← België

CARLINO nv contra BELGISCHE STAAT WERK ECONOMIE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260112.3N.10 Rolnummer: C.24.0492.N Zaak: CARLINO nv contra BELGISCHE STAAT WERK ECONOMIE Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-28 Raadplegingen: 495 - laatst gezien 2026-06-18 20:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 De rechter op verwijzing heeft slechts rechtsmacht binnen de grenzen van de vernietiging en de verwijzing; hoewel de omvang van de vernietiging in de regel beperkt is tot de draagwijdte van het middel dat ten grondslag ligt aan de vernietiging, raakt de vernietiging van het dictum evenwel het gehele dictum, ongeacht de reden voor die vernietiging; de rechter op verwijzing mag zich dus niet beperken tot het herstellen van de fout van de rechter wiens beslissing is vernietigd, maar moet in diens plaats een volledige beslissing nemen in de mate waarin de zaak bij hem aanhangig is

(1).
(1)Voor een andere toepassing van deze regel zie het arrest van dezelfde datum AR C.24.0309.N ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260112.3N.8. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Burgerlijke zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1110, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1110, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 4 Bij de beoordeling of een natuurverschijnsel als landbouwramp kan worden erkend, moet het uitzonderlijke karakter van dit natuurverschijnsel zelf worden beoordeeld, onafhankelijk van de specifieke kenmerken van een welbepaalde teelt of oogst; het natuurverschijnsel dient op zichzelf en in zijn geheel te worden onderzocht, zonder dat dit onderzoek mag worden beperkt tot de groeiperiode van een welbepaalde teelt. Thesaurus CAS: NATUURRAMP Wettelijke bepalingen: Wet 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen - 12-07-1976 - Art. 2, § 1, 2° - 30 ELI link Pub nr 1976071205 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0492.N 1. CARLINO nv, met zetel te 8710 Wielsbeke, Hooiemeersstraat 6, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0457.210.983, 2. CARLIER bv, met zetel te 9870 Zulte, Begonialaan 28 bus B, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0452.517.371, 3. T.C., 4. P.G., 5. B.G., 6. VLASBEDRIJF VERHALLE nv, met zetel te 9870 Zulte, Warandestraat 39 bus B, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0428.335.370, 7. P.V., 8. TEILLAGE MARCHANDISSE & FILS bv, met zetel te 4530 Villers-le-Bouillet, rue Docteur Emile Neuville 1 B, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0866.298.486, 9. DEVALIN nv, met zetel te 8560 Wevelgem (Moorsele), Noordstraat 16, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0453.961.879, 10. V.D.+Y., 11. LINARIA bv, met zetel te 8770 Ingelmunster, Krekelstraat 17, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0415.149.805, 12. DEVANTA bv, met zetel te 8790 Waregem, Waterstraat 125, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0457.040.937, eisers, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk, Economie en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing, met kabinet te 1000 Brussel, Karmelietenstraat 15, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0314.595.348, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 13 juni 2024, op verwijzing gewezen na arrest van het Hof van 16 juni 2022. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 27 oktober 2025 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 1110, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek verwijst het Hof van Cassatie in geval van vernietiging, indien daartoe aanleiding bestaat, de zaak, hetzij naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing gewezen heeft, hetzij naar hetzelfde gerecht, anders samengesteld. De rechter op verwijzing heeft slechts rechtsmacht binnen de grenzen van de vernietiging en de verwijzing. Hoewel de omvang van de vernietiging in de regel beperkt is tot de draagwijdte van het middel dat ten grondslag ligt aan de vernietiging, raakt de vernietiging van het dictum evenwel