← België

EXSAN nv contra CMA CGM

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 3.1 Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 4.1, b) Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 4.2 Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 4.4 Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 5

.1 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19800619-30 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 4, eerste, tweede en vierde lid - 30 Link Justel databank 19800619-30 Thesaurus CAS: COMMISSIE Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 3.1 Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 4.1, b) Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 4.2 Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 4.4 Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 5

.1 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19800619-30 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 4, eerste, tweede en vierde lid - 30 Link Justel databank 19800619-30 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 3.1 Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 4.1, b) Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 4.2 Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 4.4 Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 5

.1 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19800619-30 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 4, eerste, tweede en vierde lid - 30 Link Justel databank 19800619-30 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 3.1 Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 4.1, b) Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 4.2 Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 4.4 Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 5

.1 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19800619-30 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 4, eerste, tweede en vierde lid - 30 Link Justel databank 19800619-30 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0475.N EXSAN nv, met zetel te 2960 Brecht, Zagerijstraat 17, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0866.987.780, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen CMA CGM sa, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 13235 Marseille (Frankrijk), 2de Arrondissement Cedex 02, Boulevard Jacques Saade 1, Quai d’Arenc 4, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 20 juni

  1. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft op 3 december 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN
  2. Uit het bestreden arrest blijken de volgende relevante feitelijke gegevens: - twee Belgische vennootschappen, Cool Creation bv en Malu nv, deden een beroep op de eiseres, een Belgische vennootschap, voor het verschepen/verzenden, dan wel – wat wordt betwist – het laten vervoeren van containers vanuit China naar Europa; - de eiseres sloot op 5 januari 2021 met de verweerster en CMA CGM Belgium nv, of met een van beide, een overeenkomst betreffende de verscheping van dergelijke containers; - tariefafspraken zijn gemaakt met betrekking tot alle verschepingen in de periode van 15 januari 2021 tot en met 31 december 2021 vanuit China naar de havens van Antwerpen, Zeebrugge en Rotterdam; - de eiseres heeft eind januari 2021 de verweerster en CMA CGM Belgium nv in gebreke gesteld om de nodige TEU per week te vervoeren; - nadat de achterstand was ingelopen, is een nieuwe achterstand opgebouwd; - volgens Cool Creation bv en Malu nv stonden hierdoor ten tijde van de dagvaarding goederen met een waarde van minstens ongeveer 3.000.000 euro klaar bij fabrikanten in China, die niet verzonden konden worden, met een evident risico op annuleringen, verlies van klanten en leveranciers, winstderving, etc., voor bijzonder grote bedragen; - er moesten volgens Cool Creation bv 182 TEU en volgens Malu nv 58 TEU dringend worden verzonden; - Cool Creation bv en Malu nv dagvaardden op 11 juni 2021 de eiseres en CMA CGM Belgium nv voor de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen; - de eiseres dagvaardde op 18 juni 2021 de verweerster in gedwongen tussenkomst voor deze rechtbank; - Cool Creation bv en Malu nv vorderden de veroordeling van de eiseres, CMA CGM Belgium nv en de verweerster, hoofdelijk en ondeelbaar, minstens van één van hen, tot uitvoering in natura van de op 5 januari 2021 met hen gesloten overeenkomst, en dit door het verzorgen van het transport van de containers in hun opdracht, waarbij zij

