← België

M. contra H.

Obsah (4)Art. 392Art. 398Art. 399Art. 400

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 392

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 398

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 399

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 400- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.

100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048

Art. 392

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 398

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 399

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 400- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN.

DODEN - OPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN OPZETTELIJK DODEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048

Art. 392

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 398

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 399

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 400

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048

Art. 392

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 398

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 399

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 400

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048

Art. 392

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 398

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 399

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 400- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.1063.N I. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 122, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen J. H., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 25 juni

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 149 Grondwet.
  2. Het arrest (p. 17-18, p. 19 en p. 20) verklaart de eiser schuldig aan de feiten omschreven onder de telastlegging A1 als een inbreuk op de artikelen 392, 398 en 400, eerste lid, Strafwetboek en aan de feiten omschreven onder de telastleggingen A2 en A3 als een inbreuk op de artikelen 392, 398 en 399, eerste lid, Strafwetboek. Daaruit volgt dat het arrest aanneemt dat de onder deze telastleggingen omschreven feiten hebben geleid tot een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden (A1) en een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van minder dan vier maanden (A2 en A3).
  3. Het arrest (p. 23-24) beslist voor wat betreft de beoordeling van de burgerlijke vordering tot de aanstelling van een geneesheer-deskundige en motiveert die beslissing onder meer als volgt: - het is niet nodig om de opdracht van de deskundige te beperken, naargelang de ernst en de gevolgen van de feiten afzonderlijk. Krachtens de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek is degene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, immers verplicht deze integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde wordt teruggeplaatst in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de daad waarover hij zich beklaagt, niet was gesteld; - nu alle bewezenverklaarde feiten door de eiser zijn gepleegd en alle daaruit voortvloeiende schade derhalve door hem werd veroorzaakt, komt het er in deze zaak op aan om het slachtoffer terug te plaatsen in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien geen van de bewezen verklaarde feiten waren gepleegd, hetgeen een vergelijking impliceert met de toestand van het slachtoffer voor het eerst gepleegde feit, schade die in concreto moet worden bepaald.
  4. Aan de deskundige wordt in de opdracht onder meer het volgende gevraagd: “de volledige en gedeeltelijke ongeschiktheid om eender welke bezigheid uit te oefenen te beschrijven, evenals de weerslag ervan op de verschillende levenssferen van de onderzochte, en te bepalen of deze ongeschiktheid een economische, huishoudelijke of persoonlijke ongeschiktheid betreft, alsmede de duur en graden ervan te bepalen”.
  5. Uit de wijze waarop de deskundigenopdracht wordt gemotiveerd en omschreven volgt dat de appelrechters niet uitsluiten dat de onder de telastleggingen A1, A2 en A3 omschreven feiten niet hebben geleid tot een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden (A1) en een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van minder dan vier maanden (A2 en A3). Er bestaat dan ook een tegenstrijdigheid tussen de bewezenverklaring van de feiten onder de telastleggingen A1, A2 en A3 en de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering. Omvang van de cassatie
  6. Deze tegenstrijdigheid leidt tot de vernietiging van de bewezenverklaring van de feiten omschreven onder de telastleggingen A1, A2 en A3, de aan de eiser opgelegde bestraffing voor alle bewezenverklaarde feiten met inbegrip van de veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds, alsook van de beslissing over de burgerlijke vordering en dit ongeacht dat die beslissing geen eindbeslissing is in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering of een beslissing als bedoeld door het tweede lid van die bepaling. De overige beslissingen van het arrest blijven onaangetast. Middel
  7. Gelet op de vernietiging op het ambtshalve middel, behoeft het door de eiser aangevoerde middel, dat niet kan leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit de eiser schuldig verklaart aan de feiten omschreven onder de telastlegging A1, A2 en A3, de eiser veroordeelt tot straf voor alle bewezenverklaarde feiten, de eiser veroordeelt tot de betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds en oordeelt over de burgerlijke vordering van de verweerder. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot betaling van een vijfde van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 665,50 euro, waarvan 241,78 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 13 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260113.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.