id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260112.3N.13 Rolnummer: S.25.0010.N Zaak: S. contra PROVINCIE OVERIJSSEL Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht - Overige Invoerdatum: 2026-01-29 Raadplegingen: 743 - laatst gezien 2026-06-18 20:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260112.3N.13 Fiches 1 - 2 Wanneer de feitenrechter de buitenlandse wet toepast, moet hij de draagwijdte ervan bepalen op grond van de uitleg die de voormelde wet in het land van oorsprong krijgt; het Hof gaat na of de beslissing van de feitenrechter conform die uitleg is
(2)Cass. 12 mei 2025, AR C.24.0033.F, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250512.3F.2; Cass. 25 mei 2018, AR C.15.0354.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180525.1, AC 2018, nr. 333 met concl. van advocaat-generaal DE KOSTER op datum in Pas.; Cass. 27 januari 2017, AR C.15.0238.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170127.1, AC 2017, nr. 62 met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL; Cass. 18 maart 2013, AR C.12.0031.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.5, AC 2013, nr. 192 met concl. van advocaat-generaal GENICOT op datum in Pas.. Thesaurus CAS: VREEMDE WET CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Tekst van de beslissing Nr. S.25.0010.N U.S., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen PROVINCIE OVERIJSSEL, publiekrechtelijke rechtspersoon naar buitenlands recht, met zetel te 8012 EE Zwolle (Nederland), Luttenbergstraat 2, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 24 september
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 10 november 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- De appelrechters beslissen, zonder hieromtrent te worden bekritiseerd, dat het Nederlandse recht van toepassing is op het huidige geschil.
- Wanneer de feitenrechter de buitenlandse wet toepast, moet hij de draagwijdte ervan bepalen op grond van de uitleg die de voormelde wet in het land van oorsprong krijgt. Het Hof gaat na of de beslissing van de feitenrechter conform die uitleg is.
- Artikel 7:671b, lid 1, onderdeel a), van het Nederlands Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst kan ontbinden op verzoek van de werkgever, op grond van artikel 669, lid 3, onderdelen c tot en met i van het wetboek. Artikel 7:671b, lid 2, van hetzelfde wetboek bepaalt dat de kantonrechter het verzoek, bedoeld in lid 1, slechts kan inwilligen indien aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 669, is voldaan en er geen opzegverboden als bedoeld in artikel 670 of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift gelden. Artikel 7:670, lid 1, onderdeel a), van hetzelfde wetboek bepaalt dat de werkgever niet kan opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, tenzij de ongeschiktheid ten minste twee jaren heeft geduurd. Krachtens artikel 7:669, lid 1, van hetzelfde wetboek kan de werkgever de arbeidsovereenkomst opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Herplaatsing ligt in ieder geval niet in de rede indien sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer als bedoeld in lid 3, onderdeel e. Krachtens artikel 7:669, derde lid, onderdeel g), van hetzelfde wetboek wordt onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 verstaan een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Artikel 7:671b, lid 6, onderdeel a), van hetzelfde wetboek, bepaalt dat, indien de werkgever de ontbinding verzoekt op grond van artikel 669, lid 3, onderdelen b tot en met i, en een opzegverbod als bedoeld in artikel 670, leden 1 tot en met 4 en 10, of een met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbaar opzegverbod in een ander wettelijk voorschrift geldt, de kantonrechter, in afwijking van lid 2, het verzoek om ontbinding kan inwilligen, indien het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben. Uit de uitleg die deze bepaling in het Nederlandse recht krijgt, blijkt, dat er, ondanks het bestaan van een opzegverbod tijdens ziekte, ruimte is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst indien er geen verband is tussen het ontbindingsverzoek en de omstandigheden waarop het opzeggingsverbod betrekking heeft en dat alleen als de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft en die omstandigheden op zichzelf voldoende zijn voor een voldragen ontslaggrond, is voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat er geen verband is.
