← België

PROXIMUS nv contra DCA nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 december 2025

Art. 30

- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 701

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 30

- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 701

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 3 - 4 Artikel 701 Gerechtelijk Wetboek is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid van de akte waarbij verscheidene vorderingen die niet als samenhangend worden beschouwd, worden ingesteld; deze bepaling bevat evenmin een regel van rechterlijke organisatie die de niet-ontvankelijkheid van het geheel of een deel van de vorderingen zou meebrengen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SAMENHANG Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 701

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 701

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 5 - 6 Het gebrek aan samenhang van de verscheidene vorderingen kan enkel ertoe leiden dat deze vorderingen afzonderlijk moeten worden berecht, waarbij zij een afzonderlijk rolnummer moeten krijgen; in afwachting van de inschrijving van de afgesplitste vordering of vorderingen op de rol, wordt de rechtspleging voor die vordering of vorderingen geschorst

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SAMENHANG Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 717

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 717

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de conclusie C.25.0121.N Conclusie van advocaat-generaal Stijn RAVYSE: Het cassatieberoep van eiseres is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 18 november 2024. De rechtsvraag die voorligt betreft de sanctie bij miskenning van het voorschrift van artikel 701 van het gerechtelijk wetboek. Situering. Krachtens artikel 701 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen verschillende vorderingen tussen twee of meer partijen, indien deze samenhangend zijn, bij een en dezelfde akte worden ingesteld

