunning om het verval ervan tegen te gaan en dat voorbereidende werken ook zouden volstaan
(4). In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet tot aanpassing en aanvullen van het ruimtelijke plannings- vergunningen- en handhavingsbeleid werd geschreven: “De bestaande vervalregeling voor stedenbouwkundige vergunningen van onbepaalde duur (huidig artikel 128 DRO) wordt via het nieuwe artikel 133/23, § 1, DRO gecontinueerd”
(5). De bedoeling van de decreetgever was dan ook om in de regel niet af te wijken van wat gold onder de gelding van artikel 128 Stedenbouwdecreet 1999. Het wegvallen van het woord “daadwerkelijk” heeft dan ook geen invloed volgens mij
(6). Artikel 128 Stedenbouwdecreet is de opvolger van artikel 50 Stedenbouwdecreet 1996 en van artikel 52 Stedenbouwwet. Artikel 50 Stedenbouwdecreet 1996 bepaalde dat indien de vergunninghouder binnen een jaar na afgifte van de vergunning niet met de werken is begonnen, de vergunning is vervallen en dat het schepencollege op verzoek van de betrokkene de vergunning met één jaar kan verlengen. Artikel 52 Stedenbouwwet bepaalde dezelfde regeling. Onder de gelding van artikel 50 Stedenbouwdecreet 1996 werden voorbereidingswerken niet beschouwd als start van de verwezenlijking van de vergunning
(7). Artikel 128 Stedenbouwdecreet 1999 had de bedoeling om het systeem van artikel 50 Stedenbouwdecreet 1996 en van artikel 52 Stedenbouwwet (1 jaar + 1 jaar) te vervangen door een algemene geldigheid van 2 jaar en voerde de bepaling in dat de stedenbouwkundige vergunning ook vervalt indien de werken gedurende meer dan twee jaar zijn onderbroken. De op dat ogenblik gerealiseerde werken worden wel beschouwd als zijnde vergund. Daarnaast wordt ook bepaald dat een gebouw drie jaar na de aanvang van de werken winddicht moet zijn (winddicht: d.w.z. met ramen, deuren, dak, enzovoort)
(8). Hoewel er geen duiding werd gegeven aan het woord “daadwerkelijk” in de memorie van toelichting bij voormeld artikel 128 Stedenbouwdecreet 1999, doelde men volgens mij daarmee onder meer op de rechtspraak dat voorbereidingswerken niet worden beschouwd als zijnde het begin van de vergunde werken. In de rechtsleer wordt op basis van de analyse van de rechtspraak van de feitenrechters eveneens gesteld dat loutere voorbereidende werken niet gelden als start van de verwezenlijking van de vergunning
(9). In het niet-gepubliceerde arrest van 12 mei 2016 besliste het Hof dat de rechter in feite oordeelt of met de verwezenlijking van de stedenbouwkundige vergunning is gestart binnen twee jaar na de afgifte van de vergunning in laatste administratieve aanleg en dat het Hof enkel nagaat of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen
(10). IV. Toepassing van de vermelde principes in deze zaak. Op grond van de vaststellingen in de laatste alinea van randnummer 5.2.2 en de vaststellingen onder randnummer 5.2.
- is het oordeel van de appelrechters onder randnummer 5.2.
- dat de stedenbouwkundige vergunning van 12 juli 2012 in toepassing van artikel 4.6.2, § 1, eerste lid, 1°, VCRO vervallen is omdat eiseres de verwezenlijking niet binnen de twee jaar na de afgifte ervan is gestart, naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Conclusie: Verwerping. ___________________________________________________________________
(1)Decreet van 6 juli 2012 houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, BS 24 augustus 2012.
(2)DE PRETER F., “Start van de verwezenlijking van de vergunning in de zin van artikel 4.6.2, § 1, 1° VCRO (noot onder Rb. Leuven 1 oktober 2012, HvB Brussel 28 mei 2013, Rb. Brugge 2 februari 2011 en Rb. Turnhout 13 mei 2013)”, TROS 2013, afl. 70-71, 132.
(3)DE PRETER F., “Start van de verwezenlijking van de vergunning in de zin van artikel 4.6.2, § 1, 1° VCRO (noot onder Rb. Leuven 1 oktober 2012, HvB Brussel 28 mei 2013, Rb. Brugge 2 februari 2011 en Rb. Turnhout 13 mei 2013)”, TROS 2013, afl. 70-71, 131.
(4)SEBREGHTS F. en WILDEMEERSCH V., “Werkzaamheden ter voorkoming van het verval van een vergunning: doen alsof volstaat niet”, TOO 2016/3, 441-442.
(5)Mvt. bij ontwerp van decreet tot aanpassing en aanvullen van het ruimtelijke plannings- vergunningen- en handhavingsbeleid, VL. PARL. 2008-2009, 17 december 2008, nr. 2011/1, 169, nr. 513.
(6)Zie ook DE MAESSCHALCK S., “Verval van stedenbouwkundige vergunning: bezint niet te lang eer ge begint!”, TOO 2015/3, 425-426.
(7)RvS, 1 februari 2005, 139.974, ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.974; DE PRETER F., “Start van de verwezenlijking van de vergunning in de zin van artikel 4.6.2, § 1, 1° VCRO (noot onder Rb. Leuven 1 oktober 2012, HvB Brussel 28 mei 2013, Rb. Brugge 2 februari 2011 en Rb. Turnhout 13 mei 2013)”, TROS 2013, afl. 70-71, 128.
(8)Mvt bij het ontwerp van decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, VL. PARL. 1998-1999, 26 februari 1999, 1332/1, 65.
(9)DE BRUCKER L., De vergunning van windturbines in het Vlaamse Gewest, Intersentia 2021, 287, nr. 595ter; DE MAESSCHALCK S., “Verval van stedenbouwkundige vergunning: bezint niet te lang eer ge begint!”, TOO 2015/3, 425-426; VAN GIEL I. en MASIL T., “Heeft de vervalregeling inzake de omgevingsvergunning haar vervaldatum overschreden”, TBO 2022, 237-243;
(10)Cass. 12 mei 2016, AR C.14.0320.N-C.15.0281.N, arrest niet gepubliceerd. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251127.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251127.1N.8 citeert: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.974 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div