id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260106.2N.3 Rolnummer: P.25.1350.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-01-09 Raadplegingen: 625 - laatst gezien 2026-06-18 06:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of de persoon aan wie een bevel tot betalen is gegeven een verzoekschrift in de zin van artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet heeft ingediend en of dit verzoekschrift de redenen voor dat beroep bevat; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 65 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1, § 2 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1, § 2 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1, § 2 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1350.N N. B., persoon tegen wie een bevel tot betaling werd uitgevaardigd, eiseres, met als raadsman mr. Victor Petitat, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 19 september
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 65/1, § 2, tweede lid, 4°, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het beroep van de eiseres gemotiveerd en dus ontvankelijk is; de eiseres heeft enkel een vraag om uitleg geformuleerd; dat is geen reden voor een beroep; daaruit blijkt niet dat de eiseres enig rechtsmiddel heeft aangewend tegen het bevel tot betaling.
- Artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet regelt de mogelijkheid van het aantekenen van het beroep tegen een bevel tot betalen en de modaliteit van dit beroep. Artikel 65/1, § 2, tweede lid, 4°, Wegverkeerswet bepaalt dat op straffe van nietigheid het verzoekschrift tot beroep tegen een bevel tot betalen de redenen van het beroep moet vermelden.
- Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of de persoon aan wie een bevel tot betalen is gegeven een verzoekschrift in de zin van artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet heeft ingediend en of dit verzoekschrift de redenen voor dat beroep bevat.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
- Het verzoekschrift bevat de volgende inhoud: “Beste, ik heb de boete betaald op 10/07, dus ik begrijp niet zo heel goed waarom er nog een rappel is gestuurd geweest en de boete nu zoveel duur is geworden. Dank alvast voor de uitleg. Vriendelijke groeten (…)”.
- Het bestreden vonnis oordeelt betreffende de aanvoering van de eiseres dat het bevel tot betalen nietig is omdat zij louter een vraag om uitleg heeft verstuurd en uit het verzoekschrift niet kan worden afgeleid dat zij effectief een beroep wenste aan te tekenen, als volgt: - de eiseres heeft verschillende kansen gehad om over te gaan tot betaling van het hoofdbedrag. Zij gaf geen gevolg aan de bevelen tot betalen van 22 april 2024 en 22 mei 2024 en is pas overgegaan tot betaling van een bedrag van 63,10 euro na het bevel tot betalen van 21 juni 2024, waarbij zij de toen aangerekende verhoging geheel heeft genegeerd; - deze verhogingen stonden niettemin duidelijk vermeld op de door haar ontvangen brieven; - daarnaast bevat een bevel tot betalen een duidelijke uitleg over de aanrekening van bepaalde verhogingen: zo staat in het bevel tot betalen van 21 juni 2024, waarin de eerste verhoging werd toegepast, letterlijk het volgende te lezen: “U hebt een boete en een aanmaning gekregen van de politie die u tot op heden nog niet betaalde. Daarom verhoogt het openbaar ministerie de boete en krijgt u een minnelijke schikking”, alsook “U hebt daarvoor een boete gekregen die u nog niet betaalde. We vroegen u al meerdere keren om te betalen. Daarom geeft de procureur des Konings u een bevel tot betalen en dus een hogere boete van 118,02 euro. U kunt de boete in zijn geheel betalen of beroep aantekenen als u niet akkoord bent.”; - meer zelfs, er werd op de verschillende documenten, die aan de eiseres werden overgemaakt, duidelijk uitleg gegeven over het aantekenen van een beroep, met vermelding van verschillende waarschuwingen: “OPGELET: beroep aantekenen betekent voor de rechtbank verschijnen waarbij er eventueel gerechtskosten worden aangerekend. Elke communicatie of vraag betreffende het dossier aan de rechtbank op welke manier ook, zal als beroep behandeld worden en komt voor de rechter.”; - bij het indienen van het verzoekschrift moet de indiener lezen en aanvaarden dat er extra gerechtskosten kunnen bijkomen bij het starten van de procedure, wat de eiseres ook heeft aanvaard op 6 september 2024 om 10.27 u; - uit dit alles blijkt dat de eiseres wist, of minstens had moeten weten, waarom er toeslagen werden aangerekend en wat de gevolgen waren van het indienen van het formulier; - uit de motivering van de eiseres op het verzoekschrift blijkt dat er wel degelijk een reden van hoger beroep werd opgenomen, daar zij het aanrekenen van de verhogingen in vraag stelde, die nochtans een loutere toepassing van de wet zijn en die duidelijk opgenomen zijn in het bevel tot betalen; - de eiseres haalde zelf in haar besluiten aan dat een reden van beroep kan bestaan uit het niet eens zijn met de toepassing van de wet in de zaak, wat zij in casu heeft opgenomen in het haar ingediende verzoekschrift. Op grond van die redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat de eiseres beroep wilde instellen tegen het bevel tot betalen en dat dit verzoekschrift de redenen van het beroep vermeldde. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat uit de motivering van het verzoekschrift van de eiseres blijkt dat er een reden van hoger beroep is vermeld, daar zij de aanrekeningen van de verhoging in vraag stelde die nochtans een loutere toepassing zijn van de wet en wel duidelijk zijn opgenomen in het bevel tot betalen, alsook dat een reden voor het hoger beroep kan bestaan in het niet eens zijn met de toepassing van de wet, miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van het verzoekschrift; uit dat verzoekschrift kan niet worden afgeleid dat de eiseres een verhoging an sich in vraag stelde of dat zij het niet eens was met de toepassing van de wet in deze zaak; de eiseres wenste louter een vraag te stellen.
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden indien hij het geschrift doet liegen. Indien de rechter uit een geschrift louter een gevolg afleidt, is er geen miskenning van de bewijskracht van de akte.
- Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel geef het bestreden vonnis van het verzoekschrift geen uitlegging, maar leidt het er enkel een gevolg uit af. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 6 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260106.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div