← België

A. contra Federatie der Belgische Diamantbeurzen

Obsah (8)Art. 584Art. 1682Art. 1683Art. 1690Art. 1691Art. 1698Art. 1717Art. 1721

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 november 2025

Art. 584

, eerste lid - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1682

, §§ 1 en 2 - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1683- 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE.

(art. 1676 tot 1723) -

Art. 1690

, §§ 1 en 4 - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1691- 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE.

(art. 1676 tot 1723) -

Art. 1698- 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE.

(art. 1676 tot 1723) -

Art. 1717

, §§ 1 en 3, a), i) - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1721

, § 1, a), i) - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 584

, eerste lid - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1682

, §§ 1 en 2 - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1683- 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE.

(art. 1676 tot 1723) -

Art. 1690

, §§ 1 en 4 - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1691- 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE.

(art. 1676 tot 1723) -

Art. 1698- 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE.

(art. 1676 tot 1723) -

Art. 1717

, §§ 1 en 3, a), i) - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1721

, § 1, a), i) - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Fiches 3 - 5 Voorlopige of bewarende maatregelen zijn mogelijk zowel voor het scheidsgerecht als voor de overheidsrechter als kortgedingrechter, maar deze laatste heeft, evenmin als de overheidsrechter ten gronde, geen rechtsmacht om de schorsing of stopzetting van een lopende arbitrageprocedure te bevelen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBITRAGE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 584

, eerste lid - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1682

, §§ 1 en 2 - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1683- 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE.

(art. 1676 tot 1723) -

Art. 1690

, §§ 1 en 4 - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1691- 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE.

(art. 1676 tot 1723) -

Art. 1698- 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE.

(art. 1676 tot 1723) -

Art. 1717

, §§ 1 en 3, a), i) - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1721

, § 1, a), i) - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Thesaurus CAS: KORT GEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 584

, eerste lid - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1682

, §§ 1 en 2 - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1683- 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE.

(art. 1676 tot 1723) -

Art. 1690

, §§ 1 en 4 - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1691- 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE.

(art. 1676 tot 1723) -

Art. 1698- 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE.

(art. 1676 tot 1723) -

Art. 1717

, §§ 1 en 3, a), i) - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1721

, § 1, a), i) - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 584

, eerste lid - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1682

, §§ 1 en 2 - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1690

, §§ 1 en 4 - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1691- 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE.

(art. 1676 tot 1723) -

Art. 1698- 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE.

(art. 1676 tot 1723) -

Art. 1717

, §§ 1 en 3, a), i) - 06 ELI link Pub nr 1967101057 Gerechtelijk Wetboek - Deel VI: ARBITRAGE. (art. 1676 tot 1723) -

Art. 1721

, § 1, a),

  1. i)- 06 ELI link Pub nr 1967101057 Tekst van de conclusie C.24.0377.N Conclusie van advocaat-generaal Frederic VROMAN: Eisers komen op tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, gewezen op 27 juni 2024. Door de eisers worden er twee middelen aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de vraag of een kortgedingrechter een lopende arbitrageprocedure kan schorsen. II. Eerste middel. In het eerste middel verwijten eisers de appelrechters de artikelen 8, 9, 584, eerste lid, 602, 2°, 1682, §§ 1 en 2, 1683, 1690, §§ 1 en 4, 1691, 1698, 1716, 1717, § 3, a),
  2. i)en 1721, § 1, a), i), Gerechtelijk Wetboek; de artikelen 5.69 en 5.70 Burgerlijk Wetboek (en voor zover als nodig artikel 1134, eerste en tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek), artikel 2:59 WVV en artikelen 1 en 2 van de wet van 24 mei 1921 tot waarborging van de vrijheid van vereniging te hebben geschonden door te oordelen, als kortgedingrechter in hoger beroep, geen rechtsmacht te hebben om de door de kortgedingrechter bevolen voorlopige maatregelen te bevelen en die er in bestaat om de schorsing van de arbitrageprocedure te bevelen omdat zij niet kunnen interfereren in de rechtsmacht van de arbiters en door de bindende kracht van de artikelen 36.1, 36.2 en 50 van het Gelijkluidend reglement voor de Antwerpse Diamantbeurzen te schenden door mede op grond van die artikelen te oordelen zonder rechtsmacht te zijn. II.1. Principes. Artikel 1682 Gerechtelijk Wetboek bevat de zogenaamde exceptie van arbitrage. In paragraaf 2 van deze bepaling wordt uitdrukkelijk gesteld dat wanneer bij de overheidsrechter een geding aanhangig is gemaakt waarop een arbitrageovereenkomst betrekking heeft, de arbitrageprocedure toch kan worden opgestart of voortgezet en dat een arbitrale uitspraak kan worden gedaan. Artikel 1682 Gerechtelijk Wetboek heeft enkel betrekking op de vorderingen ten gronde die voor de overheidsrechter worden gebracht terwijl artikel 1683 Gerechtelijk Wetboek handelt over de hypothese van een voorlopige vordering

