← België

S. contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Fiches 5 - 8 De rechter miskent het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, zoals dit ook wordt gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM, niet indien hij oordeelt dat een beklaagde niet erin slaagt een door hem aangevoerde stelling aannemelijk te maken; de rechter is niet ertoe gehouden elke door een beklaagde aangevoerde stelling zonder meer voor waar aan te nemen en dit houdt geen niet-toegelaten omkering van de bewijslast in; dit algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld verzet zich niet ertegen dat de rechter die vaststelt dat bepaalde elementen voor de schuldbeoordeling van een beklaagde bezwarend zijn, het door die beklaagde niet kunnen of willen geven van een redelijke verklaring voor die elementen mee in aanmerking neemt

(1).
(1)Zie Cass. 16 december 2025, AR P.25.1368.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.16 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 9 - 10 Het versturen van een bericht binnen een afgeschermde of slechts beperkte toegankelijke groep van een communicatie of socialemediaplatform aan de leden van de groep, moet worden beschouwd als het versturen van een geschrift in de zin van artikel 444, laatste lid, Strafwetboek; het betreft dan immers een geschrift dat weliswaar niet openbaar is gemaakt, maar toch aan verschillende personen wordt toegestuurd of medegedeeld. Thesaurus CAS: RACISME. XENOFOBIE Wettelijke bepalingen: Wet 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden - 30-07-1981 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1981001359 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 444 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: COMMUNICATIE. TELECOMMUNICATIE Wettelijke bepalingen: Wet 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden - 30-07-1981 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1981001359 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 444 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1055.N I B, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, tegen 1. H, burgerlijke partij, verweerder, 2. INTERFEDERAAL CENTRUM VOOR GELIJKE KANSEN EN BESTRIJDING VAN DISCRIMINATIE EN RACISME (UNIA), met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 40 bus 40, ON 0548.895.779, burgerlijke partij, verweerder, met als raadslieden mr. Renaud Vercaemst en mr. Jan Vanheule, beiden advocaat bij de balie Brussel, 3. LIGA VOOR MENSENRECHTEN vzw, met zetel te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Leopold II laan 53, ON 0419.191.537, burgerlijke partij, verweerster. II A, beklaagde eiser, met als raadsman mr. Nicholas De Mot, advocaat bij de balie Gent, tegen 1. H, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder, 2. INTERFEDERAAL CENTRUM VOOR GELIJKE KANSEN EN BESTRIJDING VAN DISCRIMINATIE EN RACISME (UNIA), reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder, met als raadslieden mr. Renaud Vercaemst en mr. Jan Vanheule, beiden advocaat bij de balie Brussel, 3. LIGA VOOR MENSENRECHTEN vzw, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster. III J, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bart Siffert, advocaat bij de balie Brussel, tegen 4. H, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder, 5. INTERFEDERAAL CENTRUM VOOR GELIJKE KANSEN EN BESTRIJDING VAN DISCRIMINATIE EN RACISME (UNIA), reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder, met als raadslieden mr. Renaud Vercaemst en mr. Jan Vanheule, beiden advocaat bij de balie Brussel, 6. LIGA VOOR MENSENRECHTEN vzw, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster. IV J, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bart Siffert, advocaat bij de balie Brussel, tegen 7. H, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder, 8. INTERFEDERAAL CENTRUM VOOR GELIJKE KANSEN ENBESTRIJDING VAN DISCRIMINATIE EN RACISME, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder, met als raadslieden mr. Renaud Vercaemst en mr. Jan Vanheule, beiden advocaat bij de balie Brussel, 9. LIGA VOOR MENSENRECHTEN vzw, ON 0419.191.537, burgerlijke partij, verweerster. V D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Helena Kuijl, advocaat bij de balie Gent, tegen 10. H, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder, 11. INTERFEDERAAL CENTRUM VOOR GELIJKE KANSEN EN BESTRIJDING VAN DISCRIMINATIE EN RACISME (UNIA), ON 0548.895.770, burgerlijke partij, verweerder, met als raadslieden mr. Renaud Vercaemst en mr. Jan Vanheule, beiden advocaat bij de balie Brussel, 12. J, burgerlijke partij, verweerster, 13. UNIVERSITEIT GENT, met zetel te 9000 Gent, Sint-Pietersnieuwstraat 25, ON 0248.015.142, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Serge Defrenne, advocaat bij de balie Gent, 14. LIGA VOOR MENSENRECHTEN vzw, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I tot en met V zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 juni 2025 (hierna het arrest). De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Het cassatieberoep V is ook gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 februari 2023. De eiser V voert daartegen geen middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser I Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 11 Gerechtelijk Wetboek en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest weert het deskundigenverslag van T.D.S. van T. bv uit het debat wegens een schending van artikel 11 Gerechtelijk Wetboek, maar het weert niet de bewijzen die op dat deskundigenverslag zijn gesteund; het oordeelt dat het gebruik van deze bewijzen het recht op een eerlijk proces niet aantast en dat ze dus niet moeten worden geweerd; een dergelijke toets is niet vereist; de bewijselementen die het gevolg zijn van een onrechtmatig verkregen bewijs moeten eveneens worden uitgesloten; dat is louter een kwestie van causaliteit waarbij een toetsing aan de criteria van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering niet aan de orde is; het proces-verbaal 009800/2020 van 21 juli 2020 is tot stand gekomen ingevolge het geweerde deskundigenverslag; de beslissing om de op het geweerde deskundigenverslag gesteunde bewijsstukken in het debat te behouden, is niet naar recht verantwoord. 2. Het arrest (p. 48-49) oordeelt weliswaar dat “er geen reden (