- De appelrechters stellen vooreerst vast en oordelen dat: - de eerste rechter heeft geconcludeerd dat de partijen na de ziekmelding van de eiser terechtgekomen zijn in een langdurige conflictueuze situatie en zij het nauwelijks eens zijn over iets; - ze zich bij het oordeel van de eerste rechter aansluiten dat er een onherstelbare vertrouwensbreuk is tussen de partijen en dat de arbeidsrelatie ernstig en duurzaam is verstoord zodat de door de verweerster ingeroepen ontslaggrond dient te worden aanvaard waardoor voldaan is aan het vereiste dat in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd de overeenkomst voort te zetten; - op de vraag of sprake is van een voldragen ontslaggrond, bijgevolg ja dient te worden geantwoord; - de arbeidsrechtbank terecht oordeelde dat een herplaatsing van de eiser binnen redelijke termijn niet in de rede ligt en bijgevolg niet moet worden onderzocht of herplaatsing mogelijk is gelet op de langdurige conflictueuze relatie tussen de partijen; - de partijen in wezen gedurende twee jaar reeds bezig geweest zijn met het zoeken naar een mogelijkheid tot herplaatsing van de eiser, met het oog op het zoeken naar een functie die een oplossing kon bieden voor de overbelasting van de eiser, zonder dat zij ook maar in de buurt kwamen van een oplossing; - op de vraag of de eiser binnen een redelijke termijn kan worden herplaatst, bijgevolg neen moet worden geantwoord; - de eerste rechter pertinent refereert aan de uitspraak van de Nederlandse Hoge Raad waarin werd geoordeeld dat de rechtbank kan beslissen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een arbeidsongeschikte werknemer tijdens het opzegverbod, wanneer sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding; - ze zich bij de overwegingen en het oordeel van de eerste rechter aansluiten dat er in deze betwisting geen opzegverbod is dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat nu het verzoek tot ontbinding geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft; - de arbeidsrechtbank hierbij terecht vaststelt dat de eiser niet en alleszins niet voldoende aantoont dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod wegens ziekte betrekking heeft; - het duidelijk is dat de ontslagreden die door de verweerster wordt ingeroepen, met name de ernstig en duurzame verstoorde arbeidsrelatie in de zin van artikel 7:669, lid 3, onderdeel g), geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid doch wel met de ontspoorde verhouding die tussen de partijen in de daaropvolgende twee jaar is ontstaan naar aanleiding van hun pogingen om een aangepast takenpakket voor de eiser op te stellen. Met overname van de redenen van de eerste rechter oordelen de appelrechters voorts dat: - de verstoorde arbeidsverhouding erin is gelegen dat de partijen na ruim twee jaar en veelvuldige pogingen niet in staat zijn gebleken een structurele oplossing te vinden voor de conflictueuze situatie, waardoor een onherstelbare vertrouwensbreuk tussen de partijen is ontstaan; - sinds de ziekmelding van de eiser op 16 januari 2020, de partijen in een conflictueuze relatie zijn terechtgekomen, waarin door de eiser veel aandacht en energie is besteed aan procedurele aspecten van het re-integratieproces; - uit de transcripties van de talrijke re-integratiegesprekken die de eiser en de verweerster voerden, de aanmaningen, de brieven tussen advocaten, de klachten die werden neergelegd door de eiser, duidelijk blijkt dat de partijen het nauwelijks eens zijn over iets en eenvoudigweg niet tot iets constructief kunnen komen; - op aanbevelen van de bedrijfsarts en op verder initiatief van de verweerster de partijen ook helaas zonder positief resultaat een proces van bemiddeling doorlopen; - het feit dat partijen, ondanks de hulp van een onafhankelijke derde met expertise op dat vlak, niet nader tot elkaar kunnen komen veelzeggend is; - de verweerster geen vertrouwen heeft in de eiser omdat die zich tijdens de re-integratie herhaaldelijk onbehoorlijk heeft opgesteld ten opzichte van de verweerster, onder meer door zijn leidinggevende niet respectvol te behandelen en de eiser hiervoor verschillende verwittigingen kreeg; - in een waarschuwing aan de eiser in verband met zijn laatdunkende bewoordingen, de verweerster verduidelijkt dat, indien de eiser nog eens over de grens zou gaan, ontslag op staande voet zou volgen; - de eiser bovendien talmde om inhoudelijk zijn standpunt in te nemen over voorstellen van de