(1)de achterstand zouden inlopen ten belope van minstens 240 TEU, te vervoeren aan de op 5 januari 2021 per e-mail afgesproken tarieven en condities, binnen de 8 dagen na betekening van het te wijzen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 euro per container en per dag vertraging en
(2)de overeenkomst verder zouden uitvoeren door in de periode tot 31 december 2021 minstens 20 TEU per week aan containers voor hen te vervoeren aan de op 5 januari 2021 per e-mail afgesproken tarieven en condities, onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 euro per container en per dag vertraging; - zij vorderden verder de veroordeling van de eiseres, CMA CGM Belgium nv en de verweerster, hoofdelijk en ondeelbaar, minstens één van hen, tot het betalen van een schadevergoeding, voorlopig bepaald op 1 euro provisioneel, te vermeerderen met de vergoedende interest en met de gerechtskosten; - de eiseres concludeerde tot afwijzing van deze eis, met veroordeling van Cool Creation bv en Malu nv tot de kosten, alsook de toewijzing van haar vordering in gedwongen tussenkomst van de verweerster; - de eiseres stelde eveneens een rechtstreekse vordering in tegen de verweerster. 2. De ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen, verklaarde bij vonnis van 15 september 2021 de vordering van Cool Creation bv en Malu nv tegen de eiseres en CMA CGM Belgium nv ongegrond en de vrijwaringsvordering van de eiseres tegen de verweerster zonder voorwerp. De rechtstreekse vordering van de eiseres tegen de verweerster werd gegrond verklaard. De ondernemingsrechtbank: - zegde voor recht dat de verweerster gehouden is “het thans achterstaande aantal TEU op grond van het contract met [de eiseres] voor rekening van COOL CREATION en MALU in te lopen en deze te vervoeren vanuit Chinese havens naar Antwerpen, Zeebrugge en/of Rotterdam aan de overeengekomen tarieven en dit voor 31 december 2021 onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per container en per dag vertraging”; - zegde bovendien voor recht dat de verweerster gehouden is om de overeenkomst uit te voeren door in de periode tot 31 december 2021 bovenop het achterstaande aantal TEU in principe wekelijks 20 TEU te vervoeren aan de overeengekomen tarieven, waarbij een eventuele achterstand die in deze periode zou optreden diende te zijn weggewerkt op uiterlijk 1 maart 2022, onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro per container en per dag vertraging na die datum; - nam akte van de vordering van de eiseres tot veroordeling van de verweerster tot vergoeding van alle schade die zij en/of Cool Creation bv en/of Malu nv lijden of zouden lijden en verzond die vordering naar de rol. 3. Bij exploot betekend op 22 december 2021 stelde de verweerster hoger beroep in. Zij vorderde: - te zeggen voor recht dat de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen niet bevoegd was om van de vordering van de eiseres kennis te nemen; - ondergeschikt te zeggen voor recht dat de vordering van de eiseres die ertoe strekt de uitvoering in natura te verkrijgen van de zogenaamde overeenkomst tot het vervoeren van een vast volume van 20 TEU per week onder verbeurte van een dwangsom, ongegrond is; - alleszins te zeggen voor recht dat het hof van beroep geen rechtsmacht noch bevoegdheid heeft om kennis te nemen van de vordering van de eiseres die ertoe strekt de verweerster te veroordelen tot vergoeding van alle schade die zij en/of Cool Creation bv en/of Malu nv zouden lijden en die door de eerste rechter naar de rol werd verzonden; - minstens de intregrale afwijzing van die eis. De eiseres vorderde het door de verweerster ingestelde hoofdberoep onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren. In haar incidenteel beroep vorderde ze te zeggen voor recht dat de verweerster geen ‘slag om de arm’ heeft bedongen en dat de voorwaarde van beschikbaarheid van ruimte en uitrusting geen deel uitmaakt van het (raam)contract met de eiseres, minstens dat het vervuld zijn van deze voorwaarde niet is bewezen. Zij vorderde verder de veroordeling van de verweerster tot betaling aan haar van het bedrag van enerzijds 1.737.495,88 USD in hoofdsom en 19.563,40 euro in hoofdsom en anderzijds 1.118.694,47 USD in hoofdsom en 18.000 euro in hoofdsom, bedragen te vermeerderen of te verminderen in de loop van het geding en alleszins te vermeerderen met de interest vanaf 11 juni 2021. 