het gehele dictum, ongeacht de reden voor die vernietiging. De rechter op verwijzing mag zich dus niet beperken tot het herstellen van de fout van de rechter wiens beslissing is vernietigd, maar moet in diens plaats een volledige beslissing nemen in de mate waarin de zaak bij hem aanhangig is. 2. Bij arrest van 28 juni 2021 heeft het hof van beroep te Brussel de vordering van de eisers die ertoe strekte de beslissingen van de verweerder van 8 september 2011 en mei 2012 tot weigering van de erkenning van de droogte van juni 2010 als landbouwramp buiten toepassing te laten op grond van artikel 159 Grondwet en de verweerder te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding op grond van artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek, gegrond verklaard. Het hof van beroep overwoog daartoe onder meer dat: - om als landbouwramp te worden erkend in de zin van artikel 2, § 1, 2°, van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen, het meteorologisch verschijnsel een uitzonderlijk karakter moet vertonen en tegelijkertijd moet beantwoorden aan de volgende drie criteria, vastgesteld door de ministerraad: (
  1. a)het verschijnsel komt niet meer dan eens in de 20 jaar voor, (
  2. b)het totale schadebedrag ligt hoger dan 1,24 miljoen euro en (
  3. c)het schadebedrag per dossier ligt hoger dan 5.580 euro; - krachtens artikel 2, 8°, Verordening (EG) nr. 1857/2006 meteorologische verschijnselen worden gelijkgesteld met een natuurramp voor zover zij meer dan 30 pct. van de jaarlijkse productie vernietigen; - uit het verslag van het KMI van 11 juli 2011 en van Inagro van 18 juli 2011 blijkt dat zich in de maand juni 2010 in Haspengouw en het Land van Herve een uitzonderlijke droogte heeft voorgedaan die maar na meer dan 30 jaar eens voorkomt; - de verweerder dit erkent in zijn beslissing van 8 september 2011, maar toch beslist dat er geen reden tot herziening bestaat van de eerder genomen beslissing van 7 maart 2011, waarin de erkenning van de droogte van juni 2010 als landbouwramp werd geweigerd, omdat in het verslag van het KMI van 11 juli 2011 een andere analysemethode werd gebruikt die niet vergelijkbaar is en die dus tot andere conclusies heeft geleid; - deze motivering van de verweerder niet overeenstemt met de werkelijkheid; - uit de stukken van het dossier blijkt dat de jaarlijkse vlasproductie meer dan 30 pct. lager was dan gewoonlijk, zodat ook de bijkomende voorwaarde, voortvloeiende uit artikel 2, 8°, Verordening (EG) nr. 1857/2006 verwezenlijkt is; - de verweerder in het licht van al deze gegevens in de beslissing van 8 september 2011 niet afdoende heeft gemotiveerd op grond waarvan de droogte in de maand juni 2010 niet kon worden aangezien als een landbouwramp in de zin van artikel 2, § 1, 2°, van de wet van 12 juli 1976, terwijl alle concrete gegevens in deze zaak duidelijk aantonen dat alle voorwaarden hiertoe verwezenlijkt waren; - uit het bovenstaande volgt dat de beslissingen van 8 september 2011 en mei 2012 een onrechtmatige daad uitmaken en dat bij een in feite correct gemotiveerde beslissing de eisers in beginsel een vergoeding van de geleden schade zouden hebben ontvangen met toepassing van de wet van 12 juli 1976; - een gerechtsdeskundige wordt aangesteld om de door elk van de eisers geleden reële schade te bepalen. 3. Het Hof heeft bij arrest van 16 juni 2022 het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 juni 2021 vernietigd wegens schending van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek en 2, § 1, 2°, van de wet van 12 juli 1976, omdat de appelrechters oordeelden dat alle concrete gegevens in deze zaak duidelijk aantonen dat alle voorwaarden verwezenlijkt waren voor de erkenning van de droogte van juni 2010 als ramp in de zin van de wet van 12 juli 1976 en dat de eisers bij een in feite correct gemotiveerde beslissing in beginsel een vergoeding van de geleden schade zouden hebben ontvangen, zonder vast te stellen dat de droogte van juni 2010 in Haspengouw en het Land van Herve had geleid tot een totaal schadebedrag hoger dan 1,24 miljoen euro en dus zonder die voorwaarde te onderzoeken. 