← België

P. contra BELFIUS BANK nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 01 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251201.3N.2 Rolnummer: C.24.0339.N Zaak: P. contra BELFIUS BANK nv Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-01-13 Raadplegingen: 551 - laatst gezien 2026-06-18 20:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251201.3N.2 Fiche 1 De kennisgeving van een vonnis bij gerechtsbrief doet de beroepstermijn slechts ingaan in de gevallen waarin de wet die wijze van mededeling van de beslissing vaststelt en mits zij de termijn voor het instellen van de rechtsmiddelen doet ingaan

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn. Onsplitsbaar geschil Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1051, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 2 Aangezien artikel XX.173, § 2, vierde lid, WER niet voorziet in een kennisgeving bij gerechtsbrief aan de gefailleerde van het vonnis dat de kwijtschelding geheel of gedeeltelijk weigert, begint de termijn voor de gefailleerde om hoger beroep in te stellen tegen dergelijk vonnis pas te lopen vanaf de betekening ervan; de omstandigheid dat het vonnis, zonder wettelijke grondslag, bij gerechtsbrief werd ter kennis gebracht van de gefailleerde, doet hieraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn. Onsplitsbaar geschil Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1051, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.173, § 2, vierde lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de conclusie C.24.0339.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN:
  1. Het cassatieberoep van eiser is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen gewezen op 22 februari
  2. Er wordt één middel aangevoerd.
  3. Wat betreft het middel. Het middel is gegrond. Huidig geschil betreft de vraag of de kennisgeving van een beslissing waarbij aan een gefailleerde kwijtschelding wordt geweigerd de beroepstermijn doet lopen. De relevante bepaling in deze is artikel XX.173 WER
(1). De appelrechters oordelen dat het artikel XX.173 WER geen afwijkende bepaling is die de beroepstermijn doet ingaan
(2). Op grond van de artikelen 57, eerste lid, 792, tweede en derde lid
(3)en 1051 Gerechtelijk Wetboek beslissen de appelrechters vervolgens dat, gelet op de kennisgeving bij gerechtsbrief, het hoger beroep van eiser tegen de beslissing waarbij aan hem kwijtschelding wordt geweigerd laattijdig en dus niet ontvankelijk is. Ik deel ter zake dit laatste standpunt van de appelrechters niet. Uit artikel 57 komt naar voor dat de betekening de regel is opdat een termijn begint te lopen. Deze bepaling voorziet tevens dat de wet, in afwijking hiervan, anders kan bepalen. De afwijking waarnaar artikel 57 refereert betreft een rechtshandeling die door de regelgever, als alternatief aan de betekening, werd bepaald om de beslissing ter kennis te brengen van de partij. Dus welke andere wijze dan de betekening, waarvan sprake in artikel 57, door de wetgever werd weerhouden. Het is derhalve duidelijk dat een door de wet voorgeschreven handeling dient plaats te hebben waardoor de gewezen beslissing ter kennis wordt gebracht van de partij opdat er mogelijks een termijn zou kunnen aanvatten. Het is slechts vervolgens dat moet worden nagegaan of dit alternatief aan de betekening de termijn voor de aanwending van een rechtsmiddel heeft doen lopen. Eén en ander moet worden afgeleid uit de bedoeling van de regelgever. Uw Hof oordeelt immers dat de afwijkende bepaling, in de zin van artikel 57 Gerechtelijk Wetboek, geen uitdrukkelijke bepaling dient te zijn. Het volstaat dat de afwijking voortvloeit uit de op het hangende geding toepasselijke wetsbepalingen
(4). De leer, die uit Uw rechtspraak voortvloeit, weerhoudt derhalve twee criteria opdat een termijn zou aanvatten. Vooreerst is er de wettelijke vereiste dat, anders dan de betekening bij deurwaardersexploot, de regelgever een wijze heeft voorzien waarbij de beslissing ter kennis wordt gebracht van de partij. Vervolgens, en dit moet uit het geheel van de regelgeving naar voorkomen, is dat deze wijze van ter kennisbrenging als opzet heeft om de termijn te doen aanvatten. In de zaak die voorligt staat het niet ter discussie dat de beroepen beslissing bij gerechtsbrief werd ter kennis gebracht. Tevens betwisten de partijen niet dat de kennisgeving, de vermeldingen bevatte betreffende de beroepsmogelijkheid, de termijn die