  1. is)om alle bewijzen die op dat deskundigen verslag zouden zijn gesteund, te weren” en “[De eiser V] duidt overigens niet aan om welke bewijzen het volgens hem gaat”, maar ook dat “dergelijke bewijzen er eenvoudigweg niet (zijn)”, alsook dat “de woordelijke weergave door de politie van berichten waarnaar ook de deskundige in zijn verslag verwijst, dat ook niet (zijn)”. Aldus oordeelt het arrest onmiskenbaar dat er geen bewijselementen zijn die de vrucht zijn van het geweerde deskundigenverslag. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 3. In zoverre het middel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 22 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenophobie ingegeven daden (hierna Antiracismewet), alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting van de rechter: het arrest oordeelt dat de vereniging Schild Vrienden twee identiteiten heeft, wat echter niet volstaat voor de vaststelling dat dit een strafbare vereniging is in de zin van artikel 22 Antiracismewet; het arrest moet aantonen dat de eiser I wetens en willens deel heeft uitgemaakt van de strafbare identiteit van de vereniging, dit wil zeggen dat hij wist dat de vereniging die identiteit had en hij daarvan deel wenste uit te maken; het arrest bevat die vaststelling niet; het stelt betreffende de eiser I het volgende vast: op zijn computer werd een missieverklaring van Schild en Vrienden, alsook een verslag van de beleidsvergadering teruggevonden, hij zou moderator zijn geweest van de afgeschermde Facebookgroep, hij heeft daags na de Pano-reportage verschillende gesprekken gevoerd met andere leden, hij werd na de Pano-reportage toegevoegd aan een chatgroep waarvan de bedoeling was om imagoschade te herstellen, hij heeft na de Pano-reportage gevraagd om hem als redacteur te laten verwijderen en hij heeft twee beweerdelijk racistische opmerkingen in het verleden in de afgeschermde Discordgroep gemaakt; het is tegenstrijdig enerzijds te verwijzen naar de missieverklaring en het verslag van de beleidsverklaring als element voor de schuld van de eiser I aan het feit omschreven onder de telastlegging I en anderzijds aan te geven dat met die documenten in wezen niets mis is; uit de deelname naar aanleiding van de Pano-reportage kan niet worden afgeleid dat de eiser I deel heeft uitgemaakt van de strafbare identiteit van de vereniging; het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser I dat iemand anders ook moderator kan zijn geweest en dat de eiser I geen enkele handeling stelde als moderator en zich ook niet zo gedroeg; het arrest stelt bovendien niet vast dat de eiser I heeft gehandeld overeenkomstig die bevoegdheid; wat betreft de twee berichten die de eiser I zou hebben gepost en die als racistisch zouden kunnen worden bestempeld, gaat het arrest voorbij aan de vaststelling dat de eiser I daarvoor niet wordt vervolgd en dat deze opmerkingen niet als strafbaar kunnen worden bestempeld. 5. Met de redenen die het arrest in het algemeen bevat betreffende de schuldbeoordeling aan de feiten omschreven onder de telastlegging I (arrest, p. 52-63, randnr. 5.2.1 tot en met 5.2.5) en specifiek betreffende de eiser I (arrest, p. 65-66, randnr. 5.2.7) stellen de appelrechters vast dat de eiser I wetens en willens deel heeft uitgemaakt van de vereniging als bedoeld door die strafbepaling en dat hij het strafbare karakter ervan kende en daarvan deel wenste uit te maken. De omstandigheid dat het arrest ook vaststelt dat de vereniging twee identiteiten of gezichten had, waarbij met één gezicht op zichzelf niets mis was, laat niet toe anders te oordelen. Dat ene gezicht moet volgens het arrest samen worden gezien met het in de afgeschermde Facebook- en Discordgroepen gehanteerde discours, de expliciet racistische berichten, het haatdragend taalgebruik in verband met vreemdelingen, het document in verband met de zomeruniversiteit, de lange periode waarin dit gebeurde en het grote aantal racistische berichten en spotprenten, die aantonen dat de vereniging in werkelijkheid de samenleving en de jongeren in het bijzonder aanzette tot haat en afkeer jegens vreemdelingen louter omwille van het feit dat ze niet Europees zijn of geen witte huidskleur hebben of tot een andere bevolkingsgroep behoren (arrest, p. 62). In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 6. De aangevoerde tegenstrijdigheid is afgeleid uit die onjuiste lezing. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. 7. Het arrest oordeelt voor wat betreft de schuld van de eiser I aan de feiten omschreven onder de telastlegging I met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel niet dat de eiser I in zijn hoedanigheid van moderator daadwerkelijk berichten heeft geweigerd of verwijderd of op een andere wijze van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, maar wel dat uit het onderzoek is gebleken dat hij één van de twaalf moderatoren was, hij dus heel goed op de hoogte was van de berichten die op de groep circuleerden, aangezien hij de taak had om de groep en de berichtgeving op te volgen en in goede banen te leiden (arrest, p. 65). In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 8. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbaar oordeel door het arrest dat de eiser I een moderator was, is het niet ontvankelijk. 9. Met de vermelde redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het door het onderdeel bedoelde verweer over het moderatorschap van de eiser I. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 10. Geen enkele bepaling verzet zich ertegen dat de rechter bij de beoordeling van een inbreuk op artikel 22 Antiracismewet rekening houdt met van een beklaagde uitgaande berichten en dit ongeacht of die beklaagde voor het versturen van die berichten zelf wel of niet wordt vervolgd en dat het versturen van die berichten wel of niet strafbaar is. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 11. Met het geheel van de redenen die het arrest in het algemeen bevat betreffende de schuldbeoordeling aan de feiten omschreven onder de telastlegging I (arrest, p. 52-63, randnr; 5.2.1 tot en met 5.2.5) en specifiek betreffende de eiser I (arrest, p. 65-66, randnr. 5.2.7) verantwoordt het de schuldigverklaring van de eiser I aan de feiten omschreven onder de telastlegging I naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt: het arrest betrekt bij de schuldigverklaring van de eiser I het versturen van twee berichten die hij zou hebben gepost in de Discordgroep, terwijl de eiser I geen mogelijkheid heeft gehad om daarover verweer te voeren; het arrest neemt die reden aan zonder dat dit werd aangedragen door één van de partijen; de eiser I werd tijdens de strafprocedure in de hoeveelheid van inbeslaggenomen berichten niet geconfronteerd met de link tussen deze twee beelden en het beweerd racistisch karakter ervan; doordat de appelrechters dit gegeven uit eigen beweging bij hun beoordeling hebben betrokken, werd het recht op tegenspraak van de eiser I miskend. 