(1). Dit betreft zowel de “objectieve cumulatie” waarbij één eiser meerdere vorderingen instelt tegen één verweerder, als de “subjectieve cumulatie” waarbij verschillende personen optreden tegen één verwerende partij of één persoon optreedt tegen meerdere verwerende partijen
(2). Het behoort tot de soevereine beoordeling van de rechter of de vorderingen, die op deze wijze bij hem aanhangig werden gemaakt, al dan niet samenhangend zijn. Hij dient daarbij na te gaan of de vorderingen dermate nauw verbonden zijn dat het wenselijk is om deze samen te behandelen en te berechten, dit om oplossingen te vermijden die, wanneer de vorderingen afzonderlijk zouden behandeld worden, tegenstrijdig zouden kunnen zijn
(3). De vraag rijst wat het gevolg is van de keuze van een verzoeker om diverse vorderingen middels eenzelfde akte voor de rechter te brengen, wanneer die rechter vervolgens tot het soevereine oordeel komt dat de beide vorderingen niet samenhangend zijn of, anders gezegd, welke sanctie kan worden verbonden aan de miskenning van artikel 701 van het Gerechtelijk Wetboek. Vooreerst dient te worden verduidelijkt dat in het voorliggende dossier louter de vraag naar de onderlinge samenhang tussen de middels één en dezelfde akte aangebrachte rechtsvorderingen voorligt. Tevens en bijkomend kunnen zich uiteraard problemen stellen inzake de bevoegdheid van de gevatte rechter
(4), dan wel op het vlak van de rechtsingang
(5), waarbij er sprake kan zijn van de schending van meerdere bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, met diverse sanctieregelingen. Uit de tekst van artikel 701 van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat de wetgever geen uitdrukkelijke sanctie heeft voorzien in geval van miskenning van het voorschrift dat vorderingen slechts samen voor de rechter kunnen worden gebracht in zoverre zij samenhangend zijn
(6). Het aanhangig maken van niet-samenhangende vorderingen in één en dezelfde akte kan dan ook niet leiden tot de nietigheid van de inleidende akte
(7). Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat artikel 701 van het Gerechtelijk Wetboek tevens geen rechtsregel van gerechtelijke organisatie betreft die de openbare orde raakt en waarvan de miskenning aanleiding zou kunnen geven tot een organieke nietigheid
(8). Met zijn arrest van 24 november 2008
(9)heeft het Hof het standpunt ingenomen dat op dat punt de onduidelijkheid in de rechtspraak en rechtsleer, waarvan een ruime meerderheid wel een dergelijk statuut toekende aan het desbetreffende artikel, heeft weggewerkt
(10). Deze strekking in de rechtspraak en rechtsleer
(11)stelde dat de inleiding in één en dezelfde akte van niet-samenhangende vorderingen de onontvankelijkheid of gedeeltelijke ontoelaatbaarheid tot gevolg had. Sommige auteurs waren van oordeel dat alle vorderingen die met een dergelijke akte voor de rechter werden gebracht onontvankelijk waren
(12), maar een meerderheid ging ervan uit dat enkel de eerste vordering die in de gedinginleidende akte was opgenomen, toelaatbaar kon worden verklaard
(13). Hoewel het Hof zich in het voormelde arrest niet expliciet heeft uitgesproken over de sanctie die moet worden verbonden aan het niet-naleven van artikel 701 van het Gerechtelijk Wetboek, is het duidelijk dat de voormelde zienswijzen niet langer overeind kunnen blijven. Een en ander zou, gezien het ontbreken van een uitdrukkelijke sanctie op de niet-naleving van artikel 701 van het Gerechtelijk Wetboek, strijden met het voorschrift van artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek
(14). Ook de loutere toelaatbaarverklaring van slechts één van de vorderingen kent geen enkele wettelijke basis en is louter arbitrair
(15). Bovendien is het voorschrift van artikel 701 van het Gerechtelijk Wetboek gericht op proceseconomie en op een goede rechtsbedeling
(16), zodat het onvoldoende overtuigend voorkomt dat een verzoeker die vanuit deze principes meerdere vorderingen gebundeld voor de rechter brengt (en tracht te anticiperen op eventuele excepties inzake samenhang) gesanctioneerd zou worden zonder dat hiertoe een wettelijke basis bestaat. Een andere strekking in de rechtsleer argumenteert dat de rechter die wordt geconfronteerd met de inleiding in één en dezelfde akte van niet-samenhangende vorderingen ertoe gehouden is om deze vorderingen te splitsen en de procedure te schorsen in afwachting van de inschrijving op de rol, desgevallend na betaling van het rolrecht voor elk van de betrokken vorderingen
(17). Hierbij wordt de procedure zoals voorzien door artikel 717 van het Gerechtelijk Wetboek toegepast
(18). Deze strekking, die duidelijk de link legt naar de bepalingen inzake de aanhangigheid en samenhang
(19)gaat ervan uit dat de voorgestelde voeging van vorderingen, die door een vermeende samenhang vanuit het oogpunt van de aanlegger in één en dezelfde akte worden aangebracht, door de rechter moet worden geweigerd. Door de schorsing van de procedure en de splitsing van de vorderingen komt men tot de situatie die zich zou hebben voorgedaan indien de beide vorderingen ab initio afzonderlijk voor de rechter zouden zijn gebracht