4. Op verwijzing na het arrest van het Hof van 16 juni 2022 oordelen de appelrechters in verband met hun rechtsmacht na cassatie dat zij opnieuw dienen te oordelen over alle discussiepunten, aangezien het Hof het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 juni 2021 heeft vernietigd op grond van het vijfde onderdeel van het middel, zonder uitspraak te doen over de andere onderdelen, zodat het arrest integraal werd vernietigd. Vervolgens oordelen zij, anders dan het hof van beroep te Brussel in het vernietigde arrest van 28 juni 2021, dat de eerste voorwaarde tot erkenning van een natuurverschijnsel als landbouwramp niet is vervuld, namelijk dat de droogte van juni 2010 niet meer dan eens in de 20 jaar voorkomt, zodat niet is bewezen dat de verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld of tekort is gekomen aan zijn motiveringsplicht door te weigeren om die droogte als landbouwramp te erkennen. Op die grond wijzen zij de vordering van de eisers af als ongegrond. 5. Door te oordelen dat het arrest van het Hof van 16 juni 2022 de volledige vernietiging tot gevolg heeft van de beslissing tot gegrondverklaring van de vordering van de eisers tot het buiten toepassing laten van de beslissingen van de verweerder van 8 september 2011 en mei 2012 en tot de veroordeling van de verweerder tot betaling van een schadevergoeding, maken de appelrechters een juiste toepassing van de regels in verband met de omvang van de cassatie en schenden zij noch artikel 19, tweede lid, noch artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 6. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 26, 28, 1042, 1082, eerste lid, en 1095 Gerechtelijk Wetboek, is het afgeleid en derhalve niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 7. In hun “synthesebesluiten na cassatie” hebben de eisers aangevoerd onder punt C. “Wat moet er nog berecht worden na de gecasseerde beslissing van het hof van beroep te Brussel dd. 28.06.2021” dat het hof van beroep moet nagaan of aan de voorwaarde is voldaan dat de schade meer dan 1,24 miljoen euro moet bedragen en of de twee beslissingen van 8 september 2011 en van mei 2012 aldus een onrechtmatige daad van de verweerder uitmaken, doordat geen schadevergoeding onder het rampenfonds werd toegekend terwijl de wet van 12 juli 1976 toepassing vond. Zij vorderden in het beschikkend gedeelte te zeggen voor recht dat de beslissingen van 8 september 2011 en mei 2012, waarin de droogte van juni 2010 niet werd erkend als landbouwramp in de zin van artikel 2, § 1, 2°, van de wet van 12 juli 1976, onwettig zijn en buiten toepassing moeten worden gelaten op grond van artikel 159 Grondwet. 8. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, blijkt noch uit het beschikkend gedeelte noch uit de motieven van de conclusie na cassatie van de eisers dat zij ook de afzonderlijke onwettigverklaring van de eerdere beslissing van de verweerder van 7 maart 2011 hebben gevorderd. Het onderdeel berust geheel op een onjuiste lezing van de conclusie na cassatie van de eisers en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel 9. De eisers hebben in hun conclusie na cassatie aangevoerd dat de terugkeerfrequentie van de aangevoerde droogte moet worden bepaald op basis van een analyse van de neerslag tijdens de maand juni, gelet op de specifieke kenmerken van de vlasteelt, die haar groeiperiode in de maand juni heeft en waarbij voldoende neerslag in de groeiperiode wezenlijk is voor een geslaagde vlasoogst. 