← België

VLAAMS GEWEST contra BELGISCHE STAAT MOBILITEIT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260112.3N.12 Rolnummer: C.25.0019.N Zaak: VLAAMS GEWEST contra BELGISCHE STAAT MOBILITEIT Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-01-28 Raadplegingen: 610 - laatst gezien 2026-06-18 21:46 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich uit tot wat de rechter over een geschilpunt heeft beslist en tot wat, gelet op het geschil dat voor de rechter is gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke, zij het impliciete grondslag van zijn beslissing vormt

(1); om uit te maken of het gezag van het rechterlijk gewijsde zich verzet tegen de beoordeling ten gronde van de nieuwe vordering of een onderdeel ervan, moet de rechter onderzoeken welke geschilpunten in de voorgaande procedure werden voorgelegd; indien de geschilpunten die hebben geleid tot een beslissing in de eerste procedure onderscheiden zijn van de geschilpunten die worden aangevoerd in de tweede procedure, is er geen gezag van gewijsde.
(1)Cass. 6 maart 2023, AR C.22.0272.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230306.3N.3 Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.25.0019.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw, met kabinet te 1210 Sint-Joost-Ten-Node, Koning Albert II-laan 7, Seven-7de verdieping, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0220.819.807, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Mobiliteit en vervoer, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie, met kabinet te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, 10de verdieping, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.852, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Laurierlaan 1, waar de verweerder woonplaats kiest. In aanwezigheid van:
  1. GEMEENTE GRIMBERGEN, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 1850 Grimbergen, Prinsenstraat 3, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.508.536,
  2. GEMEENTE MACHELEN, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 1830 Machelen, Woluwestraat 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.539.121,
  3. GEMEENTE MEISE, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 1860 Meise, Tramlaan 8, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.511.011,
  4. GEMEENTE WEMMEL, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 1780 Wemmel, Dr. H. Folletlaan 28, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.533.379,
  5. STAD VILVOORDE, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Grote Markt, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.514.474,
  6. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, vertegenwoordigd door de Brussels Hoofdstedelijke Regering, in de persoon van de minister van Leefmilieu, met kabinet te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Sint-Lazarusplein 10, 11de verdieping. tot gemeenverklaring van het tussen te komen arrest opgeroepen partijen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 14 oktober
  7. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 5 november 2025 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste en tweede onderdeel samen
  8. De appelrechters oordelen niet alleen dat de stakingsvordering ongegrond is omdat de voorliggende gegevens niet toelaten te beoordelen of de alternatieven resulteren in een verbeterd leefmilieu, globaal beschouwd, maar ook dat de voorliggende gegevens niet toelaten om voldoende nauwgezet te bepalen wat de omvang is van de geluidsvervuiling en hoe die op de getroffen plaatsen wijzigde ten opzichte van de toestand voor de invoering van de PBN, wat de weerslag daarvan is op de gezondheidsrisico’s en wat de eventuele voordelen zijn die de PBN-procedures meebrengen voor het leefmilieu in termen van, onder meer, stillere vliegtuigen. De appelrechters oordelen aldus dat zij op basis van de voorliggende gegevens, ook louter wat de beweerdelijk getroffen gemeenten betreft, niet kunnen beoordelen of de aangeklaagde geluidsvervuiling als gevolg van de PBN-procedures een kennelijke inbreuk op het leefmilieu uitmaakt en of de gevorderde afschaffing van deze procedures opportuun is. Deze zelfstandige, niet-bekritiseerde redenen dragen de beslissing tot verwerping van de gevorderde maatregelen. De onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden en zijn bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  9. Krachtens artikel 23 Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing, strekt het gezag van gewijsde zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt, waarbij wordt vereist dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond, dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid is gedaan. Krachtens artikel 25 Gerechtelijk Wetboek verhindert het gezag van gewijsde dat de vordering opnieuw wordt ingesteld.
  10. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich uit tot wat de rechter over een geschilpunt heeft beslist en tot wat, gelet op het geschil dat voor de rechter is gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke, zij het impliciete grondslag van zijn beslissing vormt.
  11. Om uit te maken of het gezag van het rechterlijk gewijsde zich verzet tegen de beoordeling ten gronde van de nieuwe vordering of een onderdeel ervan, moet de rechter onderzoeken welke geschilpunten in de voorgaande procedure werden voorgelegd. Indien de geschilpunten die hebben geleid tot een beslissing in de eerste procedure onderscheiden zijn van de geschilpunten die worden aangevoerd in de tweede procedure, is er geen gezag van gewijsde.
  12. De appelrechters stellen vast dat de vordering van de eiser en van de in gemeenverklaring van het arrest gedaagde partijen ertoe strekt de staking te bevelen, geheel of gedeeltelijk, van de nieuwe navigatieprocedures op de luchthaven van Brussel-Nationaal zoals gepubliceerd op 24 augustus 2023 in de luchtvaartgids voor België en Luxemburg. Zij oordelen dat het vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 30 mei 2018 geen betrekking heeft op de in deze zaak voorgelegde feiten, namelijk de impact van de nieuwe navigatieprocedures op de spreiding van de geluidshinder en dat de omstandigheid dat de in dat vonnis beoordeelde vliegroutes strijdig werden geacht met het leefmilieu niet automatisch betekent dat een concentratie van de vluchten binnen bepaalde van die routes ook onevenwichtig is of het bestaande onevenwicht nog versterkt.
  13. De appelrechters, die aldus oordelen dat het in het vonnis van 30 mei 2018 beslechte geschilpunt onderscheiden is van het geschilpunt dat thans ter beslechting voorligt, verantwoorden hun beslissing dat het gezag van gewijsde van dat vonnis geen invloed kan hebben op de uitkomst van het voorliggende geschil naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 1.512,06 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Bruno Lietaert, Michael Traest en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 12 januari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260112.3N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230306.3N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.