(1). In de memorie van toelichting bij de Wet van 24 juni 2013 tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage (verder Wet van 24 juni 2013)
(2)wordt er verduidelijkt wat § 2 van artikel 1682 Gerechtelijk Wetboek precies inhoudt nl. “De tweede paragraaf van de ontwerp-bepaling voorziet een oplossing die reeds aanvaard is in het huidige recht. Het betreft een fundamenteel beginsel van het arbitragerecht: het feit dat een procedure voor een overheidsrechtbank wordt ingeleid, schorst het verloop van de procedure niet. Aldus wordt vermeden dat een partij die in strijd met de arbitrageovereenkomst handelt, ten onrechte de procedure zou lamleggen. Deze voortzetting geschiedt onverminderd hetgeen de overheidsrechter zal beslissen en onverminderd het mogelijke verhaal tegen de arbitrale uitspraak indien de uitspraak gedaan wordt vooraleer er een beslissing is over de exceptie”. Artikel 1682 Gerechtelijk Wetboek, dat enkel toepassing vindt bij de vorderingen ten gronde bij de overheidsrechter, kan dus nooit leiden tot de schorsing van het verloop van de arbitrageprocedure. In dit dossier betreft het bovendien een voorlopige vordering ingeleid bij de kortgedingrechter zodat artikel 1682 Gerechtelijk Wetboek niet geschonden kan zijn. Arbitrale beslissingen kunnen overeenkomstig artikel 1717 Gerechtelijk Wetboek alleen worden vernietigd door de overheidsrechter op basis van de in dat artikel opgesomde gronden en een vordering tot vernietiging is enkel ontvankelijk wanneer de uitspraak niet meer voor de arbiters kan worden aangevochten. Gelet op de aanvoeringen door eisers is dit in het bijzonder mogelijk wanneer de partij die de vordering instelt bewijst dat deze overeenkomst niet geldig was volgens het recht waaraan de partijen haar onderworpen hebben (art. 1717, § 3, a), i), Gerechtelijk Wetboek). De overheidsrechter kan de erkenning en uitvoerbaarverklaring van een arbitrale uitspraak overeenkomstig artikel 1721 Gerechtelijk Wetboek enkel weigeren in de gevallen bepaald in dit artikel. Gelet op de aanvoeringen door eisers is dit in het bijzonder mogelijk op vordering van de partij tegen wie de arbitrale uitspraak wordt ingeroepen wanneer die partij het bewijs levert dat de arbitrageovereenkomst niet geldig was. Uit artikel 1690, § 1, Gerechtelijk Wetboek volgt niet alleen de zogenaamde “kompetenz-kompetenz” d.w.z. dat het scheidsgerecht over zijn eigen rechtsmacht beslist maar ook dat het scheidsgerecht beslist over iedere exceptie met betrekking tot het bestaan of de geldigheid van de overeenkomst. Artikel 1690, § 4, Gerechtelijk Wetboek bepaalt bovendien dat tegen de beslissing van het scheidsgerecht dat het over rechtsmacht beschikt, slechts tegelijk met de uitspraak ten gronde en langs dezelfde weg een vordering tot vernietiging kan worden ingesteld. Artikel 1683 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het instellen van een gerechtelijke vordering voor of tijdens een arbitrageprocedure om voorlopige of bewarende maatregelen te bekomen en het toekennen van dergelijke maatregelen, geen inbreuk vormen op of geen afstand van de arbitrageovereenkomst. In de memorie van toelichting bij de Wet van 24 juni 2013 wordt bij dit artikel benadrukt dat voor het overige de fundamentele beginselen van de kortgedingrechter, met name de noodzaak om de urgentie vast te stellen en om slechts een voorlopige beslissing te nemen ongewijzigd van toepassing is