10. De appelrechters oordelen dat: - om te bepalen in hoeverre de neerslag uitzonderlijk te noemen is, het KMI voor de jaren 1971 tot 2000 per station de kleinste hoeveelheid neerslag heeft genoteerd die over een periode van 29 dagen werd gemeten tussen 1 juni en 31 juli, dat wil zeggen over 29 glijdende dagen tussen deze twee data; - deze methode met glijdende data, zonder zich vast te leggen op de begin- of einddatum, steeds wordt gebruikt in het kader van landbouwrampen om na te gaan of er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden; - uit dit onderzoek bleek dat het hele land tussen 15 juni en 13 juli 2010, dit is een periode van 29 opeenvolgende dagen, werd getroffen door een relatief lange en intense droogteperiode; - het KMI het advies heeft verleend dat de droge en warme periode van 15 juni tot 13 juli 2010 niet uitzonderlijk was voor het klimaat van onze streken, noch wat de hoeveelheid neerslag noch wat de temperaturen betreft; - de eisers stellen dat niet de periode van 15 juni tot 13 juli in aanmerking mag worden genomen, maar enkel de periode van 1 tot 30 juni; - zij hiervoor verwijzen naar een verslag van het KMI van 11 juli 2011, waarin op een globale manier de 30 dagen van de maand juni 2010 werden onderzocht en waaruit is gebleken dat zich in die periode in Haspengouw en het Land van Herve een droogte heeft voorgedaan met een terugkeerperiode van meer dan 30 jaar; - dit evenwel een verslag met analyse van gegevens betreft, zonder dat advies werd gegeven over de vraag of er sprake is van een landbouwramp volgens de traditionele en gebruikelijke werkwijze van het KMI; - het KMI in haar nota van 31 mei 2013 terecht heeft geduid dat het vanuit klimatologisch oogpunt niet relevant is om in de analyse van gegevens uit het verleden alleen de neerslag mee te nemen die elke zomer tussen 1971 en 2000 precies viel tijdens de 29 dagen tussen 15 juni en 13 juli of tijdens de 30 dagen tussen 1 juni en 30 juni; - de variabiliteit van jaar tot jaar van de kalenderdata waarop er in juni en juli geen of heel weinig neerslag valt, in feite immers zeer groot is; - de precieze begin- en einddatum van de droogteperiode in 2010 dus niet signi-ficant zijn, maar de relevante klimatologische vraag is in hoeverre een droogteperiode van deze lengte en intensiteit “normaal” is in deze tijd van het jaar, dit is in dit geval tijdens de zomer, het warmste seizoen van het jaar. 11. Met deze redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede en derde onderdeel samen 12. Krachtens artikel 2, § 1, 2°, van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen worden als schadelijke feiten, bedoeld in artikel 1, § 1, in aanmerking genomen, de landbouwrampen, te weten de natuurverschijnselen met uitzonderlijk karakter of van uitzonderlijke hevigheid of de massieve en onvoorzienbare werking van schadelijke organismen die enkel belangrijke en algemene vernielingen hebben teweeggebracht van gronden, teelten of oogsten, evenals de ziekten en vergiftigin-gen met uitzonderlijk karakter die, door sterfte of verplichte slachting, belangrijke en veralgemeende verliezen van voor de landbouw nuttige dieren hebben veroorzaakt. 13. Uit voormelde bepaling en de wetsgeschiedenis volgt dat bij de beoordeling of een natuurverschijnsel als landbouwramp kan worden erkend, het uitzonderlijke karakter van dit natuurverschijnsel zelf moet worden beoordeeld, onafhankelijk van de specifieke kenmerken van een welbepaalde teelt of oogst. Het natuurverschijnsel dient op zichzelf en in zijn geheel te worden onderzocht, zonder dat dit onderzoek mag worden beperkt tot de groeiperiode van een welbepaalde teelt. 14. De onderdelen die geheel ervan uitgaan dat het uitzonderlijke karakter van een natuurverschijnsel moet worden bepaald op basis van de specifieke kenmerken van een welbepaalde teelt of oogst, falen naar recht. Vierde onderdeel 15. Het onderdeel dat opkomt tegen de overtollige motieven dat de eisers de beslissingen van 8 september 2011 en mei 2012 van de verweerder nooit hebben aangevochten voor de Raad van State en dat de eisers aanvankelijk zelf de erkenning van een landbouwramp hebben gevraagd voor de zomer 2010, kan, al was het gegrond, niet tot cassatie leiden en is bijgevolg, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 723,44 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Bruno Lietaert, Michael Traest en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 12 januari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260112.3N.10 Gerelateerde publicatie(
  4. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260112.3N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.