id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 1699
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1699
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: SCHULDVERNIEUWING Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1699
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 5 - 8 De rechter beoordeelt onaantastbaar of het mogelijk is om de prijs die voor de overdracht van de betwiste schuldvordering is betaald, te bepalen door de gemeenschappelijke bedoeling van de contractspartijen na te gaan; de rechter mag zich daarbij niet in de plaats van de partijen te stellen en hij mag de prijs van de schuldvordering niet zelf naar billijkheid bepalen; de rechter kan de tussen de partijen overeengekomen prijs bepalen aan de hand van alle hem regelmatig voorgelegde en aan tegenspraak onderworpen gegevens: aldus kan hij oordelen dat de prijs die tussen de contractspartijen werkelijk is betaald voor de overdracht van de schuldvordering bestaat in een bedrag dat de overnemer van de schuldvordering in plaats van de overdrager van die schuldvordering heeft betaald aan de vorige overdrager van de schuldvordering; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. Thesaurus CAS: VERBINTENIS BURGERLIJKE RECHTSVORDERING SCHULDVERNIEUWING ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Tekst van de beslissing Nr. P.25.1384.N SVI.EU s.r.o., vennootschap naar Tsjechisch recht, met zetel te 38601 Strakonice CZ 251 62 551 (Tsjechië), V Lipkach 98, die woonplaats kiest te 3900 Overpelt, Oude Markt 18/1, burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Ysbert Drees, advocaat bij de balie Limburg, tegen
- R. L.,
- A. T., met als raadslieden mr. Vincent Vercauteren en mr. Christophe Dillen, advocaten bij de balie Antwerpen,
- L. E.,
- S. E.,
- M. V.,
- J. Z.,
- L. V.B., C, geboren op 29 januari 1956, nationaliteit: Nederland, RRN 56.41.29-133.72,
- N. B., beklaagden, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 8 september 2025, op verwijzing gewezen ingevolge arrest van het Hof van 24 januari
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser doet zonder berusting afstand van zijn cassatieberoep tegen de verweerders 3, 4, 5, 6, 7 en 8 omdat het arrest tegen die verweerders bij verstek is gewezen en het cassatieberoep is ingesteld vóór het verstrijken van de termijn van verzet. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 23 “e.v.” Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: door te oordelen dat in het tussenarrest van 12 september 2022 reeds werd geoordeeld dat de verweerders toepassing konden maken van artikel 1699 oud Burgerlijk Wetboek, terwijl het tussenarrest louter akte neemt van het aanbod tot naasting van de verweerders 1 en 2 en bijkomende stukken opvraagt alvorens verder ten gronde te oordelen, zonder te oordelen dat voldaan is aan alle toepassingsvoorwaarden van artikel 1699 oud Burgerlijk Wetboek, in het bijzonder de betaling van de geldsom, verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht; het tussenarrest oordeelt immers niet definitief dat toepassing kan worden gemaakt van artikel 1699 oud Burgerlijk Wetboek.
- Artikel 23 Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op zaken die worden behandeld volgens de procedure in strafzaken, wat het geval is bij de behandeling van de burgerlijke vordering door de strafrechter. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 23 “e.v.” Gerechtelijk Wetboek, zonder de als geschonden aangevoerde wetsbepalingen nader te preciseren, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Op grond van artikel 1699 oud Burgerlijk Wetboek kan degene tegen wie een betwist recht is overgedragen, zich daarvan door de overnemer doen bevrijden, mits hij hem de werkelijke prijs van de overdracht en de wettig gemaakte kosten vergoedt, samen met de interest te rekenen van de dag waarop de overnemer de prijs voor de hem gedane overdracht heeft betaald.
- Opdat de rechter een aanbod tot naasting van een schuldenaar kan inwilligen, moet hij de werkelijke prijs die de schuldeiser heeft betaald voor de overdracht van de schuldvordering die hij lastens die schuldenaar aanvoert, kennen of kunnen bepalen.
