← België

C. contra DE LOODS vzw

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260115.1N.1 Rolnummer: C.24.0013.N Zaak: C. contra DE LOODS vzw Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-02-10 Raadplegingen: 769 - laatst gezien 2026-06-18 11:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260115.1N.1 Fiche 1 Om het bestaan vast te stellen van een kennelijke inbreuk of een ernstige dreiging voor een inbreuk moet de rechter niet alleen nagaan of de inbreuk op wetsbepalingen betreffende de bescherming van het milieu of de dreiging ervoor met voldoende zekerheid vaststaat, maar moet hij tevens de gevolgen van die inbreuk op het milieu in aanmerking nemen; een kennelijke inbreuk of een ernstige dreiging voor een inbreuk ligt aldus niet voor als de inbreuk geen belangrijke schadelijke effecten heeft of zal hebben op het collectieve leefmilieu; loutere vaststellingen in verband met de wettigheid van een vergunning volstaan hiertoe niet. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Wettelijke bepalingen: Wet 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu - 12-01-1993 - Art. 1 - 36 ELI link Pub nr 1993022029 Wet 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu - 12-01-1993 - Art. 3 - 36 ELI link Pub nr 1993022029 Fiche 2 De gemeente, als materiële procespartij, kan slechts in de loop van het rechtsgeding op ontvankelijke wijze een vordering instellen tegen een inwoner die in het rechtsgeding enkel als formele procespartij namens haar in rechte optreedt, nadat ze deze inwoner als materiële procespartij in gedwongen tussenkomst heeft gedagvaard. Thesaurus CAS: GEMEENTE Wettelijke bepalingen: Gemeentedecreet 15 juli 2005 - 15-07-2005 - Art. 194, eerste lid - 51 ELI link Pub nr 2005036063 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0013.N G.C., eiser, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiser woonplaats kiest, tegen 1. DE LOODS vzw, met zetel te 8958 Heuvelland, Godtschalckstraat 3, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0419.258.942, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest, 2. STAD POPERINGE, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met kantoor te 8970 Poperinge, Grote Markt 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.751.837, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 22 september 2023. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 12 december 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, hierna Wet Milieustakingsvordering, bepaalt dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg het bestaan vaststelt van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling, die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu. 2. Om het bestaan vast te stellen van een kennelijke inbreuk of een ernstige dreiging voor een inbreuk zoals bedoeld in voormeld artikel 1, eerste lid, moet de rechter niet alleen nagaan of de inbreuk op wetsbepalingen betreffende de bescherming van het milieu of de dreiging ervoor met voldoende zekerheid vaststaat, maar moet hij tevens de gevolgen van die inbreuk op het milieu in aanmerking nemen. Een kennelijke inbreuk of een ernstige dreiging voor een inbreuk ligt aldus niet voor als de inbreuk geen belangrijke schadelijke effecten heeft of zal hebben op het collectieve leefmilieu. Loutere vaststellingen in verband met de wettigheid van een vergunning volstaan hiertoe niet. 3. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de vordering van de eiser een milieustakingsvordering is, gesteund op de artikelen 1 tot 3 Wet Milieustakingsvordering iuncto artikel 194, eerste lid, Gemeentedecreet; - de aanname dat ook de regels van stedenbouw kunnen vallen onder de regelgeving die bedoeld wordt onder artikel 1 Wet Milieustakingsvordering en de gemeente steeds collectief belang erbij heeft dat deze regels op haar grondgebied worden nageleefd, niet volstaat om aan te nemen dat een inwoner in essentie opkomt voor het algemeen belang wanneer hij (inzonderheid teneinde een verleende vergunning als onwettig te horen kwalificeren, zodat daar geen rechtsgevolgen aan zouden kunnen worden gekoppeld) zich op de schending van dergelijke regels en/of van regels van openbare orde beroept; - de eiser in onderhavig concreet geval in essentie een louter particulier belang nastreeft; - hij zich als eigenaar van een woning