(20). Deze zienswijze vindt steun in een arrest van het Hof van 17 september 1981
(21), waarin werd geoordeeld dat de rechter die vaststelt dat de hem voorgelegde vorderingen niet samenhangend zijn en dat hij tevens slechts voor één van de vorderingen bevoegd is, niet alle vorderingen moet verwijzen naar de arrondissementsrechtbank, maar dat hij de vordering waarvoor hij zelf bevoegd is onder zich kan houden. De splitsing en regularisatie van de onterecht als samenhangend beschouwde vorderingen verdient, gezien het ontbreken van een wettelijk bepaalde sanctie en gelet op de proceseconomische insteek van artikel 701 van het Gerechtelijk Wetboek, mijns inziens de voorkeur. Enig middel. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de eiseres twee vorderingen tot schadevergoeding wegens de beschadiging van telefoonkabels in het kader van wegenwerken, dit op twee verschillende tijdstippen (15 september 2015 en 1 december 2015) en op andere locaties (te Geetbets en te Holsbeek), doch telkens in het kader van werken uitgevoerd door de verweerster, middels één dagvaarding voor de (bevoegde) ondernemingsrechtbank te Leuven bracht. De eerste rechter besloot dat de beide vorderingen samenhangend waren. In graad van beroep oordeelde de appelrechter op zijn beurt dat de vorderingen niet samenhangend zijn en verklaarde hij enkel de vordering met betrekking tot het eerste in de dagvaarding genoemde schadegeval ontvankelijk. De appelrechter, die op pagina 3, onder punt “IV Beoordeling” van zijn arrest besluit dat de vorderingen niet samenhangend zijn en die vervolgens enkel de eerste vordering tot schadevergoeding ontvankelijk verklaart en daarbij de tweede vordering onontvankelijk verklaart, verantwoordt zijn beslissing met betrekking tot laatstgenoemde vordering mijns inziens niet naar recht. Het middel is gegrond. Conclusie: vernietiging. _____________________________
(1)MOUGENOT D. (ED.), La jurisprudence du code judiciaire commentée - Vol. IIA – L’instance, Die Keure 2025, 28, DE LEVAL G., “Chapitre 8 - La connexité et indivisibilité” in: DE LEVAL G. (DIR.), Droit judiciaire – Tome 2: Procédure civile – Volume 1: Principes directeurs du procès civil Compétence-Action-Instance-Jugement, 2e édition, Larcier 2021, 156 ; BOULARBAH, H., “Nature et sanction(s) de l'article 701 du Code judiciaire”, JT 2009/17, nr. 6351, 306; TAELMAN P., “Objectieve cumulatie van vorderingen: pro en contra”, A.J.T. 1995-1996, afl. 1, 12.
(2)Cass. 25 januari 1991, AR F.1776.N, AC 1991, nr. 279, ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19910125.14; DAUW, P., “Art. 701 Ger.W.”, in: Commentaar Gerechtelijk Recht, Kluwer, losbl., 8.
(3)Zie Artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek; Cass. 29 juni 1998, AR F.97.0078.F, AC 1998, nr. 348 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980629.6; MOUGENOT D. (ED.), La jurisprudence du code judiciaire commentée - Vol. IIA – L’instance, Die Keure, 2025, 28, CLAUS, L., “Instellen van samenhangende vorderingen (commentaar bij artikel 701 Ger. W.)”, OGR, afl. 129 (19 oktober 2023), 66, VOET S., Een Belgische vertegenwoordigende collectieve rechtsvordering, 1e editie, Brussel, Intersentia 2012, 22.
(4)Wanneer de rechter vaststelt dat hij voor bepaalde van de vorderingen die voor hem worden gebracht materieel of territoriaal niet bevoegd is zal hij, gezien het karakter van openbare orde, Zie in dit verband: CLAUS L., “Instellen van samenhangende vorderingen (commentaar bij artikel 701 Ger. W.)”, OGR, afl. 129 (19 oktober 2023), 69.
(5)Bijvoorbeeld bij dagvaarding, daar waar één van de vorderingen bij verzoekschrift op tegenspraak moet worden ingesteld, of vice versa. Zie in dit verband: Art. 700 Ger. W.; Cass. 8 januari 2004, AR C.01.0180.N, AC 2004, nr. 5, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040108.7, Cass. 15 april 2010, AR F.09.0068.N, AC 2010, nr. 260, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100415.1, met concl. van advocaat-generaal THIJS, ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100415.1; CLAUS L., “Instellen van samenhangende vorderingen (commentaar bij artikel 701 Ger. W.)”, OGR, afl. 129 (19 oktober 2023), 67, BAETENS-SPETSCHINSKY M., “De vorm van instelling van de met de hoofdvordering samenhangende vordering”, RABG 2010/18, 1166-1170, LAENENS J., “De subsidiaire eis en de akte van rechtspleging” (noot onder Cass. 8 januari 2004), RW 2004-05, 64, MOSSELMANS S., “Het instellen van verscheidene vorderingen bij een zelfde verzoekschrift, wanneer de wet het slechts met betrekking tot één of bepaalde van die vorderingen toelaat” (noot onder Cass. 8 jan. 2004), T. Vred. 2004, 338.
(6)Artikel 701 Ger. W. luidt als volgt “Verscheidene vorderingen tussen twee of meer partijen kunnen, indien zij samenhangend zijn, bij een zelfde akte worden ingesteld”.