- De appelrechters hebben bij tussenarrest van 12 september 2022: - geoordeeld dat de eiseres titularis is van de rechtsvordering gericht tegen de verweerders, die zij als rechtsopvolger heeft overgenomen van S.V., die op zijn beurt de rechtsopvolger is van het faillissement P.V. nv, dit is de oorspronkelijke titularis van de rechtsvordering; - geoordeeld dat de verweerders 1 en 2 gerechtigd zijn om tot naasting over te gaan nu de overdracht van het betwiste recht heeft plaatsgehad nadat door de curator van het faillissement P.V. nv een geding over de burgerlijke vordering aanhangig was gemaakt en vooraleer het geding is beëindigd; - akte genomen van het aanbod tot naasting van de verweerders 1 en 2 om zich te bevrijden van de door de eiseres van S.V. overgenomen betwiste rechtsvordering door de betaling van de overnameprijs, kosten en interest; - vooraleer verder ten gronde te oordelen, de eiseres uitgenodigd om stukken neer te leggen waaruit de overdracht van de schuldvordering van S.V. aan de eiseres en het bewijs van de betaling van de overeengekomen prijs blijkt; - het debat heropend. Aldus hebben de appelrechters in het tussenarrest geoordeeld dat weliswaar is voldaan aan een aantal vereisten voor de toepassing van artikel 1699 oud Burgerlijk Wetboek, maar dat het bijbrengen van bepaalde stukken door de eiseres en een heropening van het debat vereist waren om uit te maken of aan alle voorwaarden voor de toepassing van dat artikel is voldaan.
- Het arrest willigt de door de verweerders 1 en 2 aangeboden naasting in omdat de appelrechters uit de na het tussenarrest bijgebrachte stukken afleiden dat aan alle vereisten voor de toepassing van artikel 1699 oud Burgerlijk Wetboek is voldaan, met inbegrip van de mogelijkheid om de overeengekomen prijs te bepalen die de eiseres aan S.V. heeft betaald om haar de schuldvordering op de verweerders over te dragen. Aldus miskent het arrest noch het gezag van gewijsde van het tussenarrest, noch geeft het van het tussenarrest een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 1699 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat er sprake is van de betaling van een prijs voor de overdracht van de schuldvordering tussen S.V. en de eiseres op grond van de vaststelling dat de eiseres aan de curator van het faillissement P.V. nv een deel heeft betaald van de overnameprijs die S.V. aan de curator heeft betaald, terwijl deze betaling niet heeft plaatsgevonden voor de overdracht van de schuldvordering tussen S.V en de eiseres; het arrest oordeelt eveneens ten onrechte dat er vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet zijn verschuldigd vanaf 16 september 2022, terwijl het verwijst naar een betaling die heeft plaatsgevonden tussen 16 september 2013 en 27 december
- Naasting als bedoeld in artikel 1699 oud Burgerlijk Wetboek vereist dat de werkelijke prijs van de overgedragen schuldvordering door de bij die overdracht betrokken partijen is gekend of redelijkerwijze kan worden bepaald.
- De rechter beoordeelt onaantastbaar of het mogelijk is om de prijs die voor de overdracht van de betwiste schuldvordering is betaald, te bepalen door de gemeenschappelijke bedoeling van de contractspartijen na te gaan. De rechter mag zich daarbij niet in de plaats van de partijen te stellen en hij mag de prijs van de schuldvordering niet zelf naar billijkheid bepalen.
