id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251209.2N.24 Rolnummer: P.25.1371.N Zaak: T. contra T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2026-01-06 Raadplegingen: 681 - laatst gezien 2026-06-18 20:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.24 Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 2, 19° en 38, § 2 Jeugddelinquentiedecreet volgt dat de beoordeling van de jeugdrechtbank dat zij geen van de sancties vermeld in artikel 29, § 2, Jeugddelinquentiedecreet geschikt acht, noch de beslissing tot uithandengeving, het vermoeden van onschuld van de uithandengegevene miskennen en de schuldbeoordeling van de uithandengegevene aan de hem ten laste gelegde feiten uitsluitend toebehoort aan de bevoegde rechtbank waarvoor hij wordt vervolgd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 2, 19° Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 29, § 2 Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38, § 2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 2, 19° Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 29, § 2 Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38, § 2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 3 - 4 Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt; niet is vereist dat de appellant in zijn verzoekschrift of grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt; het enkele feit dat het openbaar ministerie in zijn grievenformulier de niet-uithandengeving als grief aanwijst, zonder daarbij reeds de redenen te vermelden waarom het de hervorming van die beslissing vraagt, maakt de grief niet onnauwkeurig
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 5 - 6 Indien in de verklaring van hoger beroep wordt aangegeven dat het hoger beroep is beperkt tot de in het grievenformulier vermelde grieven, is de saisine van het appelgerecht beperkt tot de in het grievenformulier vermelde beslissingsonderdelen, alsook tot de beslissingsonderdelen die daarmee onafscheidelijk zijn verbonden; daaruit volgt dat het openbaar ministerie dat in zijn grievenformulier de niet-uithandengeving als grief aanwijst, niet noodzakelijk tevens de met dat beslissingsonderdeel onafscheidelijk verbonden beslissing van de jeugdrechter over het verdere verloop van de voorlopige fase, als grief moet aanduiden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 7 - 8 De uithandengegevene kan in de regel pas worden gedagvaard voor de gewone strafrechter, zoals bedoeld in artikel 38 Jeugddelinquentiedecreet, als het vonnis tot uithandengeving definitief is, en dus niet meer vatbaar is voor verzet in de gewone termijn of hoger beroep; de jeugdrechtbank kan echter op grond van artikel 58, laatste lid, Jeugdbeschermingswet, de voorlopige tenuitvoerlegging van haar beslissingen bevelen, behalve wat de kosten betreft
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38 Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 58, laatste lid - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38 Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 58, laatste lid - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Tekst van de conclusie P.25.1371.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De verenigbaarheid van een arrest van uithandengeving met het vermoeden van onschuld en het grievenstelsel (artikelen 38 Decreet Jeugddelinquentierecht, 58 Jeugdbeschermingswet, 6.2 EVRM en 204 Wetboek van Strafvordering)”.
- Eiser wordt vervolgd wegens feiten van poging doodslag (A), aantasting van de seksuele integriteit met verzwarende omstandigheden (B), poging tot verkrachting met verzwarende omstandigheden (C) en het bezit van beelden van seksueel misbruik ten nadele van een minderjarige (D). Ten tijde van de feiten vermeld in de dagvaarding tot uithandengeving, op 1 augustus 2024, was eiser 17 jaar. Het bestreden arrest stelt over feiten A, B en C dat een 27-jarige dame L.V.H. op het jaagpad langs het kanaal in Olen werd aangevallen, met haar gezicht tegen de grond werd gesmeten, twee keer werd gewurgd tot zij bewusteloos was en geen broek of onderbroek meer aanhad toen zij door een getuige werd gevonden. Eiser bekende tweemaal dat hij uit boosheid een vrouw had geslagen in het bos en beriep zich op het zwijgrecht op de vraag over het aantreffen van zijn DNA-profiel op de schaamstreek van L.V.H. Feit D heeft betrekking op pornografische beelden aangetroffen op de laptop en GSM van eiser ‘dat dezelfde handelingen toont als door het slachtoffer L.V.H. en getuigen wordt beschreven bij de feiten in Olen”.