(3). Artikel 1691 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat onverminderd de bevoegdheden die krachtens artikel 1683 Gerechtelijk Wetboek zijn toegekend aan de overheidsrechter en tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, het scheidsgerecht op verzoek van een partij voorlopige of bewarende maatregelen kan bevelen die het nodig acht met uitzondering van een bewarend beslag. In de memorie van toelichting is verduidelijkt dat de wetgever doelbewust artikel 17 van de UNCITRAL Modelwet niet volledig heeft overgenomen. Zo werd de opsomming van voorlopige maatregelen niet overgenomen en werd het aangewezen geacht om het scheidsgerecht niet de mogelijkheid te geven voor het bevelen van eenzijdige maatregelen onder meer omdat het dan doeltreffender is om zich tot de overheidsrechter te wenden
(4). Artikel 1698 Gerechtelijk Wetboek benadrukt dat de kortgedingrechter bij het bevelen van voorlopige of bewarende maatregelen over dezelfde rechtsmacht beschikt als deze die hij heeft in een gewone gerechtelijke procedure waar er geen relatie is met een arbitrageprocedure maar dat hij wel rekening houdt met de bijzondere aard van een arbitrage. DE RUYSSCHER stelt dat deze bepaling vooral pedagogische doeleinden dient
(5). In de rechtsleer wordt door sommigen terecht benadrukt bij de vaststelling dat zowel het scheidsgerecht als de overheidsrechter (en in het bijzonder de kortgedingrechter) bevoegd zijn om voorlopige en bewarende maatregelen te bevelen, dat het slechts in het geval is wanneer de arbitrageprocedure het niet toelaat om die maatregelen te bevelen binnen de vereiste termijnen dat men zich tot de kortgedingrechter kan wenden en dat wanneer dit niet het geval is de kortgedingrechter moet vaststellen dat er geen spoedeisendheid is
(6). Wanneer er voorlopige en bewarende maatregelen noodzakelijk zijn die niet door een scheidsgerecht kunnen worden bevolen, spreekt het voor zich dat men zich ook tot de kortgedingrechter kan wenden
(7). Het toestaan van voorlopige en bewarende maatregelen door de kortgedingrechter kan niet worden beschouwd als een tussenkomst van de overheidsrechter in de arbitrageprocedure
(8). Hoewel de kortgedingrechter over erg ruime bevoegdheden (en dus ook ruimere dan het scheidsgerecht) beschikt om voorlopige of bewarende maatregelen te bevelen, kan in kort geding nooit worden toegestaan wat ook ten gronde niet kan worden bekomen
(9). Aangezien een vordering ten gronde nooit kan leiden tot het schorsen van de arbitrageprocedure, kan dit ook niet als voorlopige of bewarende maatregel worden gevorderd bij de kortgedingrechter. II.2. Toepassing van de principes in deze zaak. Met de motivering onder titel 4 ‘de exceptie van gebrek aan rechtsmacht c.q. bevoegdheid’ hebben de appelrechters, als kortgedingrechter in hoger beroep, hun beslissing dat ze geen rechtsmacht ter zake hebben omdat de vorderingen van eisers er in wezen toe strekken de arbitrage te doen schorsen (door verbod op te leggen om de arbitrage verder te zetten en verbod op te leggen een sanctie op te leggen voor de niet-ondertekening van een arbitrageovereenkomst) en een niet-toegelaten interferentie van de burgerlijke rechter in de rechtsmacht van het scheidgerecht beogen, naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen III. Tweede middel. In het tweede middel verwijten eisers de appelrechters de artikelen 8, 9, 584, eerste lid, 602, 2°, 1682, §§ 