- De rechter kan de tussen de partijen overeengekomen prijs bepalen aan de hand van alle hem regelmatig voorgelegde en aan tegenspraak onderworpen gegevens. Aldus kan hij oordelen dat de prijs die tussen de contractspartijen werkelijk is betaald voor de overdracht van de schuldvordering bestaat in een bedrag dat de overnemer van de schuldvordering in plaats van de overdrager van die schuldvordering heeft betaald aan de vorige overdrager van de schuldvordering.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt op grond van de feiten die het vaststelt, in het bijzonder na het onderzoek van de door de eiseres bijgebrachte stukken, vergeleken met haar verweer, dat: - er geen enkel bewijs wordt bijgebracht van de bewering dat, als tegenprestatie voor de overdracht van de schuldvordering, het aandelenpakket van S.V. in de eiseres zou worden of kunnen worden verhoogd, waarbij bovendien uit het aandelenregister blijkt dat S.V. geen aandeelhouder is in de eiseres; - de beweerde tegenprestatie, namelijk een verhoging van het aandelenpakket van S.V., niet werd uitgevoerd, ook niet door een verhoging van het aandelenpakket van Verbo bv, waarvan S.V. wel aandeelhouder is; - het vaststaat dat de eiseres in de plaats van S.V. 12.500,00 euro rechtstreeks heeft betaald aan de curator van het faillissement P.V. nv voor de overdracht van de schuldvordering door de curator aan S.V. en dat deze som tot op vandaag door S.V. niet werd betaald aan de eiseres, maar S.V. wel de van de curator overgenomen schuldvordering aan de eiseres heeft overgedragen; - de eiseres die haar rechtstreekse betaling van 12.500,00 euro aan de curator steunt op een aan S.V. toegekende lening, de beweerde lening niet bewijst aan de hand van een geschreven en gebeurlijk geregistreerd geschrift; - er geen sprake is van enige terugbetaling van dit bedrag door S.V. sedert 2013; - de bewering dat de tegenprestatie voor de overdracht van het beweerde betwiste recht van S.V. (ondertussen persoonlijk failliet) naar de eiseres erin bestond het aandelenpakket van S.V. te verhogen, evenmin wordt bewezen aan de hand van enig tegensprekelijk stuk en bovendien niet verzoenbaar is met het gegeven dat S.V. geen aandeelhouder blijkt te zijn in de eiseres; - uit al die elementen, in hun onderling verband genomen, blijkt dat enerzijds niet bewezen is, noch aannemelijk wordt gemaakt dat de tegenprestatie voor de overdracht van de schuldvordering zou bestaan in de (toekomstige) verhoging van het aandelenpakket van de overlater en anderzijds dat er met zekerheid door de eiseres 12.500,00 euro werd betaald aan S.V. (waarbij niet bewezen is dat deze betaling kadert in een lening, noch dat dit een provisioneel bedrag zou zijn) en er dus sprake is van de betaling van een prijs; - aan de laatste voorwaarde voor de toepassing van het artikel 1699 oud Burgerlijk Wetboek bijgevolg is voldaan; - de eiseres geen wettig gemaakte kosten aantoont, maar er wel intresten worden toegekend vanaf het ogenblik van de betaling van de som van 12.500,00 euro rechtstreeks aan de curator.
- Op grond van die redenen kan het arrest de werkelijke prijs die de eiseres met S.V. is overeengekomen voor de overdracht van de schuldvordering door S.V. aan haarzelf, wettig bepalen op het deelbedrag van 12.500,00 euro, dat de eiseres aan de curator van het faillissement P.V. nv heeft betaald als onderdeel van het totale bedrag van 22.500,00 euro, dat S.V. aan de curator heeft betaald voor de overdracht van de schuldvordering door de curator aan hemzelf. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel het arrest verwijt de op de hoofdsom van 12.500,00 euro verschuldigde vergoedende interesten niet te laten aanvangen vanaf een datum tussen 16 september 2013 en 27 december 2013, maar pas vanaf 16 september 2022, dit is een datum waarop de overdracht van de schuldvordering in elk geval reeds had plaatsgevonden en het geding over die schuldvordering reeds hangende was tussen de partijen, komt het op tegen een beslissing die de eiseres niet kan grieven. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 8.1, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en artikel 1347 oud Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: door te oordelen dat er geen geschrift of begin van geschrift bestaat met betrekking tot de inhoud en de voorwaarden van de overdracht van het betwiste recht door S.V. aan de eiseres, terwijl in het kader van de appelprocedure wel degelijk een eigenlijk geschrift werd bijgebracht, verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht; door te oordelen dat er geen geschrift of begin van geschrift bestaat waaruit blijkt dat de gelden die aan de curator werden betaald als een lening werden opgenomen ten aanzien van S.V., terwijl in het kader van de appelprocedure wel degelijk een eigenlijk geschrift werd bijgebracht, namelijk de boekhouding, verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht.
