← België

PAVERLO NV contra VERDEGEM BOUW NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 01 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251201.3N.11 Rolnummer: C.24.0032.N Zaak: PAVERLO NV contra VERDEGEM BOUW NV Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-01-13 Raadplegingen: 500 - laatst gezien 2026-06-18 20:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251201.3N.11 Fiche Zonder ondertekening door de bemiddelaar is geen sprake van een bemiddelingsakkoord, en valt derhalve een niet door de bemiddelaar ondertekend akkoord in beginsel onder de vertrouwelijkheidsplicht

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - VORM Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Zevende deel: Bemiddeling (art. 1723/1 tot 1737) - 10-10-1967 - Art. 1728, §§ 1 en 4, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1967101063 Gerechtelijk Wetboek - Zevende deel: Bemiddeling (art. 1723/1 tot 1737) - 10-10-1967 - Art. 1732, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1967101063 Tekst van de conclusie C.24.0032.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN:
  1. Het cassatieberoep van eiser is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent gewezen op 7 april
  2. Er worden twee middelen aangevoerd.
  3. Wat betreft het eerste middel. a. Eerste onderdeel. Ontvankelijkheid. Door verweerders wordt een grond van niet-ontvankelijkheid aangevoerd. Het onderdeel vergt een onderzoek van de feiten waar Uw Hof niet voor bevoegd is. Deze grond van niet-ontvankelijkheid is evenwel niet te onderscheiden van de beoordeling van het onderdeel zelf en dient dan ook te worden verworpen. Gegrondheid. Het onderdeel is gegrond. Indien men artikel 1732 Gerechtelijk Wetboek
(1)in ogenschouw neemt dan dient men vast te stellen dat deze de bepalende elementen weerhoudt van wat een bemiddelingsakkoord is. Het is inderdaad de enige bepaling in “ZEVENDE DEEL: Bemiddeling” dat enerzijds specifieert wat de vormvoorschriften zijn waaraan een bemiddelingsakkoord dient te voldoen, zijnde het eerste lid van deze bepaling
(2), alsook wat betreft het inhoudelijk aspect, wat aan te treffen is in het tweede lid
(3). In de oorspronkelijke versie
(4), zoals dit naar voorkomt uit de parlementaire werkzaamheden van de wet van 21 februari 2005 was er van de medeondertekening door de bemiddelaar geen sprake. De wijziging van het eerste lid van artikel 1732 is er pas gekomen ingevolge een regeringsamendement tijdens de bespreking in de Senaat. Ingevolge regeringsamendement 64
(5)werd, benevens het gegeven dat de overeenkomst moest gedateerd worden, tevens bepaald dat de bemiddelingsovereenkomst dient ondertekend te worden door de bemiddelaar. De verantwoording van het amendement 64 luidde: “Naast het toevoegen van het vermelden van de datum op het document dat het akkoord vaststelt dat voortvloeit uit een bemiddeling, beoogt het voorgestelde amendement te preciseren dat dit document eveneens moet worden ondertekend door de bemiddelaar. In voorkomend geval moet het akkoord ook preciseren dat de bemiddelaar erkend is. Het is immers uit hoofde van het bemiddelingsakkoord dat werd bereikt met de hulp van een erkende bemiddelaar dat deze akte het voorwerp kan zijn van een homologatie door de rechter”.(eigen onderlijning) Het is de in dit amendement weerhouden tekst die het artikel 1732 Gerechtelijk Wetboek is geworden. Uit de verantwoording van het amendement blijkt duidelijk dat de regelgever vooropstelde dat om te kunnen spreken van een bemiddelingsakkoord de bemiddelaar mede dient te ondertekenen. Dus, ongeacht of de bemiddelaar erkend was of niet, strekte het amendement ertoe te vereisen dat deze tezamen met de partijen het bemiddelingsakkoord diende te ondertekenen. Dit dient onderscheiden te worden van de vermelding dat het al dan niet om een erkende bemiddelaar gaat, zoals duidelijk blijkt uit de geciteerde verantwoording. Immers na het stellen dat