← België

L. contra SOCIALE WERKEN AN HET LEGER DES HEILS IN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260112.3N.9 Rolnummer: S.24.0062.N Zaak: L. contra SOCIALE WERKEN AN HET LEGER DES HEILS IN Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2026-01-28 Raadplegingen: 774 - laatst gezien 2026-06-18 07:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260112.3N.9 Fiche Artikel 37/6 Arbeidsovereenkomstenwet moet beperkend worden uitgelegd; de erin vermelde opzeggingstermijn mag niet beginnen lopen meer dan zesentwintig weken vóór het tijdstip waarop de werknemer de wettelijke pensioenleeftijd bereikt

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Zie de gelijkluidende rechtspraak inzake artikel 83 Arbeidsovereenkomstenwet, voor de opheffing van deze bepaling door de wet van 26 december 2013, Cass 18 september 1989 (Verenigde Kamers), AR 8638, AC 1989-90, nr. 39 en Cass 6 april 1987, AR 7811, AC 1986-87, nr.
  1. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging Wettelijke bepalingen: Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Art. 37/6 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Nr. S.24.0062.N M.L., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen SOCIALE WERKEN VAN HET LEGER DES HEILS IN BELGIË vzw, met zetel te 1000 Brussel, Nieuwe Graanmarkt 34, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0416.251.744, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 12 maart
  2. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 27 oktober 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel Eerste subonderdeel
  3. Krachtens artikel 37/6 Arbeidsovereenkomstenwet bedraagt de opzeggingstermijn maximaal zesentwintig weken wanneer het ontslag van de werkgever uitgaat indien het ontslag gegeven wordt om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de werknemer de wettelijke pensioenleeftijd bereikt. Die afwijkende bepaling moet beperkend worden uitgelegd. De erin vermelde opzeggingstermijn mag niet beginnen lopen meer dan zesentwintig weken vóór het tijdstip waarop de werknemer de wettelijke pensioenleeftijd bereikt.
  4. De appelrechters stellen vast dat: - de eiser de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt op 11 oktober 2021; - de verweerster de arbeidsovereenkomst van de eiser als onderdeel van diens pensionering heeft opgezegd op 24 september 2020 met een opzeggingstermijn van dertien maanden die begon te lopen op 1 oktober 2020 en zou eindigen op 31 oktober
  5. Zij oordelen dat: - de verkorte opzeggingstermijn van zesentwintig weken in artikel 37/6 Arbeidsovereenkomstenwet een minimumtermijn is en de werkgever rechtsgeldig een langere opzeggingstermijn kan betekenen, in zoverre deze ten vroegste eindigt op datum van de wettelijke pensioenleeftijd; - de opzeggingstermijn van dertien maanden, die na de datum van de wettelijke pensioenleeftijd eindigde, rechtsgeldig werd betekend.
  6. Zodoende schenden zij artikel 37/6 Arbeidsovereenkomstenwet. Het subonderdeel is gegrond. Tweede middel Eerste onderdeel
  7. Krachtens artikel 764, eerste lid, 12°, Gerechtelijk Wetboek worden de vorderingen ingesteld op grond van de Discriminatiewet op straffe van nietigheid medegedeeld aan het openbaar ministerie. Deze regel geldt zowel in eerste aanleg als, ingevolge artikel 1042 Gerechtelijk Wetboek, in hoger beroep.
  8. Aangezien noch uit het arrest noch uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan blijkt dat de zaak in hoger beroep is meegedeeld aan het openbaar ministerie, schenden de appelrechters de artikel 764, eerste lid, 12° Gerechtelijk Wetboek. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Bruno Lietaert, Michael Traest en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 12 januari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260112.3N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260112.3N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.