13. Artikel 6 EVRM en het daardoor gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging verzetten zich niet ertegen dat de rechter zijn oordeel over de schuld kan gronden op elk tot het strafdossier behorend gegeven waarover de beklaagde tegenspraak heeft kunnen voeren en dit ongeacht of de vervolgende partij, de burgerlijke partijen en de rechter naar dat gegeven hebben verwezen. De beklaagde dient bij de organisatie van zijn verdediging rekening ermee te houden dat de rechter elk tot het strafdossier behorend gegeven bij de schuldbeoordeling in aanmerking kan nemen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde onderdeel 14. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat uit het bericht dat de eiser I heeft verstuurd om hem als redacteur te verwijderen, blijkt dat de eiser I zich goed bewust was van zijn rol als moderator, geeft het arrest van dit bericht een uitlegging die niet overeenstemt met de werkelijkheid ervan; er is immers een verschil tussen een redacteur en een moderator. 15. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden wanneer hij het geschrift doet liegen. Indien de gegeven uitlegging een mogelijke uitlegging is, naast andere, is er geen miskenning van de bewijskracht van het geschrift. 16. Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel geeft het arrest van het bedoelde bericht een uitlegging die niet volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen van het geschrift. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel 17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 van de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duits nationaal-socialistische regime is gepleegd (hierna Negationismewet): het arrest laat na met betrekking tot de ene afbeelding waarvoor de eiser I wordt vervolgd aan te geven op welke wijze dit het schromelijk minimaliseren van de Holocaust zou betreffen; het arrest oordeelt weliswaar dat niet louter het minimaliseren zonder meer wordt bedoeld, maar wel het minimaliseren op een zeer verregaande, erge, grove en beledigende manier; het laat evenwel na om dit in concreto te beoordelen met betrekking tot die ene afbeelding; de schuldigverklaring van de eiser I is dan ook niet naar recht verantwoord; de bijkomende overweging dat het niet relevant is of de afbeelding al dan niet bewerkt is en of de interpretatie van het openbaar ministerie strijdig is met het plot van de film waaraan de afbeelding is ontleend, kan niet worden gevolgd, aangezien op grond van deze feitelijke overwegingen een oordeel zou kunnen worden geveld over het schromelijk karakter van de voorgehouden minimalisering. 18. Het onderdeel dat formeel een wetsschending aanvoert, komt in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14.1 IVBPR: het arrest verwijst voor de beoordeling van de intentie van de eiser I naar de gedragingen van derden, die volledig vreemd zijn aan de feiten voorwerp van de telastlegging B, en leidt hieruit het opzet bij de eiser I af; daardoor miskent het arrest de verplichting om de toerekening van het misdrijf te individualiseren. 20. De als geschonden aangevoerde verdragsbepalingen verzetten zich niet ertegen dat de rechter bij de beoordeling of een voor een misdrijf vereiste moreel bestanddeel aanwezig is dan wel of de beklaagde louter humoristische bedoelingen had, rekening houdt met andere strafbare feiten waarvoor die beklaagde wordt vervolgd of met gelijkaardige gedragingen van andere personen die bij die feiten betrokken waren. Dit houdt geen miskenning in van de verplichting om de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de beklaagde individueel te beoordelen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde onderdeel 21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM: het arrest oordeelt dat de eiser I onvoldoende aannemelijk maakt dat de door hem gepubliceerde afbeelding een ludieke reactie was op berichtgeving; daardoor legt het arrest de bewijslast bij de eiser I, wat zijn vermoeden van onschuld miskent; de eiser I heeft in zijn appelsyntheseconclusie zeer concreet en specifiek verwezen naar de kwestieuze mediaberichtgeving, alsook naar de voorafgaande berichtgeving; het arrest ontmoet deze elementen niet; het arrest oordeelt dat sprake is van een kwaadwillige intentie bij de eiser I en een meer dan gewone sympathie voor het vroegere naziregime en verwijst daarvoor naar de vaststellingen met betrekking tot de twee laptops en de gsm van de eiser I; het arrest oordeelt dat de eiser I voor die vaststellingen geen redelijke verklaring geeft, terwijl de eiser I in zijn appelconclusie heeft aangevoerd dat de ene laptop sinds 2012 niet meer wordt gebruikt en de afbeeldingen op de andere laptop alleen in de prullenbak werden teruggevonden; door aldus de bewijslast om te draaien, miskent het arrest het vermoeden van onschuld van de eiser I. 22. De rechter miskent het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, zoals dit ook wordt gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM, niet indien hij oordeelt dat een beklaagde niet erin slaagt een door hem aangevoerde stelling aannemelijk te maken. De rechter is niet ertoe gehouden elke door een beklaagde aangevoerde stelling zonder meer voor waar aan te nemen. Dit houdt geen niet-toegelaten omkering van de bewijslast in. 23. Het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, zoals dit ook wordt gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM, verzet zich niet ertegen dat de rechter die vaststelt dat bepaalde elementen voor de schuldbeoordeling van een beklaagde bezwarend zijn, het door die beklaagde niet kunnen of willen geven van een redelijke verklaring voor die elementen mee in aanmerking neemt. 24. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 25. Het arrest (p. 79, vierde alinea) oordeelt dat de eiser I onvoldoende aannemelijk maakt dat de betwiste meme niet meer was dan een ludieke reactie op de mediaberichtgeving over Schild Vrienden. Daarmee beantwoordt en verwerpt het arrest het door de eiser I in zijn appelconclusie ingenomen standpunt, zonder dat het nader dient te antwoorden op de argumenten die de eiser I heeft aangevoerd tot staving van dit verweer, die evenwel geen afzonderlijk verweer vormen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 26. Het arrest (p. 80, eerste tot vierde en zesde alinea) verwijst naar een aantal vaststellingen die blijken uit het onderzoek van twee laptops van de eiser I. Het oordeelt dat de eiser I voor die vaststellingen geen redelijke verklaring geeft. Het voegt daaraan toe dat het verweer van de eiser I betreffende het sinds geruime tijd niet meer gebruiken van de ene laptop en het gegeven dat de op de andere laptop aangetroffen beelden in de prullenbak zaten, niet leidt tot een ander oordeel. Met deze redenen, waaruit geen miskenning van het vermoeden van onschuld kan worden afgeleid, beantwoordt en verwerpt het arrest het door het onderdeel bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 27. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbaar oordeel over de feiten door het arrest en is het niet ontvankelijk. Vierde middel 28. Het middel voert schending aan van artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek, thans artikel 6.5 Burgerlijk Wetboek: door te oordelen dat het voorwerp van de telastlegging B voor de diverse beklaagden verschillend is en vervolgens zonder enige vorm van individualisering in het algemeen te stellen dat de negationistische beelden die werden onthuld door de Pano-reportage schade hebben berokkend aan de verweerder I.1, zonder daarbij vast te stellen welke die berichten zouden zijn, is de beslissing over de burgerlijke vordering van de verweerder I.1 niet naar recht verantwoord; voor de eiser I verwijst het arrest enkel naar één afbeelding. 29. Het arrest oordeelt dat alle wegens eenzelfde misdrijf veroordeelde personen hoofdelijk gehouden zijn tot teruggave en schadevergoeding, wat ook de graad van deelneming van ieder van hen aan het gemeenschappelijk misdrijf is en ongeacht of er tussen hen een voorafgaande afspraak of eenheid van optreden was, zodat de eiser I samen met de andere eisers hoofdelijk wordt veroordeeld tot schadevergoeding. Het middel dat nalaat die reden in zijn kritiek te betrekken, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Middelen van de eiser II Eerste middel Eerste onderdeel 30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest verantwoordt de verwerping van de aanvoering van de eiser II betreffende de onraadpleegbaarheid van de overtuigingsstukken en het volledige dossier niet naar recht; het arrest oordeelt dat alle partijen de digitale overtuigingsstukken, zo ze dat wensten, konden raadplegen in de kantoren van de federale gerechtelijke politie en dat bijgevolg het recht van verdediging niet is miskend en de strafvordering niet onontvankelijk is; uit het verweer van de eiser V blijkt nochtans duidelijk dat de op de correctionele griffie van het hof van beroep aanwezige stukken niet integraal konden worden geraadpleegd en dat de ter beschikking gestelde kopie bij de diensten van de RCCU nog foutmeldingen vertoonde, zoals You Tube- en Discord-links die niet meer werkten aangezien de inhoud ervan niet meer ter beschikking was; er was ook het gebrek aan een inkijkbare forensische kopie. 31. Het arrest (p. 27-30, randnr. 4.4) heeft uitgebreid het door de eiser V ontwikkelde verweer betreffende het raadplegen van de overtuigingsstukken beantwoord en verworpen. Het oordeelt dat: - alle partijen en dus ook de eiser II de digitale overtuigingsstukken, zo ze dat wensten, konden controleren zodat zij op effectieve wijze tegenspraak erover konden voeren; - de partijen en dus ook de eiser II perfect hebben kunnen nagaan of de data, ter beschikking gesteld door de VRT, ook elementen à décharge bevatten; - het recht van verdediging van de beklaagden en dus ook van de eiser II niet werd miskend. Het onderdeel dat opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel, is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 32. Dit onderdeel heeft dezelfde strekking al het eerste middel van de eiser I en moet om de redenen vermeld in het antwoord op dat middel worden verworpen. Tweede middel 33. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest laat na niettegenstaande de eiser II daaromtrent een specifiek en concreet verweer heeft gevoerd, te motiveren waarom geen sprake is van een zeer zwaarwichtige overschrijding van de redelijke termijn; het arrest neemt nochtans aan dat de impact op de eiser II immens en bijzonder moet zijn geweest; aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord. 34. Het arrest (p. 50-51, randnr. 4.9) beoordeelt het redelijketermijnverweer van de eiser II. Het bepaalt het aanvangspunt van de redelijke termijn op 19 september 2018 en het stelt vast dat het dossier omvangrijk en vrij complex is, een beroep diende te worden gedaan op deskundigen en de procedure vertraging opliep doordat sommige partijen tussentijds bepaalde rechtsmiddelen hebben aangewend, ook al kunnen die niet aan alle beklaagden worden aangerekend. Het oordeelt op basis daarvan dat hoewel het procesverloop niettegenstaande die omstandigheden een vrij normaal verloop kende, zonder buitensporige vertragingen, het absolute tijdsverloop niet kan worden genegeerd, wat voor de eiser II een periode van ongeveer zes en een half jaar betekent. Het leidt uit dat tijdsverloop een zekere vorm van overschrijding van de redelijke termijn af. Het arrest oordeelt vervolgens dat die overschrijding niet dermate zwaarwichtig is dat enkel het verval van de strafvordering rechtsherstel kan bieden, waaraan wordt toegevoegd dat het zwaar doorwegen van de dreiging van de uitkomst van de vervolging op het psychologisch welzijn van de eiser II of de wijziging van zijn persoonlijke levenssituatie daaraan geen afbreuk doet. 35. De rechter oordeelt onaantastbaar of de overschrijding van de redelijke termijn zeer zwaarwichtig is. In zoverre het middel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel, is het niet ontvankelijk. 36. Met de vermelde redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het redelijketermijnverweer van de eiser II, zonder dat het dient te antwoorden op elk argument dat tot staving van dit verweer werd aangevoerd, zonder evenwel een afzonderlijk verweer te vormen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel 37. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de motiveringsplicht: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat de opschorting van de uitspraak van de veroordeling niet wordt toegekend omdat de opgelegde bestraffing niet op disproportionele wijze leidt tot de sociale declassering van de eiser II en evenmin een onevenredige belemmering vormt voor zijn sociale reclassering; het oordeelt anderzijds dat de zaak een belangrijke impact heeft gehad op de eiser II door de lange duur en de media-aandacht; bovendien leidt de veroordeling tot een gevangenisstraf voor dergelijke feiten en met een dergelijke mediaruchtbaarheid per definitie tot een sociale declassering; er is immers de impact op het strafregister en bijgevolg de mogelijkheid om zich met een blanco strafregister bij een werkgever aan te bieden. 38. Het arrest (p. 87, randnr. 10.3 en p. 88, randnr. 10.6) oordeelt niet zonder meer dat de veroordeling tot een gevangenisstraf voor de bewezenverklaarde feiten en de mediaruchtbaarheid niet leidt tot een sociale declassering, maar wel dat in het licht van de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de grote impact die ze hadden op de samenleving een dergelijke veroordeling niet op disproportionele wijze tot de sociale declassering van de eiser II leidt. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 39. Er is slechts sprake van een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek indien redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing elkaar opheffen en dus teniet doen. 40. Het is niet tegenstrijdig eensdeels te oordelen dat de strafvervolging een belangrijke impact heeft gehad op de eiser II door de lange duur en de media-aandacht en anderzijds te oordelen dat de opgelegde bestraffing in het licht van de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de impact ervan op de samenleving niet op disproportionele wijze leidt tot de sociale declassering van de eiser II of een onevenredige belemmering vormt voor zijn sociale reclassering. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 41. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het arrest kent aan een medebeklaagde de opschorting van de uitspraak van veroordeling toe om zijn professionele toekomst niet in het gedrang te brengen nu hij aannemelijk maakt dat hij inziet wat hij fout deed en rekening wordt gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn; de opschorting van de uitspraak van veroordeling wordt niet toegekend aan de eiser II terwijl ook voor hem wordt vastgesteld dat hij tot inkeer is gekomen, hij afstand heeft genomen van zijn verleden en de redelijke termijn is overschreden. 42. Het arrest (p 88, randnr. 10.6; p. 88-89, randnr. 10.7) betrekt bij de beslissing om aan de eiser II de opschorting van de uitspraak van veroordeling niet toe te kennen het gegeven dat hij moderator was. Dit gegeven geldt niet voor de andere beklaagde aan wie wel de maatregel van de opschorting werd verleend. Het oordeelt met betrekking tot die andere beklaagde dat een veroordeling zijn professionele toekomst in gevaar zou kunnen brengen daar hij werkzaam is onder het statuut van een stagecontract bij een buitenlands mediabedrijf met de mogelijkheid om een vast contract te krijgen na afloop van die stageperiode. Dit gegeven geldt niet voor de eiser II. Het onderdeel dat nalaat deze redenen in zijn kritiek te betrekken, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Middelen van de eiser III Eerste middel 43. Het middel heeft dezelfde strekking als het eerste middel van de eiser I en moet om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen. Tweede middel 44. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat aan de vereniging Schild Vrienden twee gezichten of identiteiten zijn, één openbare voor het grote publiek waar eigenlijk niets mis mee is in de zin dat er geen racistische strafbare gedragingen kunnen worden verweten en één die zich afspeelt in de besloten Facebook- en Discordgroepen, waar wel strafbare gedragingen worden gesteld; dit volstaat echter geenszins voor de vaststelling dat dit een strafbare vereniging is in de zin van artikel 22 Antiracismewet, waarvan de eiser III wetens en willens deel uitmaakt noch om te beslissen dat de eiser III zelf wetens en willens aanzet tot haat of geweld op grond van één of meerdere van de in de Antiracismewet opgesomde criteria; het arrest stelt enkel vast dat de eiser III deel uitmaakte van de Discordgroep, waar hij heel wat racistische berichten plaatste, hij ook deel uitmaakte van de door de eiser V aangemaakte Whatsappgroep Nachtshift en hij deelnam aan de door Schild en Vrienden georganiseerde zomeruniversiteit en dat hij op het formulier dat hij daar moest invullen aangaf zeer rechts te zijn; dat laatste volstaat niet om strafbaar te worden geacht te meer het arrest zelf aangeeft dat de activiteiten van het openbare gedeelte zoals de zomeruniversiteit niet als strafbaar kunnen worden beschouwd; het arrest preciseert niet om welke berichten het in randnr. 5.1.4 gaat; indien het randnummer 5.2.4 wordt bedoeld, kan daaruit niet worden afgeleid dat de eiser III intentioneel heeft aangezet tot haat of geweld; deze berichten moeten in hun context worden gelezen; het arrest verwijt de eiser III enkel strafbare feiten binnen de context van de besloten Discord- en Facebookgroepen, namelijk het tweede gezicht; alle activiteiten binnen de besloten groepen vallen onder het briefgeheim; het arrest neemt aan dat deze berichten geschriften zijn; er is dan ook niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 444 Strafwetboek; het andersluidend oordeel van het arrest is onjuist; er is bovendien niet voldaan aan de vereiste van het aanzetten tot haat of geweld; de schuldigverklaring van de eiser III aan de feiten omschreven onder de telastleggingen A, B, H en I is niet naar recht verantwoord. 45. Met de redenen die het arrest in het algemeen bevat betreffende de schuldbeoordeling aan de feiten omschreven onder de telastlegging I (arrest, p. 52-63, randnr. 5.2.1 tot en met 5.2.5) en specifiek betreffende de eiser III (arrest, p. 69, randnr. 5.2.11) stellen de appelrechters vast dat de eiser III wetens en willens deel heeft uitgemaakt van de vereniging als bedoeld door die strafbepaling en dat hij het strafbare karakter ervan kende en daarvan deel wenste uit te maken. De omstandigheid dat het arrest vaststelt dat de vereniging twee identiteiten of gezichten had, waarbij met één gezicht op zichzelf niets mis is, laat niet toe anders te oordelen. Dat ene gezicht moet volgens het arrest samen worden gezien met het in de afgeschermde Facebook- en Discordgroepen gehanteerde discours, de expliciet racistische berichten, het haatdragend taalgebruik in verband met vreemdelingen, het document in verband met de zomeruniversiteit, de lange periode waarin dit gebeurde en het grote aantal racistische berichten en spotprenten, die aantonen dat de vereniging in werkelijkheid de samenleving en de jongeren in het bijzonder aanzette tot haat en afkeer jegens vreemdelingen louter omwille van het feit dat ze niet Europees zijn of geen witte huidskleur hebben of tot een andere bevolkingsgroep behoren (arrest, p. 62). In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 46. De verwijzing in het randnr. 5.2.11 naar het randnr. 5.1.4 betreft een verschrijving. Uit de gehele lezing van het arrest blijkt dat niet randnr. 5.1.4 wordt bedoeld maar wel randnr. 5.2.4. Aldus verwijst het arrest naar de door de eiser III verstuurde berichten die door het arrest (p. 58) worden geciteerd. In zoverre berust het middel evenzeer op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 47. Aan de openbaarheidsvereiste van artikel 444 Strafwetboek is volgens het laatste lid van de bepaling voldaan wanneer de telastleggingen geschieden door geschriften, die niet openbaar gemaakt, aan verscheidene personen worden toegestuurd of meegedeeld. 