- Het arrest oordeelt niet dat de eiseres bepaalde geschriften tot staving van haar verweer niet bijbrengt, maar wel dat de bijgebrachte geschriften niet het bewijs opleveren van de bewering van de eiseres dat de overdracht van de schuldvordering op de verweerders door S.V. aan de eiseres een tegenprestatie uitmaakt voor een verhoging van het aandelenpakket van S.V. in de eiseres. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd door te oordelen dat er geen (geregistreerde) schriftelijke overeenkomst, geen geschrift of begin van geschrift met de inhoud en de voorwaarden van de overdracht van het betwiste recht door S.V. aan de eiseres bestaat, om vervolgens te concluderen dat als bewijs van de modaliteit louter een eenzijdige verklaring van de zaakvoerder werd neergelegd; het arrest is eveneens tegenstrijdig gemotiveerd door te oordelen dat de eiseres 12.500,00 euro rechtstreeks heeft betaald aan de curator, om vervolgens te concluderen dat de eiseres 12.500,00 euro heeft betaald aan S.V.; het arrest is tevens tegenstrijdig gemotiveerd door te oordelen dat er voor wat betreft de lening tussen de eiseres en S.V. geen enkel geschreven bewijs noch een begin van bewijs voorligt, om vervolgens te stellen dat in de boekhouding van de eiseres de aan de curator betaalde bedragen zijn opgenomen als een lening aan S.V.; door te oordelen dat de eiseres geen wettig gemaakte kosten aantoont, terwijl in de appelconclusies van de eiseres een argumentatie wordt ontwikkeld omtrent de kosten, beantwoordt het arrest het verweer van de eiseres niet.
- De redenen van het arrest die het middel als tegenstrijdig aanmerkt, sluiten elkaar niet uit en heffen elkaar dus niet op. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- De appelrechters oordelen in het tussenarrest van 12 september 2022 (p. 12, nr. 7.c) als volgt: “De burgerlijke partijen [de eiseres] en bv Trans Emgeco, in vereffening, vorderen samen [de verweerders] hoofdelijk, solidair, minstens de ene bij gebreke van de andere te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten aan hen beiden samen, begroot op 77.394,31 euro. Het betreft de som van de kosten van beslagprocedures tegen [de verweerders 1 en 2] enerzijds en driemaal een maximale rechtsplegingsvergoeding van 24.000 euro (voor volgende procedures: eerste aanleg, hoger beroep bij het hof van beroep Antwerpen, procedure na cassatie voor dit hof (van beroep))”. Zij oordelen in dat tussenarrest (p. 20) verder, voor wat betreft de burgerlijke vordering van Trans Emgeco bv in vereffening, dat het aan de appelrechters niet toekomt uitspraak te doen over de door de burgerlijke partijen gemaakte kosten voor onroerend beslag en het houdt de beoordeling van de kosten en de rechtsplegingsvergoeding aan. Het arrest (p. 12) oordeelt dat de eiseres geen wettig gemaakte kosten aantoont en het veroordeelt de verweerders in solidum tot het betalen aan de eiseres van rechtsplegingsvergoedingen in eerste aanleg en in hoger beroep.
- Met die redenen verwerpt en beantwoordt het arrest het verweer van de eiseres voor wat betreft de door haar gemaakte kosten bedoeld in artikel 1699 oud Burgerlijk Wetboek. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel voor het overige niet preciseert welk verweer van de eiseres over de vermelde kosten het arrest niet beantwoordt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 9,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 6 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260106.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040921.17 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221102.2F.14 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231130.1N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div