← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Protocol nr.

7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en

Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Protocol nr.

7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en

Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Protocol nr.

7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1357.N E. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kristof Van Den Heuvel, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 12 september

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet of slechts in algemene termen eisers in een appelconclusie gevoerde verweer; het bestreden vonnis onderzoekt niet individueel en concreet de draagwijdte van de aangevoerde omstandigheden, noch waarom die geen invloed hebben op de schuldvraag, de juridische kwalificatie of de straftoemeting.
  3. Met de redenen die het bestreden vonnis (p. 4 en 5) vermeldt en die niet slechts in algemene termen zijn verwoord, beantwoordt het dit in de appelconclusie aangevoerde verweer, zonder dat het moet antwoorden op alle argumenten van de eiser die slechts ter ondersteuning van dit verweer worden aangevoerd, maar zelf geen zelfstandig verweer vormen. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 14.7 IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het non bis in idem-beginsel en de motiveringsverplichting: in een appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat voor het feit van de telastleggingen, te weten het parkeren van de verhuislift op het voetpad/fietspad ter hoogte van oversteekplaatsen, reeds door de werkgever van de eiser een retributie werd betaald en die retributie een strafrechtelijk karakter heeft, zodat eenzelfde gedraging een tweede maal wordt bestraft door de veroordeling van de eiser; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat die retributie geen punitief karakter heeft, zonder evenwel te onderzoeken of die retributie een bestraffend of afschrikwekkend karakter heeft, het bedrag van 150,00 euro in verhouding tot louter compenserende heffingen niet wijst op een punitieve sanctie en die retributie in de zin van de Engel-criteria geen straf is, ongeacht haar formele administratieve kwalificatie.
  5. Artikel 14.7 IVBPR bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.
  6. Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat niemand opnieuw wordt berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die staat.
  7. Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte.
  8. Uit die bepalingen en dat algemeen rechtsbeginsel volgt dat een tweede vervolging van eenzelfde persoon verboden is wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste vervolging hebben geleid tot een onherroepelijke beslissing van veroordeling of vrijspraak.
  9. Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser aanvoert dat zijn werkgever reeds een retributie heeft betaald. Aldus wordt niet dezelfde persoon vervolgd en bestraft wegens eenzelfde gedraging. Die reden schraagt de beslissing dat het non bis in idem-beginsel niet van toepassing is en eisers vervolging om die reden niet onontvankelijk moet worden verklaard.
  10. Het middel dat enkel opkomt tegen de beoordeling van het punitieve karakter van de aan de werkgever van de eiser opgelegde retributie, is gericht tegen overtollige redenen en kan bijgevolg niet tot cassatie leiden. Het middel is niet ontvankelijk. Derde middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het bestreden vonnis oordeelt dat de verdediging werd gehoord, maar motiveert niet waarom de door de eiser aangevoerde essentiële stellingen en de overgelegde stukken geen invloed hebben op de uitkomst van de zaak.
  12. De rechter moet niet antwoorden op stukken maar alleen op een voor hem genomen conclusie.
  13. De enkele omstandigheid dat de rechter niet uitdrukkelijk een verweermiddel of een argument ter ondersteuning van dit verweer vermeldt, betekent niet dat hij dit verweer niet in aanmerking heeft genomen.
  14. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  15. Met de redenen die het bestreden vonnis ( p. 5) vermeldt, verantwoordt het naar recht eisers schuldigverklaring en veroordeling voor het hem ten laste gelegde feit. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  16. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het eerste middel en moet het om de in het antwoord op dit middel vermelde redenen, worden verworpen. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 13 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260113.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.