geconfronteerd ziet met de intentie van de eerste verweerster om op een naburig perceel een instelling voor bijzondere jeugdzorg te bouwen, waarvan hij kennelijk vreest als nabuur nadelige gevolgen te zullen ondervinden; - hij naar aanleiding van de vergunningsaanvraag een bezwaarschrift indiende en, nadat de vergunning was verleend, geen administratief beroep daartegen instelde; - hij kennelijk vanuit zijn persoonlijk belang via onderhavige milieustakingsvordering alsnog poogt de bouw en komst van deze instelling te verhinderen; - hij zowel in de dagvaarding als in de ingebrekestelling van 22 juni 2021, die voorafgaandelijk aan de dagvaarding aan de gemeente werd gericht, uiteenzet dat de bouw van de instelling voor hem bijzonder nadelige gevolgen zal hebben; - waar in de ingebrekestelling gewag wordt gemaakt van strijdigheid van het project met de bepalingen van het RUP Sint-Janskerk en met “de goede ruimtelijke ordening” omwille van de bouwdichtheid, omvang, samenstelling en/of aard van het project, dit wordt onderbouwd en in de verf gezet vanuit de bekommernis voor de impact van het project op het naburige perceel van de eiser; - het feit dat in de tekst van de ingebrekestelling en van de dagvaarding, alsook in verdere conclusies ook meer algemeen wordt verwezen naar de aanwezigheid in de onmiddellijke omgeving van “alleenstaande villa’s op ruimere percelen” en/of naar de visuele impact van het project op het uitzicht “voor de omwonenden”, geen afbreuk doet aan de vaststelling dat in essentie opgekomen wordt voor de eigen subjectieve rechten die de eiser als eigenaar van een naburig perceel meent te hebben; - daaraan evenmin afbreuk doet het feit dat de eiser, teneinde de onwettigheid van de omgevingsvergunning te onderbouwen, nog het volgende inroept: een onvolledigheid in het project-m.e.r.-screeningsnota, die er zou in bestaan dat daarin geen “woongebied” als “kwetsbare functie” werd vermeld, de (volgens de eiser te verwachten) negatieve impact van het project op de waterhuishouding (dit overigens in tegenspraak met het gunstig advies van de VMM dienaangaande) en het feit dat de mobiliteitsimpact “in vraag dient te worden gesteld”; - het overigens eerder vaag en weinig of niet gesubstantieerd inroepen daarvan, erop gericht aan de omgevingsvergunning geen rechtsgevolg te horen verlenen, niet volstaat om aan te nemen dat de eiser in essentie vanuit het algemeen belang ageert; - het bezwaarschrift van de eiser het enige was dat werd ingediend en vergezeld was van een verklaring, ondertekend door 56 personen (waarvan er trouwens enkelen niet in de buurt van het betrokken perceel woonden of zelfs niet in de gemeente woonachtig waren), waarmee deze personen te kennen gaven “akkoord te gaan met het bezwaarschrift” (dat door de eiser werd opgemaakt, ondertekend en ingediend), zodat kan worden aangenomen dat zij zich dat bezwaarschrift eigen hebben gemaakt; - geen van hen na het verlenen van de vergunning (waarin de bezwaren werden ontmoet) enig initiatief nam om (inzonderheid bij wijze van administratief beroep, laat staan bij wijze van een, al of niet gezamenlijk ingestelde, milieustakingsvordering) daartegen op te komen, wat naar het oordeel van het hof van beroep onderstreept dat de eiser in deze een eigen belang nastreeft; - zelfs in het geval dat het feit dat de eiser een vordering instelde op grond van de artikelen 1 tot 3 Wet Milieustakingsvordering iuncto artikel 194 Gemeentedecreet gelijk zou staan met zijn belang daartoe, dan nog om deze redenen (ontstentenis van voldoende collectief handelen) niettemin zijn vordering nog steeds af te wijzen is als ongegrond. 4. Met deze redenen geven de appelrechters te kennen dat de aangevoerde inbreuk op wetsbepalingen betreffende de bescherming van het milieu geen kennelijke inbreuk of ernstige dreiging voor een inbreuk vormt omdat de aangevoerde inbreuk geen belangrijke schadelijke effecten heeft op het collectieve leefmilieu, en verantwoorden ze hun beslissing dat de milieustakingsvordering van de eiser ongegrond is naar recht. In zoverre het middel gericht is tegen de beslissing dat de stakingsvordering ongegrond is, kan het niet worden aangenomen. 