← België

I.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1322.N N. I., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gust Detienne, advocaat bij de balie Leuven, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 20, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 18 september

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het bestreden vonnis verklaart eisers hoger beroep ontvankelijk. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel Tweede onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de motiveringsplicht van de rechter, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het bestreden vonnis beantwoordt niet afdoende het in de appelconclusie van de eiser ontwikkelde redelijketermijnverweer; niettegenstaande de eiser daarbij heeft verwezen naar feitelijke gegevens eigen aan de zaak, naar het gebrek aan complexiteit van de zaak, naar de houding van de gerechtelijke overheden en naar de totale duurtijd van de strafprocedure, oordeelt het bestreden vonnis enkel dat de zaak werd behandeld binnen het jaar na het aantekenen van het hoger beroep, dat die periode geenszins overdreven is en dat de redelijke termijn bijgevolg niet is overschreden.
  4. De eiser heeft in zijn appelconclusie een uitgebreid redelijketermijnverweer gevoerd, zowel betreffende het aanvangs- als het eindpunt voor de berekening van die termijn, als betreffende de in aanmerking te nemen criteria, waaronder het gedrag van de eiser die niet voor de onredelijk lange duur verantwoordelijk kon worden gesteld, het eenvoudig karakter van de zaak en de totale duurtijd vanaf de eerste verontrusting tot de definitieve beslissing.
  5. Het bestreden vonnis (p. 5, randnr. 3.4, eerste alinea) verwerpt het redelijketermijnverweer van de eiser enkel met de redenen dat de feiten plaatsgrepen in december 2023, dat de zaak werd behandeld binnen het jaar na het aantekenen van hoger beroep en dat die periode geenszins overdreven is. Met die enkele redenen beantwoordt het bestreden vonnis het in de appelconclusie ontwikkelde redelijktermijnverweer niet. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeft geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over het redelijketermijnverweer van de eiser, de aan de eiser opgelegde bestraffing en zijn veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een derde van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 187,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 6 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260106.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230920.2F.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.