- Bij vonnis van 23 juni 2025 heeft de jeugdrechtbank te Antwerpen, afdeling Turnhout, de uithandengeving afgewezen en de maatregel van gesloten begeleiding in de gemeenschapsinstelling te Ruiselede voortgezet tot 19 september
- De jeugdrechtbank was van mening dat een langdurige gesloten begeleiding adequaat kan zijn voor eiser, temeer daar hij goed meewerkt in de instelling en al een positief traject aflegde.
- Op hoger beroep van het Openbaar Ministerie heeft de jeugdkamer van het hof van Beroep te Antwerpen bij arrest van 18 september 2025, op tegenspraak ten aanzien van eiser (en bij verstek ten aanzien van de ouders)
(1), de uithandengeving bevolen, na onder meer volgende vaststellingen: - De jeugdrechter heeft op 2 september 2022 een ambulante maatregel opgelegd wegens de aanval op twee vrouwen; die op de grond werden geduwd en slagen of stampen moesten incasseren. - De sociale dienst van de jeugdrechtbank is van mening dat de huidige jeugdinterventies onvoldoende effectief blijken om eiser de juiste ondersteuning te bieden en dat het risico op recidive hoog blijft, onder meer omdat zijn vader definitief naar Tunesië is verhuisd, zijn moeder aangeeft de situatie niet de baas te zijn en eiser situaties verkeerd inschat en moeite heeft om zijn verantwoordelijkheid op te nemen; - De gerechtsdeskundige Dr. T. heeft een hechtingsproblematiek vastgesteld met een antisociale gedragsstoornis en borderline persoonlijkheidstrekken, een ernstige verslavingsproblematiek en een tendens tot hyperseksualiteit. De arts acht dat door een aantal kenmerken van de persoonlijkheid van eiser, zoals identiteitsdiffusie, er een verhoogd risico bestaat op herval in (seksueel) gewelddadig gedrag. Daarnaast wijst Dr. T. op een delict evolutie, waarbij doorheen de verschillende seksuele delicten een zeker delict scenario naar onbekende vrouwen kan ontwaard worden en waarbij de ernst van de delicten steeds verder escaleert.
- De jeugdkamer oordeelt als volgt: “Uit de delict geschiedenis leidt het hof af dat eerdere ambulante maatregelen de feiten waarvoor thans de uithandengeving gevorderd wordt, niet hebben kunnen verhinderen en derhalve niet effectief bleken om recidive te voorkomen. Bovendien blijkt er zoals vastgesteld door de gerechtsdeskundige sprake van een escalatie qua geweld en ernst van de delicten en vormt ook de houding van N. na de feiten, waarbij hij eerst zelf naar de noodcentrale belde om zichzelf een alibi te verschaffen en enkele weken later verwees naar zijn alcoholgebruik om te verantwoorden dat hij zich slechts flarden zou herinneren, een negatieve indicatie over de ingesteldheid en persoonlijkheid van N.. Het hof oordeelt dat uit al het voorgaande enkel afgeleid kan worden dat een sanctie niet meer geschikt is voor N. (eiser) en niet zal volstaan om recidive te vermijden. Hoewel hij binnen de gesloten gemeenschapsinstelling relatief goed blijkt te functioneren, zijn de structurele mogelijkheden binnen zulke gemeenschapsinstelling ontoereikend en is er ook geen enkel perspectief wat betreft een veilige uitstroom. Anders dan de eerste rechter oordeelt het hof dat er geen realistische hoop bestaat dat een (langdurige) gesloten begeleiding in een gemeenschapsinstelling adequaat kan zijn om aan de vermelde zorgen tegemoet te komen. Hetzelfde geldt voor een geslaagde abstinentiebehandeling aangaande alcohol, rekening houdend met het zwakbegaafde intelligentieniveau van N., het gegeven dat deze verslaving al jarenlang aanwezig is en zeer ernstig was”.