het document ook “moet” medeondertekend worden door de bemiddelaar vervolgt de verantwoording dat “in voorkomend geval” gepreciseerd moet worden of de bemiddelaar erkend is. Dit laatste heeft enkel zijn relevantie zo men de mogelijkheid wenst te hebben om tot homologatie over te gaan, overeenkomstig wat bepaald is in artikel 1733 Gerechtelijk Wetboek, doch staat los van de verplichte medeondertekening door de bemiddelaar. Het artikel 1732 dient derhalve niet enkel gelezen te worden in het licht van wat vereist is met het oog op de homologatie van het bemiddelingsakkoord. Het ontbreken van de handtekening van de bemiddelaar heeft tot gevolg dat er geen sprake is van een bemiddelingsakkoord
(6). Die ondertekening is immers een van de constitutieve elementen. In het huidig geschil blijkt uit de stukken waar uw Hof acht op mag slaan dat het principieel bemiddelingsakkoord van 24 januari 2020 niet medeondertekend is door de bemiddelaar. Er is dan ook geen sprake van een bemiddelingsakkoord in de zin van artikel 1732. De vraag die zich vervolgens stelt is hoe dit document dient ingeschaald te worden in het licht van wat te lezen is in artikel 1728, eerste lid, dat de vertrouwelijkheid betreft van de documenten die werden opgemaakt en de mededelingen die werden gedaan in de loop van en ten behoeve van de bemiddelingsprocedure, doch waar, in het tweede lid een uitzondering wordt gemaakt voor het bemiddelingsprotocol, het bemiddelingsakkoord en het eventuele document opgesteld door de bemiddelaar dat het feit van de mislukking van de bemiddeling vaststelt. De partijen kunnen ter zake anders voorzien echter, het artikel 5 van het bemiddelingsprotocol heeft, zoals niet-bekritiseerd vastgesteld door de appelrechter, geen andere strekking dan artikel 1728, § 1, tweede lid
(7). Derhalve zijn enkel de in het artikel 1728, tweede lid vermelde documenten uitgesloten van de vertrouwelijkheid. Zodoende zijn behoudens een andersluidende overeenkomst tussen partijen de stukken die tijdens de bemiddeling zijn opgesteld onderworpen aan de vertrouwelijkheid. Dit betreft ook deelakkoorden die niet voldoen aan de voorschriften van artikel 1732 zelfs indien deze zouden kunnen worden beschouwd als een overeenkomst in de zin van artikel 1108 Oud Burgerlijk Wetboek. Deze deelakkoorden zijn immers op dat ogenblik niet te beschouwen als bemiddelingsakkoorden die niet onderworpen zijn aan de verplichting van vertrouwelijkheid. De appelrechter verantwoordt dan ook niet naar recht zijn oordeel dat het principieel bemiddelingsakkoord van 24 januari 2020 niet onder de vertrouwelijkheidsverplichting valt op grond van de overwegingen dat het akkoord van 2020 een geldige overeenkomst is in de zin van artikel 1108 Oud Burgerlijk Wetboek en dat het ontbreken van de ondertekening ervan door de bemiddelaar niet leidt tot de nietigheid ervan en tot gevolg heeft dat het een gewone onderhandse akte is en niet een bemiddelingsakkoord dat voor homologatie in aanmerking komt. Conclusie: cassatie. ____________________________________________________________________
(1)Deze bepaling is sedert de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2005 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling ongewijzigd gebleven.
(2)Een geschrift dat door de partijen en de bemiddelaar dient te zijn ondertekend.
(3)Dat de akte de precieze verbintenissen van de partijen bevat.
(4)Wetsvoorstel, Kamer, Zittijd 2003-2004, DOC 51 0327/00, p. 18.
(5)Voorbereidende werken, Senaat, zitting 2004-2005, amendement 64, 3 - 781/5, p. 14. Met een taalkundige verbetering in amendement 71 Senaat, zitting 2004-2005, amendement 64, 3 - 781/6, p. 3.
(6)W. MEUWISSEN, “Praktische gids bemiddeling”, Wolters Kluwer 2018, 176.
(7)Bestreden beslissing pag. 4. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251201.3N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251201.3N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.