4. In het bestreden arrest van 20 juni 2024 verklaart het hof van beroep te Antwerpen het hoger beroep toelaatbaar. De appelrechters verklaren zich internationaal bevoegd om van de vordering van de eiseres tegen de verweerster kennis te nemen. Omtrent de vraag naar het recht toepasselijk op de raamovereenkomst tussen de verweerster en de eiseres, oordelen de appelrechters vooreerst dat geen rechtskeuze voorligt in de zin van artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, hierna Rome I-Verordening. Over het toepasselijke recht bij gebrek aan een rechtskeuze merkt het hof van beroep de onenigheid van de partijen op: “[De verweerster] steunt zich echter ook op artikel 4 Rome I-Verordening. Volgens die bepaling wordt de overeenkomst inzake dienstverlening immers beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft, of, indien de overeenkomst niet kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst inzake dienstverlening, door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. De dienstverlener dan wel de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, is immers niemand minder dan de Franse [verweerster], met maatschappelijke zetel in Marseille. [De eiseres] werpt van haar kant op dat de raamovereenkomst als een vervoerovereenkomst in de zin van artikel 5 van de Verordening beschouwd zou moeten worden”. Het hof van beroep oordeelt dat: “uit de stukken […] overduidelijk [blijkt] dat de kaderovereenkomst betrekking had op transporten van China naar België en naar Nederland, zodat de kaderovereenkomst niet aangemerkt kan worden als een vervoerovereenkomst op zich in de zin van artikel 5.1 Rome I-Verordening. De techniek van artikel 5 kan immers niet toegepast worden op een kaderovereenkomst naar bestemmingen in verschillende landen. In die omstandigheden dient hoe dan ook teruggegrepen te worden naar de regeling van artikel 4, waarbij zowel artikel 4.1.
  1. b)als artikel 4.2 Rome I-Verordening leiden tot de toepasselijkheid van het Franse recht, nu de [verweerster] de bedongen diensten als de kenmerkende prestatie diende te verlenen”. III. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift volgend middel aan: Geschonden wetsbepalingen De artikelen 4 en 5 van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna, “Rome I-Verordening”); Het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter ertoe gehouden is om het geschil te beslechten volgens de erop van toepassing zijnde rechtsregels. Aangevochten beslissing De appelrechters oordelen dat de kaderovereenkomst niet als een vervoersovereenkomst in de zin van artikel 5 Rome I-Verordening kan worden beschouwd. Vervolgens stellen de appelrechters vast dat het Frans recht van toepassing is overeenkomstig artikel 4 Rome I-Verordening, op grond van volgende overwegingen: “[Verweerster] steunt zich echter ook op art. 4 Rome I-Verordening. Volgens die bepaling wordt de overeenkomst inzake dienstverlening immers beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft, of, indien de overeenkomst niet kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst inzake dienstverlening, door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. De dienstverlener dan wel de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, is immers niemand minder dan [verweerster], met maatschappelijke zetel in Marseille. [Eiseres] werpt van haar kant op dat de raamovereenkomst als een vervoerovereenkomst in de zin van art. 5 van de Verordening beschouwd zou moeten worden. Uit de stukken blijkt overduidelijk dat de kaderovereenkomst betrekking had op transporten van China naar België en naar Nederland, zodat de kaderovereenkomst niet aangemerkt kan worden als een vervoerovereenkomst op zich in de zin van art. 5.1 Rome I-Verordening. De techniek van art. 5 kan immers niet toegepast worden op een kaderovereenkomst naar bestemmingen in verschillende landen. In die omstandigheden dient hoe dan ook teruggegrepen te worden naar de regeling van art. 4, waarbij zowel art. 4.1.