5. In zoverre het middel gericht is tegen de beslissing van de appelrechters dat de stakingsvordering niet ontvankelijk is, kan het niet tot cassatie leiden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 6. De appelrechters die met de redenen vermeld in r.o. 3 oordelen dat de stakingsvordering van de eiser ongegrond is, dienden niet te antwoorden op de middelen van de eiser met betrekking tot de onwettigheid van de vergunning van de eerste verweerster omdat die, gelet op hun beslissing, niet meer ter zake dienend waren. In zoverre het middel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, kan het niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel 7. Artikel 194, eerste lid, Gemeentedecreet bepaalt dat, indien het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad nalaten in rechte op te treden, een of meer inwoners in rechte kunnen optreden namens de gemeente, mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken. Krachtens deze bepaling kunnen een of meer inwoners onder bepaalde voorwaarden in rechte optreden als formele procespartij in naam en voor rekening van de gemeente als materiële procespartij, gelet op het stilzitten van haar organen. 8. Artikel 13 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een tussenvordering iedere vordering is die in de loop van het rechtsgeding wordt ingesteld en ertoe strekt, hetzij de oorspronkelijke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen de partijen in te stellen, hetzij personen die nog niet in het geding zijn geroepen, erin te betrekken. Artikel 813, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een gedwongen tussenkomst bij dagvaarding geschiedt. Tussen de partijen in het geding kan zij worden aangebracht bij gewone conclusies. 9. Uit het geheel van deze wetsbepalingen volgt dat de gemeente, als materiële procespartij, in de loop van het rechtsgeding, slechts op ontvankelijke wijze een vordering kan instellen tegen een inwoner die in het rechtsgeding enkel als formele procespartij namens haar in rechte optreedt, nadat ze deze inwoner als materiële procespartij in gedwongen tussenkomst heeft gedagvaard. 10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht kan slaan, blijkt dat: - de tweede verweerster zich voor de eerste rechter in haar conclusie tegen de eiser heeft gericht met een vordering wegens tergend en roekeloos geding en een verzoek tot verhoogde rechtsplegingsvergoeding; - de eerste rechter de vordering wegens tergend en roekeloos geding heeft afgewezen en de eiser heeft veroordeeld om het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding aan de tweede verweerster te betalen. 11. De appelrechters die het beroepen vonnis bevestigen wat betreft de veroordeling van de eiser tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de tweede verweerster en de eiser veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de tweede verweerster voor wat het hoger beroep betreft, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven 12. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Cassatie zonder verwijzing 13. Krachtens artikel 1109/1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, kan het Hof, indien het een andere beslissing dan een bevoegdheidsbeslissing vernietigt, een cassatie zonder verwijzing uitspreken, behalve indien er aanleiding toe bestaat de zaak terug te verwijzen overeenkomstig artikel 1110. 14. De beslissing van de appelrechters wordt vernietigd in zoverre zij oordelen over de rechtsplegingsvergoeding in de procesverhouding tussen de eiser en de tweede verweerster, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Ingevolge de vernietiging van deze veroordeling rest niets meer te oordelen, zodat er geen aanleiding is tot verwijzing. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit oordeelt over de rechtsplegingsvergoeding in de procesverhouding tussen de eiser en de tweede verweerster, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Zegt dat er geen aanleiding is tot verwijzing. Veroordeelt de verweerders tot de helft van de kosten en laat de andere de helft ten laste van de eiser. Bepaalt de kosten voor de eiser op 733,73 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, sectievoorzitter Bart Wylleman, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 15 januari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260115.1N.1 Gerelateerde publicatie(
  2. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260115.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.