- Voor zover eiser een schending aanvoert van artikel 57bis, § 1 Jeugdbeschermingswet over de voorwaarden tot uithandengeving, faalt het eerste middel naar recht, aangezien deze bepaling niet meer van toepassing is in het Vlaams Gewest, vanaf 1 maart 2023, ingevolge artikelen 11, 1° en 25 Decreet van 15 juli 2022 (BS 16 augustus 2022)
(2). Eiser stelt ten onrechte dat de jeugdrechtbank moet nagaan of een ‘maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding’ nog geschikt is (oud artikel 57bis, § 1 JBW), terwijl de vraag op het moment van het bestreden arrest was of overeenkomstig het toepasselijke artikel 38, § 2 Decreet Jeugddelinquentierecht een ‘sanctie’ nog geschikt is voor eiser.
- De jeugdrechter of jeugdrechtbank legt vanaf 1 september 2019 geen maatregel van opvoeding meer op (oud artikel 37, § 2 Jeugdbeschermingswet), maar een reactie, dit is “de maatregel of sanctie als maatschappelijk antwoord op een jeugddelict” (artikel 2.17° Decreet Jeugddelinquentierecht van 15 februari 2019). Een sanctie is een reactie op het jeugddelict in de fase ten gronde, met uitsluiting van het herstelrechtelijk aanbod, de uithandengeving en de plaatsing in een jeugdpsychiatrische dienst (artikel 2, 19° Decreet Jeugddelinquentierecht). De lijst van sancties ten aanzien van minderjarige delictplegers is opgenomen in art. 29, § 2 Decreet Jeugddelinquentierecht, gewijzigd door artikel 18 Decreet Vl. 19 april 2024, BS 13 mei
- Bij een met redenen omklede beslissing kan de jeugdrechtbank een minderjarige verdachte die op het tijdstip van het plegen van het jeugddelict zestien jaar of ouder was uit handen geven, als zij één van de sancties niet geschikt acht, en er voldaan is aan een aantal voorwaarden over de ernst van het feit en de onderzoeken naar de persoonlijkheid en leefomgeving van de minderjarige (artikel 38 Decreet Jeugddelinquentierecht). De uithandengeving betekent dat de jeugdrechtbank de zaak doorverwijst naar het openbaar ministerie, met het oog op vervolging voor de bevoegde rechtbank die het gemeen strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast (artikel 38, § 2 Decreet Jeugddelinquentierecht, gewijzigd door art. 30 Decreet Vl. 19 april 2024, BS 13 mei 2024). Al naar gelang van de ernst van het feit kan de uit handen gegeven minderjarige worden berecht, volgens de regels die gelden voor een meerderjarige, door de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank of het hof van assisen (artikelen 78, 92, § 1 en 119, § 2 Ger. W. en artikel 130 Sv.)
(3). Aan het toezicht op de minderjarige door de jeugdrechtbank komt dan een einde
(4). 8. De beslissing tot uithandengeving is geen beslissing ten gronde en heeft alleen tot doel te bepalen welk rechtscollege bevoegd is om van de zaak kennis te nemen
(5). De motivering over het feit dat een sanctie als reactie op het jeugddelict niet geschikt is, wordt opgesteld in functie van de persoonlijkheid van de minderjarige verdachte, zijn maturiteitsgraad en zijn omgeving (artikel 38, § 2 Decreet Jeugddelinquentierecht)
(6). De aard, frequentie en ernst van de feiten die de minderjarige verdachte ten laste worden gelegd, worden in het medisch-psychologisch onderzoek in overweging genomen als ze bijdragen tot de evaluatie van zijn persoonlijkheid (artikel 38, § 3 Decreet Jeugddelinquentierecht). De ernst van de feiten kan aldus een aanduiding vormen voor de beoordeling van de persoonlijkheid van de verdachte, minderjarig ten tijde van de feiten
(7). 9. In het kader van de procedure tot uithandengeving mag de jeugdrechtbank zich niet uitspreken over de schuld of verantwoordelijkheid van de minderjarige wat betreft de feiten omschreven in de dagvaarding
(8). Zij mag slechts onderzoeken, gelet op de persoonlijkheid van de minderjarige en zijn leefomgeving, of op het moment van de uitspraak een sanctie als reactie op het jeugddelict (artikel 29, § 2 Decreet Jeugddelinquentierecht, vroeger een maatregel van opvoeding (opgeheven artikelen 37, § 2 en 57bis, § 1 Jeugdbeschermingswet)) nog geschikt zou zijn, “in geval hij de ten laste gelegde feiten zou hebben gepleegd”
(9).
