← België

BELGISCHE STAAT VEILIGHEID EN BINNENL ZAKEN c V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260112.3N.11 Rolnummer: S.25.0018.N Zaak: BELGISCHE STAAT VEILIGHEID EN BINNENL ZAKEN c V. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2026-01-28 Raadplegingen: 554 - laatst gezien 2026-06-18 06:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De rechter op verwijzing is enkel gebonden door de interpretatie van een rechtsregel, zoals weergegeven door het Hof in zijn vernietigingsarrest. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Burgerlijke zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1110, vierde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1110, vierde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 3 Uit de tekst van artikel 6, § 2, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en de structuur van voormelde wet volgt dat deze wetsbepaling uitsluitend een rechtsgrond kan vormen voor de toekenning van een vergoeding aan het slachtoffer van een arbeidsongeval of een beroepsziekte dat zich in een toestand van blijvende arbeidsongeschiktheid bevindt, die een aanvang neemt op de datum van consolidatie. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - OVERHEIDSPERSONEEL. BIJZONDERE REGELS Wettelijke bepalingen: Wet van 3 juli 1967 betreffende (de preventie van
  2. of)de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector - 03-07-1967 - Art. 6, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967070305 Tekst van de beslissing Nr. S.25.0018.N BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.356.862, op benaarstiging van de Federale Politie, met zetel te 1050 Brussel, Kroonlaan 145A, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen G.V.E., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent van 3 juli 2024, op verwijzing gewezen na arrest van het Hof van 7 februari 2022. Sectievoorzitter Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Krachtens artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek voegt de rechter op verwijzing zich naar het arrest van het Hof van Cassatie betreffende het door dat Hof beslechte rechtspunt en wordt tegen een beslissing van de rechter op verwijzing geen cassatieberoep toegelaten in zoverre deze beslissing overeenstemt met het vernietigingsarrest van het Hof. Hieruit volgt dat de rechter op verwijzing enkel gebonden is door de interpretatie van een rechtsregel, zoals weergegeven door het Hof in zijn vernietigingsarrest. 2. In het vernietigingsarrest van 7 februari 2022 oordeelde het Hof dat uit de artikelen 32 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk en XI.III.12, 3°, XI.III.13, eerste lid, en XI.II.17, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna RPPoL) volgt dat de functietoelage “beveiliging Koning” is geschorst vanaf de eerste van de maand die volgt op de datum waarop de dertigste ononderbroken afwezigheidsdag van een personeelslid ingaat, zolang het personeelslid de bedoelde functie niet opnieuw opneemt, ook als de afwezigheid het gevolg is van een arbeidsongeval. Het Hof heeft in het vernietigingsarrest niet geoordeeld over de invulling van het begrip afwezigheidsdag in de zin van artikel XI.II.17, § 3, eerste lid, RPPoL, zoals bepaald in artikel XI.I.3, 4°, RPPoL. 3. De rechter op verwijzing oordeelt dat, overeenkomstig artikel XI.I.3, 4°, RPPoL, het ziekteverlof toegekend naar aanleiding van een arbeidsongeval niet als afwezigheidsdag in aanmerking kan worden genomen in de zin van artikel XI.II.17, § 3, eerste lid, RPPoL, die leidt tot een schorsing van de functietoelage na meer dan dertig dagen ononderbroken afwezigheid. 4. Hierdoor doet de rechter op verwijzing geen uitspraak over een in het vernietigingsarrest van het Hof reeds beslecht rechtspunt waarnaar hij zich moest voegen en schendt hij artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek bijgevolg niet. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. 5. In zoverre het middel schending aanvoert van de overige vermelde wetsbepalingen, is het afgeleid en derhalve niet ontvankelijk. Tweede middel Tweede onderdeel 6. Artikel 6, § 2, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, wettelijk verankerd onder hoofdstuk II “Vergoedingen”, afdeling 2 “Renten”, punt A “Renten in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid”, bepaalt dat het slachtoffer dat ongeschikt is bevonden om zijn ambt uit te oefenen maar dat andere, met zijn gezondheidstoestand verenigbare ambten kan vervullen, volgens de regelen en binnen de grenzen die zijn statuut bepaalt, weder tewerk kan worden gesteld in een betrekking welke met zulk een ambt overeenkomt. Krachtens het tweede lid behoudt het wedertewerkgestelde slachtoffer het voordeel van de bezoldigingsregeling die hij genoot toen het ongeval zich voordeed of de beroepsziekte werd vastgesteld. 7. Uit de tekst van artikel 6, § 2, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en de structuur van voormelde wet volgt dat deze wetsbepaling uitsluitend een rechtsgrond kan vormen voor de toekenning van een vergoeding aan het slachtoffer van een arbeidsongeval of een beroepsziekte dat zich in een toestand van blijvende arbeidsongeschiktheid bevindt, die een aanvang neemt op de datum van consolidatie. 8. De appelrechters stellen vast dat: - de verweerder op 1 april 2011 het slachtoffer werd van een verkeersongeval op de weg van het werk naar huis; - hij op dat ogenblik was tewerkgesteld als statutair ambtenaar (inspecteur) in dienst van de Federale Politie, meer bepaald als “chauffeur VIP” in de afdeling van het veiligheidsdetachement van het Koninklijk Paleis (“VDKP”) en hij in die hoedanigheid genoot van een functietoelage “beveiliging Koning”; - de verweerder na deskundigenonderzoek bij vonnis van de eerste rechter van 18 september 2018 tijdelijk arbeidsongeschikt werd verklaard van 1 april 2011 tot en met 15 januari 2012 en bij vonnis van 6 februari 2018 voor 3 pct. blij-vend arbeidsongeschikt werd verklaard vanaf 1 april 2012, dit is de datum van consolidatie; - de verweerder heeft getracht zijn functie als “chauffeur VIP” terug op te nemen, maar dit wegens de blijvende gevolgen van het arbeidsongeval niet mogelijk bleek; - hij vanaf 1 januari 2012 werd herplaatst in een administratieve functie bij de gerechtelijke dienst DJP-Drugs te Brussel. 9. De appelrechters oordelen dat de verweerder op grond van artikel 6, § 2, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel voor de periode vanaf zijn wedertewerkstelling op 1 januari 2012 tot de datum van inactiviteit op 1 maart 2019 gerechtigd is op het behoud van het voordeel van de bezoldigingsregeling, inclusief de functietoelage “beveiliging Koning”, zoals van toepassing op datum van het arbeidsongeval. 10. Door aldus aan de verweerder op grond van artikel 6, § 2, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel een functietoelage toe te kennen voor een periode voorafgaand aan de consolidatiedatum, namelijk de periode van 1 januari 2012 tot 1 april 2012, waarin de verweerder zich nog in tijdelijke arbeidsongeschiktheid bevond en de voornoemde wetsbepaling geen toepassing kon vinden, verantwoorden de appelrechter hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven 11. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat de verweerder voor de periode van 1 januari 2012 tot 1 april 2012 recht heeft op de betaling van het geïndexeerde bedrag van de functietoelage “beveiliging Koning” voor het middenkader niveau B, onder aftrek van het bedrag van de toelage Brussels Hoofdstedelijk Gewest ontvangen voor dezelfde periode. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Gent, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Bruno Lietaert, Michael Traest en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 12 januari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260112.3N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.