  2. b)als art. 4.2 Rome I-Verordening leiden tot de toepasselijkheid van het Franse recht, nu [verweerster] de bedongen diensten als de kenmerkende prestatie diende te verlenen.” (Bestreden arrest, blz. 10-11) Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 5.1 Rome I-Verordening wordt, indien de partijen voor de overeenkomst voor het vervoer van goederen geen rechtskeuze overeenkomstig artikel 3 hebben gemaakt, de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de vervoerder zijn gewone verblijfplaats heeft, mits de plaats van ontvangst of de plaats van aflevering of de gewone verblijfplaats van de verzender ook in dat land is gelegen. Indien niet aan deze voorwaarden is voldaan, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de plaats van aflevering, als door de partijen overeengekomen, is gelegen. Het begrip ‘vervoersovereenkomst’ is een autonoom begrip. De invulling staat aldus los van nationaalrechtelijke bepalingen. Een overeenkomst tot goederenvervoer is elke overeenkomst die hoofdzakelijk het goederenvervoer betreft. Bijgevolg vallen ook kaderovereenkomsten die hoofdzakelijk tot voorwerp het vervoer van goederen hebben onder het toepassingsgebied van artikel 5.1 Rome I-Verordening. In dergelijk geval wordt het toepasselijk recht bepaald aan de hand van het land waar de voornaamste plaats van aflevering gelegen is. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat de overeenkomst met verweerster betrekking had op het vervoer/transport van goederen (bestreden arrest, blz. 3 en 10). Dit wordt overigens als zodanig ook niet betwist tussen partijen. Verweerster kwalificeert zich in conclusie zelf als ‘vervoerder’ (bv. derde en aanvullende syntheseberoepsconclusie voor verweerster, blz. 7, 10 en 16). Ook de appelrechters wijzen verweerster aan als de ‘vervoerder’ (bestreden arrest, blz. 11). De appelrechters overwegen dat uit de stukken overduidelijk blijkt dat de kaderovereenkomst betrekking had op transporten van China naar België en naar Nederland. Zij oordelen dat de kaderovereenkomst niet aangemerkt kan worden als een vervoersovereenkomst op zich in de zin van artikel 5.1 Rome I-Verordening. De techniek van artikel 5 kan volgens de appelrechters immers niet toegepast worden op een kaderovereenkomst naar bestemmingen in verschillende landen De appelrechters die vaststellen dat uit de stukken overduidelijk blijkt dat de kaderovereenkomst betrekking had op transporten van China naar België en naar Nederland, doch oordelen dat een kaderovereenkomst niet aangemerkt kan worden als een vervoersovereenkomst in de zin van artikel 5.1 Rome I-Verordening, zodat het toepasselijk recht bepaald moet worden aan de hand van artikel 4 Rome I-Verordening, miskennen het begrip ‘vervoersovereenkomst’ en verantwoorden hun beslissing derhalve niet naar recht (schending van artikel 5.1 Rome I-Verordening). Tweede onderdeel De rechter is ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. Hij heeft de plicht ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen. Dit houdt niet in dat de rechter gehouden is alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke, doch niet-aangevoerde rechtsgronden op hun toepasselijkheid te onderzoeken, doch enkel dat hij, mits eerbiediging van het recht van verdediging, de toepasselijkheid dient te onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsgronden die zich door de feiten zoals zij in het bijzonder worden aangevoerd, onmiskenbaar aan hem opdringen. Overeenkomstig artikel 4.3 Rome I-Verordening is, indien uit alle omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan het in lid 1 of lid 2 bedoelde land, het recht van dat andere land van toepassing. De appelrechters oordelen dat er geen sprake is van een rechtskeuze voor het Frans recht in de zin van artikel 3 Rome I-Verordening (bestreden arrest, blz. 9). Vervolgens stellen zij vast dat een kaderovereenkomst niet aangemerkt kan worden als een vervoersovereenkomst in de zin van artikel 5.1 Rome I-Verordening (bestreden arrest, blz. 10). Zij oordelen dat in die omstandigheden dient te worden teruggegrepen naar de regeling van artikel 4, waarbij zowel artikel 4.1.