48. Het versturen van een bericht binnen een afgeschermde of slechts beperkte toegankelijke groep van een communicatie of socialemediaplatform aan de leden van de groep, moet worden beschouwd als het versturen van een geschrift in de zin van artikel 444, laatste lid, Strafwetboek. Het betreft dan immers een geschrift dat weliswaar niet openbaar is gemaakt, maar toch aan verschillende personen wordt toegestuurd of medegedeeld. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 49. Het arrest (p. 63, randnr. 5.2.5; p 63, randnr. 5.2.5, p. 73, randnr. 6.7; p. 82, randnr. 7.6; p. 84, randnr. 8.4) stelt vast dat de Discordgroep minstens 163 leden telde, de Facebookgroep minstens 750 leden, en dat de berichten werden toegestuurd of meegedeeld aan verscheidene personen in de zin van artikel 444, laatste lid, Strafwetboek. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 50. Met het geheel van de redenen die het arrest in het algemeen bevat betreffende de schuldbeoordeling aan de feiten omschreven onder de telastlegging I (arrest, p. 52-63, randnr. 5.2.1 tot en met 5.2.5), de telastlegging A (arrest, p. 73, randnr. 6.6; p. 74, nr. 6.8), de telastlegging B (arrest, p. 74, 75, randnr. 7.1; p. 79-82, randnr. 7.5) en de telastlegging H (arrest, p. 82-85, randnr. 8.1-8.5) en specifiek betreffende de eiser III aangaande feiten omschreven onder de telastlegging I (arrest, p.69, randnr. 5.2.11), de telastlegging A (arrest, p. 72-73, randnr. 6.5), de telastlegging B (arrest, p. 79, randnr. 7.4) en de telastlegging H (arrest, p. 82, randnr. 8.2) verantwoordt het de schuldigverklaring van de eiser III aan de feiten omschreven onder de telastleggingen, A, B, H en I naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel 51. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 Negationismewet: het arrest laat na met betrekking tot de ene mop waarvoor de eiser III wordt vervolgd aan te geven op welke wijze dit een schromelijk minimaliseren van de Holocaust betreft; het arrest oordeelt weliswaar dat niet het louter minimaliseren zonder meer wordt bedoeld, maar wel het minimaliseren op zeer verregaande, erge, grove en beledigende manier, maar het laat na om dit in concreto te beoordelen met betrekking tot die ene mop. 52. Het onderdeel dat formeel een wetsschending aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 53. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM en artikel 14.1 IVBPR: het arrest verwijst voor de beoordeling van de intentie van de eiser III naar de gedragingen van derden, die volledig vreemd zijn aan de feiten voorwerp van de telastlegging B, en leidt hieruit het opzet bij de eiser III af; daardoor miskent het arrest de verplichting om de toerekening van het misdrijf te individualiseren. 54. De als geschonden aangevoerde verdragsbepalingen verzetten zich niet ertegen dat de rechter bij de beoordeling of een voor een misdrijf vereist moreel bestanddeel aanwezig is dan wel of de beklaagde louter humoristische bedoelingen had, rekening houdt met andere strafbare feiten waarvoor die beklaagde wordt vervolgd of met gelijkaardige gedragingen van andere personen die bij die feiten betrokken waren. Dit houdt geen miskenning in van de verplichting om de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de beklaagde individueel te beoordelen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vierde middel 55. Het middel voert schending aan van artikel4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek: aangezien de eiser III had moeten worden vrijgesproken voor de hem verweten feiten, hadden de vorderingen van de verweerders moeten worden afgewezen. 56. Het middel is afgeleid uit de door de eiser III vergeefs bekritiseerde schuldigverklaring aan de hem verweten feiten en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vijfde middel Eerste onderdeel 57. Het eerste onderdeel heeft dezelfde strekking als het vierde middel van de eiser I en moet om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen worden verworpen. Tweede onderdeel 58. Het onderdeel voert schending aan van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek: het arrest gaat voorbij aan de vereiste dat een burgerlijke partij een persoonlijk en rechtstreeks belang moet hebben; het loutere feit dat een persoon een bepaald doel nastreeft, doet het eigen belang om een rechtsvordering in te stellen niet ontstaan. 59. Het arrest grondt het oordeel over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de vordering van de verweerder III.1 niet op het gegeven dat hij een bepaald doel nastreeft, maar wel op de vaststelling dat hij vergoeding vordert voor door hem geleden schade. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel 60. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek, thans artikel 6.5 Burgerlijk Wetboek: het arrest laat na te motiveren waarom en op welke wijze de gedraging van de eiser III in rechtstreeks oorzakelijk verband staat met de door de verweerderIII.1 geleden schade; voor zover het arrest verwijst naar de Pano-reportage en het zich slecht voelen na het bekijken ervan, kan de morele schade die daardoor zou worden geleden onmogelijk aan de eiser III worden toegeschreven. 61. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het vierde middel van de eiser I moet het om de redenen vermeld in het antwoord op dat middel worden verworpen. 62. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van het oorzakelijk verband tussen de bewezenverklaarde feiten omschreven onder de telastlegging B en de door de verweerder III.1 geleden schade waarvoor hij vergoeding vordert. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Middelen van de eiser IV Eerste middel 63. Het middel heeft dezelfde strekking als het eerste middel van de eiser I en moet om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen. Tweede middel 64. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 22 Antiracismewet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging en de motiveringsplicht van de rechter: het arrest oordeelt met betrekking tot de feiten omschreven onder de telastlegging I dat er aan de vereniging Schild Vrienden twee identiteiten zijn, wat echter niet volstaat voor de vaststelling dat dit een strafbare vereniging is in de zin van artikel 22 Antiracismewet; het arrest moet aantonen dat de eiser IV wetens en willens deel uitmaakte van de strafbare identiteit van de vereniging, dit wil zeggen dat hij wist dat de vereniging die identiteit had en hij daarvan deel wenste uit te maken; het arrest stelt betreffende de eiser IV vast dat hij moderator zou zijn geweest van de afgeschermde Facebookgroep en hij hierdoor over de mogelijkheid beschikte om berichten van anderen te verwijderen, berichten van hem zijn teruggevonden in de afgeschermde Discordgroep, zij het dat het door hem in die groep geplaatste aantal berichten eerder beperkt was, hij daags na de Pano-reportage verschillende gesprekken heeft gevoerd met andere leden via Telegram en hij na de reportage was toegevoegd aan een chatgroep Nachtshift met de bedoeling om imagoschade te herstellen; die elementen volstaan niet om de eiser IV aan de feiten omschreven onder de telastlegging I schuldig te verklaren; het arrest verduidelijkt niet wat de rechten van de moderator inhouden, uit het strafdossier blijkt niet dat de eiser IV mogelijkheden had om teksten van derden te verwijderen; de eiser IV gedroeg zich ook niet als moderator en kan ook niet als zodanig worden beschouwd; op geen enkele wijze stelt het arrest vast dat de eiser IV als moderator handelde. 