(7)Zie artikel 860 Ger. W.; CLAUS L., “Instellen van samenhangende vorderingen (commentaar bij artikel 701 Ger. W.)”, OGR, afl. 129 (19 oktober 2023), 66, DUPON F., De rol en de betekenis van de openbare orde in het burgerlijk procesrecht, 1e editie, Brussel, Intersentia 2022, p. 862, DAUW E., TAELMAN P., “Capita selecta van de civiele rechtspleging. De bijgestelde nietigheidsleer”, in: CLAEYS I. (Ed.), Recente wetgevende hervormingen: nieuw en beter? XLVe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Mechelen, Kluwer 2021, 449.
(8)DUPON F., De rol en de betekenis van de openbare orde in het burgerlijk procesrecht, 1e editie, Brussel, Intersentia 2022, p. 888.
(9)Cass. 24 november 2008, AR C.07.0432.F, AC 2008, nr. 658, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081124.3, met concl. van advocaat-generaal J.-M GENICOT; MOUGENOT D. (ED.), La jurisprudence du code judiciaire commentée - Vol. IIA – L’instance, Die Keure 2025, 30.
(10)HOC A., VANDERSCHUREN J. en VAN DROOGHENBROECK J.-F., “Section 5 - Jonction directe (C. jud., art. 701)”, in: BOULARBAH H. ET GEORGES F. (DIR.), Actualités en droit judiciaire, 1e édition, Bruxelles, Larcier 2013, 179.
(11)Voor een uitgebreid overzicht, zie DAUW P., DECONINCK B, WYLLEMAN B., Duiding Burgerlijk Procesrecht – deel I, Larcier 2021, 628, VANDEBURIE A., “La sanction de l’absence de connexité entre demande figurant danns le même acte introductif d’instance. Le casse-tête de l’article 701 du code judiciaire”, RGDC.2007, 564-572. Volledigheidshalve past het in dit kader tevens een andere strekking in de rechtsleer te vermelden, die gelet op de bewoordingen van artikel 702, 3°, van het Gerechtelijk wetboek, argumenteerde dat vorderingen die in één en dezelfde akte voor de rechter werden gebracht zonder dat deze samenhangend zijn, niet het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering, die op straffe van nietigheid in het exploot van dagvaarding vermeld moeten worden, bevat, zodat een dergelijke gedinginleidende als relatief nietig diende beschouwd te worden.
(12)MOUGENOT D. (ED.), La jurisprudence du code judiciaire commentée - Vol. IIA – L’instance, Die Keure 2025, 30, DAUW P., DECONINCK B, WYLLEMAN B., Duiding Burgerlijk Procesrecht – deel I, Larcier 2021, 628.
(13)MOUGENOT D. (ED.), La jurisprudence du code judiciaire commentée - Vol. IIA – L’instance, Die Keure 2025, 30; ENGLEBERT J., “La citation collective, conditions et sanctions”, JLMB 1991, nr. 6, 207.
(14)Zie artikel 860 van het Gerechtelijk wetboek, dat bepaalt dat “wat de verzuimde of onregelmatig verrichte vorm ook zij, geen proceshandeling kan nietig worden verklaard, noch kan het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven, worden gesanctioneerd, indien de wet de sanctie niet uitdrukkelijk heeft bevolen”.
(15)HOC A., VANDERSCHUREN J. en VAN DROOGHENBROECK J.-F., “Section 5 - Jonction directe (C. jud., art. 701)”, in BOULARBAH H. ET GEORGES F. (DIR.), Actualités en droit judiciaire, 1e édition, Bruxelles, Larcier 2013, 181.
(16)CLAUS L., “Instellen van samenhangende vorderingen (commentaar bij artikel 701 Ger. W.)”, OGR, afl. 129 (19 oktober 2023), 62, TAELMAN P., “Objectieve cumulatie van vorderingen: pro en contra”, AJT 1995-1996, afl. 1, 12.
(17)HOC A., VANDERSCHUREN J. en VAN DROOGHENBROECK J.-F., “Section 5 - Jonction directe (C. jud., art. 701)”, in: BOULARBAH H. et GEORGES F. (DIR.), Actualités en droit judiciaire, 1e édition, Bruxelles, Larcier 2013, 179.
(18)Dit artikel luidt als volgt: “Indien de zaak niet ingeschreven is op de algemene rol voor de zitting die aangegeven is in de dagvaarding, wordt de rechtspleging ambtshalve geschorst”.
(19)Artikelen 565, 566 en 856 van het Gerechtelijk wetboek; ENGLEBERT J., “La citation collective, conditions et sanctions”, JLMB 1991, nr. 6, 206.
(20)TAELMAN P., THION P., “Bundeling van vorderingen”, TPR 2003, 1505.
(21)Cass. 17 september 1981, AC 1981, nr. 46, waarin werd overwogen : “Overwegende dat hoewel, krachtens artikel 701 van het Gerechtelijk Wetboek, verscheidene vorderingen tussen twee of meer partijen, indien zij samenhangend zijn, bij eenzelfde akte kunnen worden ingesteld, hieruit echter niet volgt dat, als de rechter van oordeel is dat die vorderingen niet samenhangend zijn, alle vorderingen naar de Arrondissementsrechtbank moeten worden verwezen, wanneer de rechter beslist dat hij voor één van de vorderingen onbevoegd is”; DUPON F., De rol en de betekenis van de openbare orde in het burgerlijk procesrecht, 1e editie, Brussel, Intersentia 2022, 904, ENGLEBERT J., “La citation collective, conditions et sanctions”, JLMB 1991, nr. 6, 206. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251204.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251204.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19910125.14 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980629.6 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040108.7 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081124.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100415.1 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100415.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.