desbetreffend geldt en de beroepsinstantie die gevat dient te worden. Ik dien evenwel te wijzen op een gegeven waardoor huidige zaak zich significant onderscheidt van deze die naar voorkomt uit Uw rechtspraak waar ik hoger naar verwees. Bij de geschillen waar U oordeelde dat de van artikel 57 Gerechtelijk Wetboek afwijkende bepaling niet uitdrukkelijk diende te zijn is het zo, en dit is relevant voor huidige zaak, dat de in uw rechtspraak in het geding zijnde bepalingen de wijze voorzag waardoor de kwestieuze beslissing werd ter kennis gebracht van de partij. Artikel XX.173 WER voorziet evenwel geen wijze van ter kennisbrenging die afwijkt van artikel 57 Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1051 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand is vanaf de kennisgeving overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid van hetzelfde wetboek. Zoals inderdaad terecht geoordeeld door de appelrechters voorziet artikel XX.173 WER niet in een kennisgeving per gerechtsbrief aan de gefailleerde van de beslissing van weigering van kwijtschelding. Zij oordelen echter verder dat niettegenstaande de desbetreffende beslissing geen deel uitmaakt van deze die weerhouden zijn in artikel 792, tweede en derde lid Gerechtelijk Wetboek, dit de toepassing van deze laatste bepalingen in faillissementszaken niet uitsluit
(5). Ik dien er evenwel op te wijzen dat artikel 792, tweede en derde lid als uitzonderingbepaling geldt ten aanzien van artikel 57. Het is een uitzondering, die op limitatieve wijze, de afwijking ten aanzien van laatst vermeld artikel aangeeft. Het betreft een bepaling van openbare orde die strikt dient te worden geïnterpreteerd. De appelrechters die, na te hebben geoordeeld dat artikel XX.173 WER geen afwijkende bepaling is, oordelen dat op grond van de artikelen 57, 792, tweede en derde lid en 1051 Gerechtelijk Wetboek het hoger beroep, gelet op de kennisgeving bij gerechtsbrief, buiten termijn werd gesteld en dus niet-ontvankelijk is, verantwoorden dan ook niet naar recht hun beslissing. Volledigheidshalve, wil ik evenwel nog wijzen naar de huidige stand van de regelgeving. Sedert de wet van 7 juni 2023 werden de bepalingen van artikel XX.173 WER gewijzigd. De sluiting van het faillissement heeft thans, overeenkomstig wat te lezen is in artikel XX.173, § 2, automatisch de bevrijding van de restschulden tot gevolg, met uitzondering van deze die weerhouden zijn in § 1 van dezelfde wetsbepaling. Evenwel kan elke belanghebbende, curator en O.M. inbegrepen, bij verzoekschrift vorderen dat, op grond van de omstandigheden die aangehaald worden in § 3, de kwijtschelding geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd. De beslissing tot weigering van de kwijtschelding die hierop volgt kan dan, op verzoek van de voormelde belanghebbende, bij toepassing van de algemene regel van artikel 57 Gerechtelijk Wetboek, worden betekend aan de gefailleerde waarna de termijnen voor de aanwending van een rechtsmiddel aanvat. Conclusie: cassatie. ____________________________________________________________________
(1)Voor de wijziging van deze bepaling door de wet van 7 juni 2023.
(2)Uit de stukken waar Uw Hof acht op mag slaan blijkt dat de beslissing bij gerechtsbrief van 17 mei 2022 werd ter kennis gebracht van de eiser. Eerste verweerster liet bij deurwaardersexploot van 5 september 2022 dezelfde beslissing betekenen aan eiser. Eiser tekende op 5 september 2022 hoger beroep aan.
(3)Voor de wijziging van deze bepaling door de wetten van 26 december 2022 en 15 mei 2024.
(4)Cass. 28 maart 2025, AR C.24.0103.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250328.1N.9; Cass. 29 januari 2016, AR C.14.0006.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160129.3, AC 2016, nr. 67; Cass. 6 november 2014, AR C.14.0129.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141106.12, AC 2014, nr. 676; Cass. 11 december 2009, AR C.05.0531.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091211.1, AC 2009, nr. 738.
(5)Bestreden beslissing pag. 5. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251201.3N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251201.3N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091211.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141106.12 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160129.3 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250328.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.