← België

D. contra Gemeente Anzegem

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: DAGVAARDING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.1323.N I-II J. D., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Nelson Vanlocke, advocaat bij de balie Gent, tegen 1. GEMEENTE ANZEGEM, met kantoor te 8570 Anzegem, Heirbaan 73, ON 0207.484.780, beklaagde, 2. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II laan 20/7, beklaagde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 12 september 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser doet afstand van het cassatieberoep I. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de op 3 december 2025 ter griffie van het Hof ontvangen stukken 1. Volgens artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering kan de eiser na verloop van twee maanden die volgen op de verklaring van cassatieberoep geen stukken meer indienen, met uitzondering van akten van afstand of hervatting van het geding, akten waaruit blijkt dat het cassatieberoep doelloos is geworden en noten bedoeld in artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek. 2. De door de eiser per post aan de griffie van het Hof toegestuurde stukken, die er werden ontvangen op 3 december 2025, dit is buiten de voormelde termijn van twee maanden na de verklaring van het cassatieberoep II van 26 september 2025, zijn niet ontvankelijk. Middel 3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 5 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van de rechtsregels “iura novit curia” en “da mihi factum, dabo tibi ius”: met het oordeel dat het helemaal onduidelijk is welke feiten in de op verzoek van de eiser betekende rechtstreekse dagvaarding ten laste worden gelegd aan de verweerders en dat er sprake is van een duistere vordering, verantwoordt het arrest niet naar recht dat de burgerlijke vordering van de eiser onontvankelijk is; een vordering van een rechtszoekende die niet wordt bijgestaan door een advocaat mag niet zomaar onontvankelijk worden verklaard omdat ze onvoldoende precies zou zijn, aangezien hierdoor het recht op toegang tot de rechter wordt miskend; procedurevoorschriften mogen dan ook niet op een onevenredige wijze worden toegepast, waarbij rekening moet worden gehouden met de positie van de eiser als juridische leek; de rechter dient, gelet op het verbod van rechtsweigering, de werkelijke bedoeling van de partijen na te gaan, waarbij hij de aangevoerde feiten juridisch dient te kwalificeren, ongeacht de juridische kwalificatie die een partij eraan geeft; de eiser had aangevoerd dat de verweerders zich schuldig hadden gemaakt aan machtsafwending, machtsoverschrijding en miskenning van het beginsel van behoorlijk bestuur, alsook van strafrechtelijke inbreuken via de dwangsom en afzetterij, aangezien zij het BPA van 1984 hebben verzwegen en het vonnis van 5 februari 2014 hebben misbruikt, waardoor hij het slachtoffer is van de gemeenrechtelijk beteugelde praktijken van afzetterij, oplichting en bedrog; de vordering is wel degelijk duidelijk, zodat het arrest niet naar recht kon oordelen dat eisers vordering duister en bijgevolg onontvankelijk is; de appelrechters konden zich niet beperken tot de rechtstreekse dagvaarding maar dienen een poging te doen om eisers vordering inhoudelijk te begrijpen of te verduidelijken. 4. Het arrest (p. 10, eerste alinea) oordeelt dat het “niettegenstaande de omstandige uiteenzetting van (de eiser) van allerlei elementen en volgens hem geldende (rechts)beginselen, eveneens onmogelijk (

  1. is)aan de hand van de dossiergegevens uit te maken en te preciseren welke feitelijke gedragingen als fouten, die bij hem zouden hebben geleid tot schade, worden aangevoerd”. Hieruit blijkt dat de appelrechters hebben gepoogd om na te gaan wat de eiser precies heeft bedoeld met de rechtstreekse dagvaarding die hij aan de verweerders heeft laten betekenen, alsook welke strafrechtelijke feiten daarin zouden kunnen zijn aangevoerd, waarbij de appelrechters de onontvankelijkheid van die rechtstreekse dagvaarding niet louter baseren op de bewoordingen waarin ze is opgesteld. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 5. De rechter oordeelt op grond van de omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking en van de stukken waarop deze is gebaseerd en die aan de tegenspraak zijn onderworpen, onaantastbaar wat precies het feit is dat het voorwerp van de in die akte bedoelde telastlegging of telastleggingen uitmaakt, alsook of dit voldoende duidelijk is zodat de beklaagde kan weten waartegen hij zich dient te verweren. 6. Wanneer de rechter op grond van dit oordeel niet kan uitmaken wat precies het voorwerp van de akte van aanhangigmaking uitmaakt, dient hij de strafvordering en de erop gebaseerde burgerlijke vordering onontvankelijk te verklaren. De omstandigheid dat de akte van aanhangigmaking uitgaat van een rechtstreeks dagende burgerlijke partij die niet wordt bijgestaan door een raadsman, doet hieraan geen afbreuk en houdt geen miskenning in van het recht op toegang tot de rechter van die burgerlijke partij. 7. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 8. Het arrest (p. 9-10) oordeelt als volgt: - het is duidelijk dat de eiser met zijn rechtstreekse dagvaarding poogt terug te komen op het strafdossier dat ten grondslag ligt aan zijn eerdere veroordeling, zowel op strafgebied als wat betreft de opgelegde herstelmaatregelen; - die veroordeling is echter definitief. Het hof van beroep heeft hierover geen enkele beslissingsbevoegdheid en saisine. Ook het door de eiser bij herhaling en met nadruk aangehaalde adagium “fraus omnia corrumpit” biedt het hof van beroep geen mogelijkheid de vroegere zaak opnieuw te vatten; - verder is het helemaal onduidelijk welke feiten, die kunnen omschreven worden als misdrijven, de eiser ten laste legt aan de verweerders; - de eiser heeft het over opzettelijke verzwijging van magistraten om via vonnissen burgers gelden afhandig te maken, maar de verweerders zijn geen magistraat; - verder heeft de eiser het erover dat de verweerders “systematisch en intentioneel en met opzet de beroepsmagistraten door het verzwijgen en achterhouden van stukken op het verkeerde been hebben gezet”, waardoor ze volgens hem rechters hebben misleid. Hij heeft het over bedrog; - terecht stelde de eerste rechter dat de verweerders niet kunnen weten op welke concrete feiten en telastleggingen zij zich hebben te verdedigen. De eiser heeft zijn (thans nog enkel burgerlijke) vordering op een gebrekkige wijze feitelijk onderbouwd. Het is het hof van beroep, niettegenstaande de omstandige uiteenzetting van de eiser van allerlei elementen en volgens hem geldende (rechts)beginselen, eveneens onmogelijk aan de hand van de dossiergegevens uit te maken en te preciseren welke feitelijke gedragingen als fouten, die bij hem zouden hebben geleid tot schade, worden aangevoerd. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat er sprake is van een duistere vordering en dat die vordering niet-ontvankelijk is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 9. Voor het overige is het middel afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep I. Verwerpt het cassatieberoep II. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 119,01 euro, waarvan 49,01 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 6 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260106.2N.11 Gerelateerde publicatie(
  2. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001031.7 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110405.8 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211013.2F.15 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.21 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.