- De beslissing dat een sanctie als reactie op het jeugddelict niet meer geschikt is, en de jeugdrechtbank de zaak niet ten gronde kan behandelen, lijkt mij verenigbaar met het vermoeden van onschuld. In zoverre faalt het middel eveneens naar recht. Voor het overige meen ik dat het bestreden vonnis behoorlijk is gemotiveerd, de voorwaarden tot uithandengeving correct toepast en de aangehaalde redenen geen miskenning inhouden van het vermoeden van onschuld. In zoverre kan het middel dat schending aanvoert van de artikelen 38 Decreet Jeugddelinquentierecht, 6.2 EVRM, 14.2 IVBPR en 149 Grondwet niet worden aangenomen.
- In zijn tweede middel voert eiser aan dat het oordeel dat er geen realistische hoop bestaat voor een “geslaagde abstinentiebehandeling aangaande alcohol, rekening houdend met het zwakbegaafde intelligentieniveau van N., het gegeven dat deze verslaving al jarenlang aanwezig is en zeer ernstig is” de bewijskracht miskent van het verslag van psychiater-deskundige Dr. T., dat stelt (blz. 19) dat de kans op een geslaagde abstinentie van alcohol “eerder gering is”. Volgens eiser stelt dit verslag nergens dat de hoop op een geslaagde abstinentiebehandeling niet realistisch zou zijn.
- Ik meen dat het middel feitelijke grondslag mist, omdat het betwiste onderdeel van het arrest niet verwijst naar het verslag van Dr. T., en dus de bewijskracht ervan niet kan miskennen. Verder lijkt mij het middel dat een motiveringsgebrek aanvoert onnauwkeurig en niet-ontvankelijk. Daarbij is op te merken dat de (beweerde) miskenning van de bewijskracht van een akte geen motiveringsgebrek oplevert in de zin van artikel 149 Grondwet
(10). 13. Uit de vereiste van artikel 204 Wetboek van Strafvordering over een nauwkeurige grief volgt niet dat de eiser in hoger beroep in zijn grievenschrift de redenen moet vermelden waarom hij de hervorming vraagt van het beroepen vonnis
(11). Het enkele feit dat het openbaar ministerie in zijn grievenformulier de ‘niet-uithandengeving’ aanduidt, zonder verdere toelichting, betekent dus niet dat deze grief onnauwkeurig zou zijn. In zoverre faalt het derde middel over deze wetsbepaling naar recht.
- Eiser voert tevens aan dat de jeugdrechtbank te Turnhout op 23 juni 2025 heeft beslist tot niet-uithandengeving en tot voorlopige plaatsing van eiser in de gesloten instelling te Ruiselede, tot 19 september 2025, met onmiddellijke tenuitvoerlegging van deze maatregel. Het beroepen vonnis voegde daaraan toe dat “de jeugdrechter in de voorlopige fase verder zal handelen tot aan de dagvaarding ten gronde met een volgende kabinetszitting voor 19 september 2025”. Volgens eiser kan het niet zijn dat het Openbaar Ministerie de niet-uithandengeving betwist maar wel akkoord gaat met de plaatsing van eiser in de voorlopige fase, onder toezicht van de jeugdrechter, waartegen geen grief is aangebracht.