65. Met de redenen die het arrest in het algemeen bevat betreffende de schuldbeoordeling aan de feiten omschreven onder de telastlegging I (arrest, p. 52-63, randnr. 5.2.1 tot en met 5.2.5) en specifiek betreffende de eiser IV (arrest, p. 66-67, randnr. 5.2.8) stellen de appelrechters vast dat de eiser IV wetens en willens deel heeft uitgemaakt van de vereniging als bedoeld door die strafbepaling en dat hij het strafbare karakter ervan kende en daarvan deel wenste uit te maken. De omstandigheid dat het arrest vaststelt dat de vereniging twee identiteiten of gezichten had, waarbij met één gezicht op zichzelf niets mis is, laat niet toe anders te oordelen. Dat ene gezicht moet volgens het arrest samen worden gezien met het in de afgeschermde Facebook- en Discordgroepen gehanteerde discours, de expliciet racistische berichten, het haatdragend taalgebruik in verband met vreemdelingen, het document in verband met de zomeruniversiteit, de lange periode waarin dit gebeurde en het grote aantal racistische berichten en spotprenten, die aantonen dat de vereniging in werkelijkheid de samenleving en de jongeren in het bijzonder wilde aanzetten tot haat en afkeer jegens vreemdelingen louter omwille van het feit dat ze niet Europees zijn of geen witte huidskleur hebben of tot een andere bevolkingsgroep behoren (arrest, p. 62). In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 66. Het arrest (p. 66, randnr. 5.2.8) oordeelt dat de eiser IV moderator was van de afgeschermde Discordgroep en dat hij de bevoegdheid had om de berichten van anderen te verwijderen. In zoverre het middel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 67. Met de redenen die het arrest (p. 66, randnr. 5.28; p. 65, randnr. 5.2.7) betreffende de rol van een moderator bevat, beantwoordt dit het desbetreffende verweer van de eiser IV, zonder dat een nadere redengeving is vereist. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 68. Met het geheel van de redenen die het arrest in het algemeen bevat betreffende de schuldbeoordeling aan de feiten omschreven onder de telastlegging I (arrest, p. 52-63, randnr; 5.2.1 tot en met 5.2.5) en specifiek betreffende de eiser IV (arrest, p. 66-67, randnr. 5.2.8) verantwoordt het de schuldigverklaring van de eiser IV aan de feiten omschreven onder de telastlegging I naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel 69. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 Negationismewet: het arrest laat na met betrekking tot de ene mop waarvoor de eiser IV wordt vervolgd aan te geven op welke wijze dit het schromelijk minimaliseren van de Holocaust betreft; het arrest oordeelt weliswaar dat niet het louter minimaliseren zonder meer wordt bedoeld, maar wel het minimaliseren op een zeer verregaande, erge, grove en beledigende manier, maar het laat na om dit in concreto te beoordelen met betrekking tot die ene mop. 70. Het onderdeel dat formeel een wetsschending aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 71. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM en artikel 14.1 IVBPR: het arrest verwijst voor de beoordeling van de intentie van de eiser IV naar de gedragingen van derden, die volledig vreemd zijn aan de feiten voorwerp van de telastlegging B, en leidt hieruit het opzet bij de eiser IV af; daardoor miskent het arrest de verplichting om de toerekening van het misdrijf te individualiseren. 72. Het arrest (p. 56) citeert onder het randnr. 5.2.4 wel een bericht van de eiser IV. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 73. De als geschonden aangevoerde verdragsbepalingen verzetten zich niet ertegen dat de rechter bij de beoordeling of een voor een misdrijf vereiste moreel bestanddeel aanwezig is dan wel of de beklaagde louter humoristische bedoelingen had, rekening houdt met andere strafbare feiten waarvoor die beklaagde wordt vervolgd of met gelijkaardige gedragingen van andere personen die bij die feiten betrokken waren. Dit houdt geen miskenning in van de verplichting om de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de beklaagde individueel te beoordelen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Vierde middel 74. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 20, 3° en 4°, Antiracismewet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest hanteert een motivering waarbij wordt uitgegaan van loutere geenszins bewezen assumpties over de intentie van de eiser IV; op basis van de conversatie tussen de eiser IV en L. kon het arrest niet zonder meer oordelen over de intentie van de eiser IV noch oordelen dat de eiser IV zijn onschuld niet aannemelijk maakt. 75. Het middel dat formeel wetsschendingen aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest. Het middel is niet ontvankelijk. Vijfde middel 76. Het middel voert schending aan van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek: aangezien de eiser IV had moeten worden vrijgesproken voor de hem verweten feiten, had de vordering van de verweerder IV.1 moeten worden afgewezen. 77. Het middel is afgeleid uit de door de eiser IV vergeefs bekritiseerde schuldigverklaring aan de hem verweten feiten en is bijgevolg niet ontvankelijk. Zesde middel 78. Het middel heeft dezelfde strekking als het vierde middel van de eiser I en moet om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen. Middel van de eiser V Eerste en tweede onderdeel 79. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de motiveringsplicht: het arrest weert de door de eiser V op de rechtszitting van 1 april 2025 neergelegde conclusie die als uitsluitend voorwerp had een vordering om bij toepassing van artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering nieuwe conclusietermijnen te bepalen wegens de ontdekking van een nieuw en ter zake dienend feit, wegens laattijdigheid zonder evenwel te antwoorden op de daarin gestelde vordering en dus zonder te motiveren waarom geen sprake zou zijn van de ontdekking van een dergelijk feit dat nieuwe conclusietermijnen rechtvaardigt. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest weert de op 1 april 2025 neergelegde conclusie wegens laattijdigheid zonder rekening te houden met de in artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalde mogelijkheid om laattijdig neergelegde of meegedeelde conclusies alsnog in het debat te houden, mits de ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit en dus zonder te antwoorden op de door de eiser V in dat verband gestelde vordering; het verzoek om nieuwe conclusietermijnen wegens een nieuw en ter zake dienend stuk of feit is per definitie slechts mogelijk na afloop van de vastgelegde conclusiekalender. 80. Door de eiser V werd op de rechtszitting van 1 april 2025 een conclusie neergelegd met de vordering om toepassing te maken van artikel 152, § 2, tweede gedachtestreepje, Wetboek van Strafvordering, nieuwe conclusietermijnen vast te stellen en een nieuwe rechtsdag te bepalen. De eiser V wees ter staving van zijn verzoek samengevat naar de vordering om V.C. te horen als getuige op de rechtszitting, het gegeven dat door de verweerder V.1 nieuwe stukken werden meegedeeld, het gegeven dat het onmiddellijkheidsbeginsel vereist dat de overtuigingsstukken worden bekeken op de rechtszitting en het gegeven dat de verweerster V.3 chats zou hebben gevoerd die werden gedeeld in de gesloten Facebookgroep, maar die niet terug te vinden zouden zijn bij de overtuigingsstukken. 81. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 1 april 2025 blijkt dat de partijen werden gehoord over het verzoek om nieuwe conclusietermijnen en dat de appelrechters hebben beslist om het verzoek over het horen van de getuige V.C. en het bekijken van de overtuigingsstukken op de rechtszitting bij de grond van de zaak te voegen en wat betreft het aspect van de door de verweerder V.1 gevoegde nieuwe stukken, die niet van aard zijn dat ze op dat ogenblik nieuwe conclusietermijnen konden rechtvaardigen. 82. Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - de verweerder V.1. heeft op 28 maart 2025 zes stukken van beperkte omvang neergelegd, die hij op 20 maart 2025 reeds aan de beklaagden had bezorgd. De eiser V had net als de andere partijen, gelet op het feit dat de zaak pas op 1 april 2025 in beraad werd genomen, meer dan voldoende tijd om kennis te nemen van de inhoud van deze stukken. Op de rechtszitting van 1 april 2025 kregen alle beklaagden de mogelijkheid om uitvoerig te repliceren, de raadsman van de eiser V heeft zelfs twee keer gerepliceerd en de eiser V is zelf gedurende twee uur aan het woord geweest. De eiser V kreeg dus ruim de kans om standpunt in te nemen over deze stukken en zich daarop te verdedigen. Het recht van verdediging van de eiser V is op geen enkele manier miskend (arrest, p. 14-15, randnr. 1.4.2); - de eiser V heeft de overtuigingsstukken in leesbare vorm kunnen inkijken en raadplegen in de kantoren van de federale gerechtelijke politie op een daar ter beschikking gestelde computer. Alle partijen hebben de digitale overtuigingsstukken, zo zij dit wensten, kunnen controleren zodat ze op effectieve wijze tegenspraak erover konden voeren. Ze hebben perfect kunnen nagaan of de data ter beschikking gesteld door de VRT ook elementen à décharge bevatten. Het recht van verdediging van de beklaagden werd niet miskend. Ook voor het hof van beroep waren alle overtuigingsstukken tijdens het beraad consulteerbaar in leesbare vorm. Het hof van beroep heeft alle digitale stukken zelfstandig kunnen inkijken. Geen enkele wettelijke bepaling verbiedt dat de magistraten van het hof van beroep digitale overtuigingsstukken consulteren op eigen computermateriaal. Om al die redenen gaat het hof van beroep niet in op de vraag van de eiser V om samen met alle partijen in openbare rechtszitting de digitale overtuigingsstukken te bekijken (arrest, p. 27-30, randnr. 4.4.2); - V.C. is, anders dan door de eiser V wordt voorgehouden, geen getuige à décharge, aangezien de eiser V de betrokkene louter wil horen over de regelmatigheid van de procedure. Het is niet nodig om V.C. te horen. Het is niet uitgesloten dat V.C. de Facebook- en Discordgegevens zelf rechtstreeks, in meerdere keren, aan de VRT heeft bezorgd. Zelfs zo de makers van de Pano-reportage gebruik hebben gemaakt van de inloggegevens van V.C. om zich toegang te verschaffen tot de afgeschermde Facebook- en Discordgroepen, maakt de eiser V op geen enkele manier aannemelijk dat dit zonder medeweten of toestemming van V.C. gebeurde. Hij voert geen enkel concrete reden aan die wijst op het tegendeel. Zelfs zo de makers van de Pano-reportage gebruik hebben gemaakt van de inloggegevens van V.C. om zich toegang te verschaffen tot de afgeschermde Facebook- en Discordgroepen, dienen de aldus verkregen gegevens niet als bewijs te worden geweerd. Ook om die reden is het niet nodig V.C. te horen als getuige. 83. Daaruit volgt dat ondanks het oordeel door het arrest (p. 14, randnr. 1.4.1) dat de op 1 april 2025 door de eiser V ingediende conclusie wegens laattijdigheid wordt geweerd, het arrest de door de eiser V in zijn op 1 april 2025 neergelegde conclusie vermelde grondslagen voor zijn verzoek om nieuwe conclusietermijnen heeft beoordeeld, beantwoord en verworpen en zo bovendien te kennen heeft gegeven dat op dit verzoek niet diende te worden ingegaan. 84. De wering van de door de eiser V op 1 april 2025 ingediende conclusie kan de eiser V dan ook niet grieven. Het eerste en het tweede onderdeel zijn dan ook bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde onderdeel 85. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: door de op 1 april 2025 neergelegde conclusie uit het debat te weren wegens laattijdigheid, terwijl de eiser V in die conclusie om de toepassing van artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering verzocht, ontkent het arrest dat dit geschrift een dergelijke vordering bevat en miskent het de bewijskracht van die conclusie. 86. Met het oordeel dat een conclusie moet worden geweerd wegens laattijdigheid, spreekt het arrest zich niet uit over de inhoud van die conclusie en ontkent het bijgevolg niet dat die conclusie een vordering bevat om artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering toe te passen. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 87. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 696,90 euro, waarvan de eisers I, II, III en IV elk 111,66 euro zijn verschuldigd en de eiser V 250,26 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 13 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260113.2N.32 Gerelateerde publicatie(
  2. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.