← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260113.2N.13 Rolnummer: P.25.1386.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2026-01-16 Raadplegingen: 608 - laatst gezien 2026-06-18 22:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Uit de artikelen 36, § 1, vierde en vijfde lid, en 37, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet volgt dat op het cassatieberoep van de eiser tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat in hoger beroep uitspraak doet over een op grond van artikel 36, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoek tot opheffing van de opgelegde voorwaarden, de termijn en de sanctie van artikel 31, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet van toepassing zijn; wanneer het Hof geen uitspraak heeft gedaan binnen vijftien dagen na het instellen van het cassatieberoep, vervalt de bevolen maatregel en heeft het cassatieberoep geen bestaansreden meer

(1).
(1)Cass. 2 december 2003, AR P.03.1332.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031202.10, AC 2003, nr. 612; Cass. 17 juni 1997, AR P.97.0803.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970617.7, AC 1997, nr. 278; zie Cass. 15 mei 2007, AR P.07.0526.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070515.5, AC 2007, nr. 252; zie ook Cass. 5 juni 2024, AR P.24.0803.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240605.2F.8 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 31, § 3, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36, § 1, vierde en vijfde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 37, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - CASSATIEBEROEP Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 31, § 3, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36, § 1, vierde en vijfde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 37, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 31, § 3, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36, § 1, vierde en vijfde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 37, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1386.N J. B., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Justine Kochuyt, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 oktober
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDEN
  2. Bij beschikking van 20 juni 2025 heeft de onderzoeksrechter de eiser in vrijheid gesteld mits het opleggen van voorwaarden. Bij beschikking van 19 september 2025 heeft de onderzoeksrechter die maatregel verlengd voor een periode van drie maanden.
  3. Op 1 oktober 2025 heeft de eiser met een aan de raadkamer gericht verzoekschrift gevraagd de voorwaarden op te heffen.
  4. Bij beschikking van 3 oktober 2025 heeft de raadkamer een aantal voorwaarden gehandhaafd en de overige voorwaarden afgeschaft.
  5. Op eisers hoger beroep heeft de kamer van inbeschuldigingstelling met het arrest van 21 oktober 2025 de beroepen beschikking bevestigd.
  6. De eiser heeft op 22 oktober 2025 tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld.
  7. Bij beschikking van 19 december 2025 heeft de onderzoeksrechter de voorwaarden, opgelegd bij beschikking van 20 juni 2025, verlengd bij beschikking van 19 september 2025 en gewijzigd bij beschikking van 3 oktober 2025, verlengd voor een termijn van drie maanden met ingang vanaf 19 december
  8. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voorwerp van het cassatieberoep
  9. Artikel 36, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de verdachte kan vragen dat de opgelegde voorwaarden geheel of gedeeltelijk worden opgeheven of gewijzigd. Artikel 36, § 1, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat indien de raadkamer binnen vijf dagen geen uitspraak doet over het verzoek van de verdachte de maatregel vervalt.
  10. Artikel 37, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat tegen de beslissing genomen ter uitvoering van artikel 36 van die wet dezelfde rechtsmiddelen openstaan als tegen de beslissingen inzake voorlopige hechtenis.
  11. Uit die bepalingen volgt dat op het cassatieberoep van de eiser tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat in hoger beroep uitspraak doet over een op grond van artikel 36, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoek tot opheffing van de opgelegde voorwaarden, de termijn en de sanctie van artikel 31, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet van toepassing zijn.
  12. Het verstrijken van de in artikel 31, § 3, tweede lid, eerste zin, Voorlopige Hechteniswet bedoelde termijn van vijftien dagen na het instellen van het cassatieberoep heeft het verval van de bevolen maatregel tot gevolg.
  13. Eisers cassatieberoep tegen het bestreden arrest dateert van 22 oktober
  14. Het Hof heeft geen uitspraak gedaan binnen de vijftien dagen na het instellen van het cassatieberoep.
  15. Door het verstrijken van deze termijn zonder dat een beslissing is genomen over het ingestelde cassatieberoep, is de maatregel vervallen.
  16. Het cassatieberoep heeft geen bestaansreden meer. Middel
  17. Gelet op de voormelde beslissing behoeft het middel geen antwoord. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten op 68,20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 13 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260113.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970617.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031202.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070515.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240605.2F.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.