- Uit de artikelen 203 en 204 Sv. volgt dat als het hoger beroep volgens de verklaring ter griffie is gericht tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis
(12)en in het grievenformulier slechts bepaalde grieven worden opgegeven, de saisine van het appelgerecht is beperkt tot de in het grievenformulier vermelde beslissingsonderdelen, alsook tot de beslissingsonderdelen die daarmee onafscheidelijk zijn verbonden
(13). 16. Mij komt voor dat de procureur des Konings die een grief aanbrengt over de ‘niet-uithandengeving’
(14)geen bijkomende grief moet aanvoeren over de beslissing van verder toezicht van de jeugdrechter in de voorlopige fase, en meer bepaald de verlenging van de maatregel van gesloten plaatsing in een gemeenschapsinstelling, gesteund op artikel 27 Decreet Jeugddelinquentierecht. Deze maatregel eindigt immers als de jeugdkamer de uithandengeving uitspreekt met onmiddellijke tenuitvoerlegging. De beslissing over de noodzaak van een verdere voorlopige plaatsing, in afwachting van een definitieve beslissing over de uithandengeving dan wel een sanctie opgelegd in de fase ten gronde, is dus een rechtstreeks gevolg van de beslissing tot niet-uithandengeving. Beide beslissingen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In zoverre faalt het middel eveneens naar recht. Voorts is de aangevoerde miskenning van de motiveringsverplichting afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het middel niet-ontvankelijk.
- Bijkomend is op te merken dat de jeugdkamer van het hof van beroep tijdens de procedure van uithandengeving beslist over voorlopige maatregelen, zoals de verlenging van de plaatsing in een gemeenschapsinstelling (artikel 59, eerste lid, Jeugdbeschermingswet). Daarbij blijven de vroeger door de jeugdrechtbank genomen maatregelen gehandhaafd zolang ze niet door het gerecht in hoger beroep zijn gewijzigd (artikel 59, tweede lid, Jeugdbeschermingswet). De procureur des Konings die hoger beroep instelt tegen de afwijzing van de uithandengeving, kan van mening zijn dat het aangewezen is dat de maatregel van plaatsing in een gesloten gemeenschapsinstelling doorloopt tijdens de procedure van uithandengeving. Er is dan geen reden om deze voorlopige plaatsing bijkomend aan te vechten in hoger beroep. Daarmee geeft hij niet aan de jeugdrechtbank zijn toezicht op de minderjarige kan verderzetten. Het feit dat de procureur des Konings geen afzonderlijke grief aanbrengt over de voorlopige plaatsing, houdt naar mijn mening niet in dat hij stilzwijgend afstand zou doen van zijn grief gericht tegen de niet-uithandengeving of dat deze grief onnauwkeurig zijn. In zoverre faalt het middel m.i. naar recht.
- Volgens artikel 58 Jeugdbeschermingswet (gewijzigd door artikel 12 Decr. Vl. 15 juli 2022, BS 16 augustus 2022) kan de jeugdrechtbank de voorlopige tenuitvoerlegging bevelen van haar beslissingen, behalve wat de kosten betreft. Deze bepaling geldt ook voor de beslissing tot uithandengeving
(15).
- Uit artikel 57bis § 5 Jeugdbeschermingswet (gewijzigd door art. 7, 5° Decreet Vl. 24 september 2019, BS 1 oktober 2019 en artikel 11, 4° Decreet Vl. 15 juli 2022, BS 16 augustus 2022) over de automatische uithandengeving wegens nieuwe feiten leidt eiser af dat de minderjarige pas voor de strafrechter kan verschijnen nadat de beslissing tot uithandengeving ‘definitief is geworden’. Hij stelt: “ieder geldig ingesteld rechtsmiddel zorgt ervoor dat de beslissing tot uithandengeving niet ‘definitief’ is tot zolang hierover nadien definitief werd beslist”.