  3. b)als artikel 4.2 Rome I-Verordening leiden tot de toepasselijkheid van het Franse recht, nu verweerster de bedongen diensten als de kenmerkende prestatie diende te verlenen (bestreden arrest, blz. 10). Eiseres betwistte in conclusie dat er sprake was van een rechtskeuze voor het Frans recht (vijfde en tevens syntheseberoepsconclusie na tussenarrest namens eiseres, blz. 16). Eiseres voerde daarentegen aan dat het Belgische recht van toepassing was. Eiseres benadrukte dat de plaats van aflevering Antwerpen, België was en dat ook de benaming van de overeenkomst verwees naar Antwerpen. De plaats van aflevering van de overeenkomst is (hoofdzakelijk) Antwerpen met als gevolg dat het Belgische recht het toepasselijke recht is (vijfde en tevens syntheseberoepsconclusie na tussenarrest namens eiseres, blz. 14-15). Verder voerde eiseres aan dat ook de “omstandigheden van het geval” niet leiden tot de toepasselijkheid van het Franse recht, wel integendeel. Eiseres verwees hiervoor naar de volgende elementen: - de kaderovereenkomst is afgesloten tussen haarzelf en CMA CGM Belgium nv, beiden met verblijfplaats in België; - de kaderovereenkomst heeft betrekking op vervoeren naar (hoofdzakelijk) Antwerpen; - de kaderovereenkomst verwijst in haar benaming naar Antwerpen; - verweerster maakt m.b.t. de kaderovereenkomst zelf gewag van Antwerpen als haven van bestemming. (vijfde en tevens syntheseberoepsconclusie na tussenarrest namens eiseres, blz. 17) Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan blijkt bijgevolg dat eiseres aanvoerde dat de overeenkomst nauw verbonden was met België. De appelrechters dienden dan ook ambtshalve na te gaan of de overeenkomst geen kennelijk nauwere band had met België in de zin van artikel 4.3 Rome I-Verordening. Door te beslissen dat bij gebrek aan rechtskeuze en het niet van toepassing zijn van artikel 5 Rome I-Verordening dient te worden teruggegrepen naar de regeling van artikel 4.1.
  4. b)als van artikel 4.2 Rome I-Verordening, hetgeen leidt tot de toepasselijkheid van het Franse recht, terwijl de appelrechters ingevolge de door eiseres in het bijzonder aangevoerde feiten gehouden waren na te gaan of de overeenkomst geen kennelijk nauwere band had met België in de zin van artikel 4.3 Rome I-Verordening, miskennen de appelrechters artikel 4.3 Rome I-Verordening, alsook het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter ertoe gehouden is om het geschil te beslechten volgens de erop van toepassing zijnde rechtsregels. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Artikel 3.1 Rome I-Verordening bepaalt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. De rechtskeuze wordt uitdrukkelijk gedaan of blijkt duidelijk uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Bij hun keuze kunnen de partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan. Artikel 4.1, b), Rome I-Verordening bepaalt dat, bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig artikel 3 en onverminderd de artikelen 5 tot en met 8, het op de overeenkomst toepasselijke recht als volgt wordt vastgesteld:
  5. b)de overeenkomst inzake dienstverlening wordt beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft. Artikel 4.2 Rome I-Verordening bepaalt dat, indien de overeenkomst niet onder lid 1 valt of de bestanddelen van de overeenkomst onder meer dan een van de punten
  6. a)tot en met
  7. h)van lid 1 vallen, de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. Artikel 4.4 Rome I-Verordening bepaalt dat, indien het toepasselijke recht niet overeenkomstig lid 1 of lid 2 kan worden vastgesteld, de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is. Artikel 5.1 Rome I-Verordening bepaalt dat, indien de partijen voor de overeenkomst voor het vervoer van goederen geen rechtskeuze overeenkomstig artikel 3 hebben gemaakt, de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de vervoerder zijn gewone verblijfplaats heeft, mits de plaats van ontvangst of de plaats van aflevering of de gewone verblijfplaats van de verzender ook in dat land is gelegen. Indien niet aan deze voorwaarden is voldaan, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de plaats van aflevering, als door de partijen overeengekomen, is gelegen. 