← België

M. contra M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 2 - 3 Het verbod op een overdreven formalisme dat wordt afgeleid uit artikel 6.1 EVRM en het daarin gewaarborgde recht van toegang tot de rechter belet niet dat de rechter oordeelt dat een akte waarbij een rechtsmiddel wordt ingesteld niet is aangetast door een verschrijving

(1).
(1)Over het verbod op overdreven formalisme, wat betreft de toepassing van regels over rechtsmiddelen, zie o.a. EHRM 2 februari 2023, Rocchia t. Frankrijk, EHRM 21 september 2021, Willems en Gorjon t/België, EHRM 26 juli 2007, Walchili t/Frankrijk, www.echr.coe.int; Cass. 1 december 2020, AR P.19.1024.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.11, AC 2020, nr.732, met concl. OM; Cass. 11 september 2018 AR P.18.0366.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.7, AC 2018, nr. 461, S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer, 2022, 16; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier, 2024, I, 526-531. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiche 4 De door artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting van het afleggen van een verklaring van hoger beroep en de door artikel 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting een grievenformulier in te dienen, zijn te onderscheiden formaliteiten waarvan de niet-naleving telkens wordt gesanctioneerd met het verval van het hoger beroep; de saisine van het appelgerecht wordt in de eerste plaats bepaald door de verklaring van hoger beroep en vervolgens, binnen de grenzen die blijken uit de verklaring van hoger beroep, door de met het grievenformulier aangevoerde grieven; een appellant kan niet op ontvankelijke wijze grieven aanvoeren die buiten de uit de verklaring van hoger beroep voortvloeiende saisine vallen

(1).
(1)Cass. 4 februari 2025, AR P.24.1638.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.6; Cass. 30 april 2024, AR P.23.0814.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2N.17; Cass. 20 december 2023, AR P.23.0636.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231220.2F.3, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, RDPC 2024, 297; Cass. 6 december 2023, AR P.23.0502.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231206.2F.5, JLMB 2024, 295; Cass. 11 mei 2021, AR P.21.0278.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210511.2N.13; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer, 2022, 132-134; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2025, II, 1965-1973. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 204, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.1388.N K. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Michiel Descheemaeker, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8200 Brugge, Gistelse Steenweg 676, waar de eiser woonplaats kiest, tegen K. M., burgerlijke partij, verweerster, met als raadslieden mr. Dirk Van Damme en mr. Luc Arnou, beiden advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 1 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 797 Gerechtelijk Wetboek: door niet aan te nemen dat de verklaring van hoger beroep een materiële vergissing bevat, past het arrest de vermelde bepaling van het Gerechtelijk Wetboek verkeerd toe en wordt de vermelde grondwetsbepaling geschonden; de inhoud van de verklaring van hoger beroep valt niet te rijmen met die van het grievenformulier en maakt de aanduidingen op het grievenformulier zinledig.
  3. Artikel 149 Grondwet en artikel 797 Gerechtelijk Wetboek zijn vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  4. Het appelgerecht kan een verschrijving in een verklaring van hoger beroep verbeteren wanneer het uit de voorliggende stukken met zekerheid kan afleiden dat de verschrijving louter berust op een materiële vergissing.
  5. Het appelgerecht oordeelt onaantastbaar of een verklaring van hoger beroep is aangetast door een louter materiële vergissing die toelaat de verschrijving in de verklaring te verbeteren.
  6. Uit het enkele feit dat de inhoud van een verklaring van hoger beroep die verwijst naar het grievenformulier niet volledig overeenstemt met de inhoud van het grievenformulier, volgt niet dat het appelgerecht moet aannemen dat de verklaring van hoger beroep een verschrijving bevat.
  7. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  8. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  9. Het arrest oordeelt als volgt: - het hoger beroep van de eiser was volgens de bewoordingen van de akte van hoger beroep gericht tegen alle strafrechtelijke beschikkingen van het vonnis; - de eiser heeft in zijn grievenschrift grieven laten gelden betreffende de schuld, de straf en of maatregel en de burgerlijke rechtsvordering (“de burgerlijke vordering wordt betwist”); - de argumentatie dat de griffier bij het overnemen van de grieven in de beroepsakte een onmiskenbare fout heeft begaan, minstens dat er sprake is van een kennelijke materiële vergissing, kan niet worden gevolgd; - het hoger beroep wordt ingesteld door het afleggen van een verklaring van hoger beroep op de griffie van het rechtscollege dat de beslissing heeft gewezen, vorm die op straffe van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep is voorgeschreven; - de raadsman van de eiser is persoonlijk verschenen ter griffie om de verklaring van hoger beroep af te leggen en heeft die verklaring, die een authentieke akte is, op 13 december 2024 samen met de griffier ondertekend; - met haar handtekening heeft de raadsman van de eiser bevestigd dat de akte overeenstemt met haar verklaring van hoger beroep; - noch de samenlezing van de akte met het door de eiser ingediende grievenformulier noch enig ander door de eiser aangevoerd argument leveren het bewijs op dat de eiser bij akte van 13 december 2024 ook hoger beroep heeft ingesteld op burgerrechtelijk gebied of dat er sprake is van een materiële vergissing in de akte. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de appelsaisine is beperkt tot de beschikkingen van het beroepen vonnis op strafrechtelijk gebied en dit ondanks de aankruising van de grief “burgerlijke rechtsvordering” op het grievenformulier en ondanks het gegeven dat de akte van hoger beroep vermeldt “conform het grievenformulier”. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest geeft aan artikel 797 Gerechtelijk Wetboek een dergelijke stringente interpretatie dat er sprake is van een overdreven formalisme.
  11. Het verbod op een overdreven formalisme dat wordt afgeleid uit artikel 6.1 EVRM en het daarin gewaarborgde recht van toegang tot de rechter belet niet dat de rechter oordeelt dat een akte waarbij een rechtsmiddel wordt ingesteld niet is aangetast door een verschrijving. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  12. Het middel voert schending aan van de artikelen 203, § 1 en 204 Wetboek van Strafvordering: het arrest laat na de appelsaisine te bepalen rekening houdend met de verklaring van hoger beroep in samenlezing met het grievenformulier; het arrest kan uit de verklaring van hoger beroep geen gevolgen afleiden die niet stroken met het grievenformulier.
  13. De door artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting van het afleggen van een verklaring van hoger beroep en de door artikel 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting een grievenformulier in te dienen, zijn te onderscheiden formaliteiten waarvan de niet-naleving telkens wordt gesanctioneerd met het verval van het hoger beroep.
  14. De saisine van het appelgerecht wordt in de eerste plaats bepaald door de verklaring van hoger beroep en vervolgens, binnen de grenzen die blijken uit de verklaring van hoger beroep, door de met het grievenformulier aangevoerde grieven. Een appellant kan niet op ontvankelijke wijze grieven aanvoeren die buiten de uit de verklaring van hoger beroep voortvloeiende saisine vallen.
  15. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 6 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260106.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210511.2N.13 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231017.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231206.2F.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231220.2F.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.