- Artikel 57bis, § 5 Jeugdbeschermingswet is gericht op een minderjarige die al uit handen is gegeven, ingevolge een definitieve beslissing, en wordt vervolgd voor bijkomende strafbare feiten, begaan na de dagvaarding tot uithandengeving
(16). Deze bepaling belet niet dat de jeugdkamer haar beslissing tot uithandengeving onmiddellijk uitvoerbaar verklaart, niettegenstaande cassatieberoep, en de minderjarige verdachte in afwachting van een beslissing van uw Hof onderworpen is aan het gewoon straf(proces)recht, voor de feiten omschreven in de dagvaarding tot uithandengeving
(17). 21. Ik meen dat het vierde middel over deze bepaling en de artikelen 10 en 11 Grondwet over het gelijkheidsbeginsel faalt naar recht en er bijgevolg geen reden is tot het stellen van volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, geformuleerd door eiser
(18): “Schendt artikel 57bis, § 5 van de Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben, gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade van 8 april 1965 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het iedere persoon ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving genomen is, vanaf de dag waarop deze beslissing definitief geworden is, onderwerpt aan de rechtsmacht van de gewone rechter voor de vervolging van feiten die gepleegd zijn na de dag van de dagvaarding tot uithandengeving, doch niet voor feiten die gepleegd zijn voor de dag van de dagvaarding tot uithandengeving?” Conclusie: verwerping. ____________________________________
(1)In zaken van jeugdbescherming is er geen geding hangend tussen de minderjarige en zijn ouders, met als gevolg dat de minderjarige die op tegenspraak is berecht onmiddellijk cassatieberoep kan instellen, ook al is de beslissing bij verstek gewezen ten aanzien van een ouder (zie Cass. 31 maart 2010, AR P.10.0250.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100331.4, AC 2010, nr. 236; Cass. 16 januari 2019, AR P.18.1134.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190116.2, AC 2019, nr. 258, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; F. VAN VOLSEM, “De voor cassatie in strafzaken vatbare beslissingen”, in De cassatieberoepen, 2024, 195).
(2)Zie C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 307-308 en 490; K. VEECKMANS, De doorwerking van het strafrecht in het jeugddelinquentierecht, Boomjuridisch 2023, 211-218.
(3)J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, die Keure 2025, 443-445.
(4)J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, die Keure 2025, 439.
(5)GwH 13 maart 2008, arrest 49/2008, B.31.3, www.const-court.be
(6)Ministeriële Omzendbrief nr. 2/2007, BS 8 maart 2007, punt II.1.c, “De motivering gebeurt in functie van de persoonlijkheid, de omgeving en de maturiteitsgraad van de betrokkene. Het is belangrijk in het achterhoofd te houden dat deze beslissing geen enkele invloed heeft op de schuldvraag of op de grond van de zaak, maar enkel op het niet geschikt zijn van een beschermingsmaatregel ten gevolge van de persoonlijkheid van de minderjarige”. Zie ook GwH 27 juli 2020, arrest 112/2020, B.18, NJW 2020, 878 noot L. LEENKNECHT; J. DECOKER en F. VROMAN, “Het gerechtelijk onderzoek met minderjarige verdachten: het mijnenveld ontruimd”, T. Strafr. 2013, 97; K. VANDERHEIDEN, F. VAN VOLSEM, T. DE WOLF en A. LINERS, Zakboekje strafprocesrecht, Kluwer 2023, 197; J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, die Keure 2021, 435-437. Vb. Cass. 30 januari 2024, AR P.23.1791.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.6.
(7)J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, die Keure, 2025, 435. Over de ernst van de feiten als indicator van de persoonlijkheid van de minderjarige zie ook Antwerpen 11 september 2003, TJK 2004, 322, met kritische opmerkingen van K. HANSON, “Over de uithandengeving (nog maar eens)”, TJK 2005, 55.
(8)J. SMETS, Jeugdbeschermingsrecht, APR 1996, 421; P. DUINSLAEGER, “Het vermoeden van onschuld (deel 2)”, RW 2017-18, 691; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2025, II, 1459; J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, die Keure 2025, 435. Zie ook Cass. 30 januari 2024, AR P.23.1791.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.6.
(9)Cass. 2 november 2011, AR P.11.1648.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111102.1, AC 2011, nr. 589, met concl. van advocaat-generaal R. LOOP op datum in Pas.. Over de toetsing van de voorwaarden aan het moment van de uitspraak, en niet het moment van het jeugddelict, zie Luik 5 november 2018, JLMB 2019, 1161 noot C. DELBROUCK; J. SMETS, Jeugdbeschermingsrecht, APR 1996, 412.
(10)Vb. Cass. 24 oktober 2023, AR P.23.1040.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.8.