verweerster en hij in juni 2021 terugkwam op zijn voorstellen van januari en maart 2021; - het buiten kijf staat dat de eiser geen vertrouwen had in W.; - hij echter ook problemen had met zijn andere re-integratiebegeleiders mevrouw C. en W. en hij expliciet aangegeven heeft dat hij C. en W. niet vertrouwt; - ook de algemeen directeur van de verweerster door de eiser werd betrokken in het conflict; - zijn wantrouwen echter verder gaat dan dat; - de eiser immers tevens commentaar geeft op de algemene organisatie van zijn werkgever, stellende dat het in het DNA zit van de organisatie om negatief te zijn en hij al drie jaar uitkijkt naar minder negativiteit; - de eiser een uitgebreide klacht ingediend heeft bij de hoor- en adviescommissie over de wijze waarop de verweerster vormgaf aan zijn re-integratie; - de eiser de verweerster verwijt dat ze doelbewust het advies van de bedrijfsarts heeft misbruikt om geen verbetertraject te hoeven doorlopen en de wens tot demotie te kunnen uitvoeren; - de verweerster inderdaad op 28 september 2020 en op 17 maart 2021 voorstellen tot een aangepast takenpakket van de eiser heeft gedaan en deze voorstellen er kwamen omdat de bedrijfsarts reeds vanaf de ziekmelding aangaf dat de partijen overeenstemming moesten bereiken over het werkpakket van de eiser omdat anders de eiser bij hervatting opnieuw ziek zou worden; - de eiser de voorstellen tot een aangepast takenpakket van de verweerster niet aanvaardde en hij erover waakte dat enerzijds het aangepast takenpakket hem niet te zwaar zou zijn en anderzijds dat zijn functie niet zou uitgehold worden; - de eiser zelf tegenvoorstellen tot aanpassing van het takenpakket deed op 7 januari 2021 en op 7 april 2021 doch hierop bij nader inzien terugkwam op 23 juni 2021; - het verwijt van de eiser dat de verweerster doelbewust het advies van de bedrijfsarts heeft misbruikt onterecht is vooreerst omdat de eiser destijds de adviezen van de bedrijfsarts omtrent dat punt aanvaardde en geen deskundigenadvies vroeg en de eiser bovendien zelf tegenvoorstellen deed over de wijzigingen van zijn takenpakket zonder aan te kaarten dat hij geen wijzigingen wilde; - het verwijt van de eiser wel aantoont dat hij het vertrouwen in de verweerster helemaal kwijt is; - gelet op het bovenstaande de rechtbank van oordeel is dat er een onherstelbare vertrouwensbreuk is tussen de eiser en de verweerster en de arbeidsrelatie ernstig en duurzaam verstoord is.
- Met deze redenen waarmee de appelrechters oordelen dat de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft en die omstandigheden op zichzelf voldoende zijn voor een voldragen ontslaggrond, maken de appelrechters van voormelde bepalingen uit het Nederlands Burgerlijk Wetboek een toepassing die niet kennelijk in strijd is met de interpretatie die deze bepalingen in het Nederlandse recht krijgen. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- De appelrechters verwerpen en beantwoorden het in het onderdeel bedoelde verweer niet alleen door te oordelen dat, opdat sprake kan zijn van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, moet worden benadrukt dat niet elk verwijtbaar handelen van de werkgever aanleiding geeft tot de verschuldigdheid van een billijke vergoeding maar enkel wanneer het gaat om ernstig verwijtbaar handelen zoals bijvoorbeeld doelbewust of disproportioneel onder druk zetten van de arbeidsrelatie en van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen geen sprake is nu uit het uitvoerige feitenrelaas van de partijen blijkt dat het initiatief tot herdefiniëren van het takenpakket niet uitging van de verweerster maar wel van de bedrijfsarts die van mening was dat het overbelastingsprobleem van de eiser moest aangepakt worden door een aanpassing van zijn takenpakket en de verweerster tijdens de onderhandelingen wel wat te verduren heeft gekregen van de eiser zoals onaangepast woordgebruik en niet openstaan voor redelijke voorstellen van de werkgever die meteen werden afgeschoten of een eigen voorstel van takenpakket dat de verweerster goedkeurde zelf intrekken, maar ook door met overname van de overwegingen van de eerste rechter die de appelrechters zich eigen maken “en in het bijzonder de argumenten die de arbeidsrechtbank ontwikkelde om de door [de eiser] voorgebrachte argumenten te verwerpen”, te oordelen dat: - hoewel het UWV, wat betreft de re-integratieverplichtingen van de verweerster zeven tekortkomingen vaststelde, dit geen ernstige