1 en 2, 1683, 1690, §§ 1 en 4, 1691, 1698, 1717, § 3, a), i) en 1721, § 1, a), i), Gerechtelijk Wetboek, artikel 2:59 WVV, artikelen 1 en 2 van de wet van 24 mei 1921 tot waarborging van de vrijheid van vereniging, artikelen 5.69 en 5.70 Burgerlijk Wetboek, artikel 1134, eerste en tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen 39 en 47 van het Gelijkluidend reglement voor de Antwerpse Diamantbeurzen en de artikelen 14 en 15 van het reglement van de arbitrale- en verzoeningsraad van de Federatie der Belgische Diamantbeurzen te hebben geschonden door te beslissen niet over rechtsmacht te beschikken om kennis te nemen van de vordering van eisers strekkende tot een verbod aan verweerster te horen opleggen om een sanctie op te leggen aan eisers omdat deze vordering er niet toestrekt de arbitrageprocedure te schorsen. Met de motivering onder titel 4 ‘de exceptie van gebrek aan rechtsmacht c.q. bevoegdheid’ hebben de appelrechters, als kortgedingrechter in hoger beroep, hun beslissing dat ze geen rechtsmacht ter zake hebben omdat de vorderingen van eisers er in wezen toe strekken de arbitrage te doen schorsen (door verbod op te leggen om de arbitrage verder te zetten en verbod op te leggen een sanctie op te leggen voor de niet-ondertekening van een arbitrageovereenkomst) en een niet-toegelaten interferentie van de burgerlijke rechter in de rechtsmacht van het scheidgerecht beogen, naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Conclusie: Verwerping. __________________________________________________________________
(1)Mvt bij het wetsontwerp tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage, Kamer 2012-2013, 11 april 2013, 53-2743/001, 16; DECOSTER D., “Rechtsmacht van de kortgedingrechter”, in CLIJMANS N. (ed.), Bestendig Handboek Burgerlijk Procesrecht?, Wolters Kluwer Belgium,
(57)60; DECOKER J., “Kort geding en arbitrage in drie stappen (noot bij Voorz. Kh. Hasselt 16 februari 2004)”, TBH 2005/1, 88, nr. 3.
(2)BS 28 juni 2013.
(3)Mvt bij het wetsontwerp tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage, Kamer 2012-2013, 11 april 2013, 53-2743/001, 17.
(4)Mvt bij het wetsontwerp tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage, Kamer 2012-2013, 11 april 2013, 53-2743/001, 23-24.
(5)DE RUYSSCHER M., “Bevoegdheid kortgedingrechter (commentaar bij artikel 1698 Ger.W.)”, in VANDENBUSSCHE W. (ed.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium 2023,
(1)1.
(6)TATON X en DELWAIDE N., “Les pièges des procédures accélérées et les moyens de les anticiper”, in ELOY G. (ed.), Les pièges de la procédure civile et arbitrale dans la pratique, Larcier 2019,
(93)100, nr. 23; CAPRASSE O., “Les grands arrêts de la Cour de cassation belge en droit de l’arbitrage”, b-Arbitra 2013/1, 147.
(7)DE RUYSSCHER M., “Voorlopige of bewarende maatregelen bij de kortgedingrechter (commentaar bij artikel 1683 Ger.W.)”, in VANDENBUSSCHE W. (ed.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, 2023,
(1)3.
(8)BASSIRI N., “Article 1683”, in BASSIRI N. en DRAYE M. (eds.), Arbitration in Belgium. A Practitioner’s Guide, Kluwer Law International 2016,
(105)112, nr. 45; Voorz. Rb. Brussel 30 april 1993, JLMB 1994, 240.
(9)LINDEMANS D., Kort geding, Kluwer 1985, 63, nr. 100. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251127.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251127.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.