(11)Cass. 21 oktober 2025, AR P.24.1390.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.9; Cass. 27 september 2023, AR P.23.0843.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230927.2F.10; Cass. 27 februari 2018, AR P.18.0021.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.7, AC 2018, nr. 131; Cass. 6 februari 2018, AR P.17.0457.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180206.1, AC 2018, nr. 75; Cass. 1 februari 2017, AR P.16.1100.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170201.9, AC 2017, nr. 78; Cass. 18 oktober 2016, AR P.16.0818.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4, AC 2016, nr. 584, met concl. van advocaat-generaal WINANTS, T. Strafr. 2017, noot B. MEGANCK; E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, 123-124; P. HOET, “Saisine appelgerecht- Middel is geen grief”, T. Strafr. 2019, 204-205; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 91-95; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, II, 1959-1960. Over het grievenschrift in jeugdzaken zie alg. F. VROMAN, “Hoger beroep in jeugdzaken na de wet van 5 februari 2019”, TJK 2018, 225-235.
(12)Dit is het geval voor de akte van hoger beroep van het OM in deze zaak (kaft 2).
(13)Cass. 4 februari 2025, AR P.24.1614.N ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.7; Cass. 4 februari 2025, AR P.24.1638.N ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.6; Cass. 25 juni 2024, AR P.23.1511.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.15; Cass. 30 april 2024, AR P.23.0814.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2N.17; Cass. 30 januari 2024, AR P.23.1344.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.2; Cass. 1 december 2020, AR P.19.1024.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.11, AC 2020, nr. 732, met concl. OM; Cass. 23 oktober 2019, AR P.19.0802.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191023.2, AC 2019, nr. 540; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 144-146 en 165-170; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, II, 1965-1975.
(14)Deze grief is ingevuld in vak B.3 onder de hoofding in het grievenformulier ‘Minderjarigen die voor een als misdrijf omschreven feit worden vervolgd” (kaft 2).
(15)Zie Ministeriële Omzendbrief nr. 2/2007, BS 8 maart 2007, punt 5.a. (gevolgen): “Op grond van artikel 58, laatste lid van de wet van 8 april 1965, kan de jeugdrechter de voorlopige tenuitvoerlegging van een beslissing tot uithandengeving bevelen. Deze mogelijkheid beoogt een lamlegging door proceduremiddelen te voorkomen, omwille van de openbare veiligheid of in het belang van het onderzoek”; Cass. 9 september 2009, AR P.09.1358.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090909.1, AC 2009, nr. 487; J. SMETS, Jeugdbeschermingsrecht, APR 1996, 421; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, II, 1459; J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, die Keure 2025, 592.
(16)Over artikel 57bis, § 5 JBW zie R. VERSTRAETEN, S. DE DECKER en T. VAN HOOGENBEMPT, “Jeugd(beschermings)recht en strafrecht: een problematische relatie”, in Het nieuwe jeugdrecht, (ed. J. PUT en M. ROM), Larcier 2007, 145; B. VREYSEN, Over de schreef. Jeugdrecht en de aanpak van probleemjongeren, Standaard, 2008, 237; J. DECOKER en F. VROMAN, “Het gerechtelijk onderzoek met minderjarige verdachten: het mijnenveld ontruimd”, T. Strafr. 2013, 100; K. VANDERHEIDEN, F. VAN VOLSEM, T. DE WOLF en A. LINERS, Zakboekje strafprocesrecht, Kluwer 2023, 198.
(17)J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, die Keure 2025, 445.
(18)Er bestaan geen aanleiding om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen die berust op een foutieve rechtsopvatting, zie vb. Cass. 10 maart 2017, AR C.14.0162.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170310.2, AC 2017, nr. 171, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL; Cass. 24 maart 2015, AR P.14.1964.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150324.5, AC 2015, nr. 218, RO 40; Cass. 6 november 2014, AR C.14.0066.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141106.11, AC 2014, nr. 675. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251209.2N.24 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.24 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090909.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100331.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111102.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141106.11 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150324.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170201.9 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170310.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180206.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190116.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191023.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230927.2F.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.8 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2N.17 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.15 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.7 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div