verwijtbare handelingen uitmaken; - de wettelijke verplichtingen in het kader van de re-integratie inhouden dat werkgever en werknemer alles doen wat redelijkerwijs mogelijk is om te zorgen dat de werknemer zo snel mogelijk weer aan het werk gaat in arbeid die zo dicht mogelijk in de buurt ligt van de zogenaamde restverdiencapaciteit van de werknemer en dat de werknemer in de tussentijd passende arbeid verricht; - het klopt dat de verweerster niet inging op de herhaalde vraag van de eiser om W. als re-integratiebegeleider te vervangen, de verweerster haar weigering motiveerde en W., na zijn formele vervanging als re-integratiebegeleider in het voorjaar 2021, nog steeds betrokken bleef bij het re-integratieproces door deel te nemen aan de re-integratiegesprekken; - het lijkt dat de situatie hierdoor verder op de spits werd gedreven gelet op de moeilijke relatie tussen de eiser en W. en de verweerster dit zeker anders had kunnen aanpakken; - sommige van de vaststellingen van het UWV mogelijke fouten van de verweerster betreffen maar deze niet per se in het nadeel van de eiser waren; - de rechtbank het niet eens is met sommige standpunten van het UWV, namelijk de vierde en vijfde tekortkoming; - omtrent de vierde tekortkoming geen bevredigend resultaat in zicht was op het moment dat de verweerster de re-integratie-inspanningen spoor 1 eenzijdig afbrak nu eiser immers via zijn raadsman op 23 juni 2021 had laten weten dat hij zijn tegenvoorstel van 8 april 2021 introk; - over de vijfde tekortkoming, namelijk dat er geen andere re-integratiemogelijkheden in spoor 1 werden gebracht conform ‘Werkwijzer Poortwachter’ noch ten tijde van het arbeidsdeskundig onderzoek noch na het afbreken van het opbouwschema het arbeidsdeskundig onderzoek net luidde dat het eigen werk op basis van de huidige beperkingen passend kan worden gemaakt en er arbeidsdeskundig gezien daarom geen reden is om de andere mogelijkheden binnen de verweerster te onderzoeken; - de rechtbank uit de zevende tekortkoming die het UWV vaststelt afleidt dat de eiser zelf tekort is geschoten aan zijn re-integratieverplichtingen door onvoldoende mee te werken. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- De appelrechters oordelen dat, opdat sprake kan zijn van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, moet worden benadrukt dat niet elk verwijtbaar handelen van de werkgever aanleiding geeft tot de verschuldigdheid van een billijke vergoeding, maar enkel wanneer het gaat om ernstig verwijtbaar handelen, “zoals bijvoorbeeld doelbewust of disproportioneel onder druk zetten van de arbeidsrelatie.” In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters het begrip ‘ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever’ beperken tot het doelbewust of disproportioneel onder druk zetten van de arbeidsrelatie, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Wat betreft hun beoordeling van de vordering tot betaling van een billijke vergoeding sluiten de appelrechters zich aan bij de redenen van de arbeidsrechtbank die ze zich eigen maken en “in het bijzonder de argumenten die de arbeidsrechtbank ontwikkelde om de door [de eiser] voorgebrachte argumenten te verwerpen” en waarmee ze verwijzen naar de overwegingen van de eerste rechter onder titel 4.4.3 en in het bijzonder deze waarmee de eerste rechter antwoordt op het middel van de eiser dat de verweerster de op haar rustende re-integratieverplichtingen niet nakwam. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, zijn de appelrechters ingegaan op het door de eiser als ernstig verwijtbaar handelen van de verweerster ingeroepen overtreden van de op de verweerster rustende wettelijke re-integratieverplichtingen en betrekken de appelrechters dit in hun beoordeling van het ernstig verwijtbaar karakter van het handelen van de verweerster. Het onderdeel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 404,24 euro en op de som van 24 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Bruno Lietaert, Michael Traest en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 12 januari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260112.3N.13 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260112.3N.13 precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170127.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180525.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250512.3F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div