2. Overweging 22 bij de Rome I-Verordening bepaalt dat, ten aanzien van de uitlegging van overeenkomsten voor het vervoer van goederen, geen inhoudelijke wijzigingen worden overwogen met betrekking tot artikel 4, lid 4, derde zin, van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, hierna Verdrag van Rome. Bijgevolg moeten bevrachting voor een enkele reis en iedere andere overeenkomst, die hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft, als overeenkomsten voor het vervoer van goederen worden behandeld. 3. Artikel 4, eerste lid, Verdrag van Rome bepaalt dat, voor zover geen keuze overeenkomstig artikel 3 van het op de overeenkomst toepasselijke recht is gedaan, de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Indien evenwel een deel van de overeenkomst kan worden afgescheiden en dit deel nauwer verbonden is met een ander land, kan hierop bij wijze van uitzondering het recht van dat andere land worden toegepast. Artikel 4, tweede lid, Verdrag van Rome bepaalt dat, behoudens het vijfde lid, vermoed wordt dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats, of, wanneer het een vennootschap, vereniging of rechtspersoon betreft, haar hoofdbestuur heeft. Indien de overeenkomst evenwel in de uitoefening van het beroep of het bedrijf van deze partij werd gesloten, is dit het land waar zich haar hoofdvestiging bevindt of, indien de prestatie volgens de overeenkomst door een andere vestiging dan de hoofdvestiging moet worden verricht, het land waar zich deze andere vestiging bevindt. Artikel 4, vierde lid, Verdrag van Rome bepaalt dat het vermoeden van het tweede lid niet geldt voor de overeenkomst tot vervoer van goederen. Wanneer bij een dergelijke overeenkomst het land waar de vervoerder zijn hoofdvestiging heeft ten tijde van de sluiting, tevens het land is waar de plaats van de inlading of lossing, dan wel de hoofdvestiging van de verzender is gelegen, wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met dat land. Voor de toepassing van dit lid wordt als overeenkomst tot vervoer van goederen beschouwd de bevrachting voor een enkele reis en iedere andere overeenkomst die hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft. 4. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde in het arrest Haeger & Schmidt GmbH / MMA IARD e.a. van 23 oktober 2014 (C-305/13) dat: - de eerste twee zinnen van artikel 4, vierde lid, Verdrag van Rome uiting geven aan de specificiteit van de overeenkomst voor goederenvervoer, waarvoor, althans in een grensoverschrijdende context, moeilijk een aanknoping kan worden gevonden met het land van de verblijfplaats van de partij bij de overeenkomst die de kenmerkende prestatie verricht, aangezien bij een dergelijke overeenkomst, die hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft, de gewone verblijfplaats van de vervoerder geen objectief aanknopingspunt met deze overeenkomst vertoont; - de uitdrukking “als overeenkomst tot vervoer van goederen [worden] beschouwd” en de voorwaarden waaronder een andere overeenkomst als een overeenkomst voor goederenvervoer kan worden beschouwd, dienen te worden uitgemaakt volgens eenvormige en autonome criteria teneinde de volle werking van het Verdrag van Rome te verzekeren, gelet op de doelstellingen die daarmee worden nagestreefd; - om vast te stellen of een overeenkomst hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft, moet worden gekeken naar het doel van de contractuele verhouding en bijgevolg naar alle verplichtingen van de partij die de kenmerkende prestatie verricht, en niet zozeer naar de door partijen aan de overeenkomst gegeven kwalificatie; - het in strijd zou zijn met zowel de bewoordingen als de logica van artikel 4, vierde lid, Verdrag van Rome om het vermoeden van het tweede lid van dat artikel toe te passen op een overeenkomst als in het hoofdgeding indien bij gebreke van overeenstemming van de criteria van de tweede zin van dat vierde lid vaststaat dat het vermoeden van dat lid niet kan worden toegepast; - deze uitlegging strookt met de bewoordingen van de conflictregels inzake overeenkomsten voor goederenvervoer van verordening nr. 593/2008 omdat ingevolge artikel 5 van deze verordening het uitgesloten is om bij gebreke van overeenstemming van de daarin bepaalde aanknopingscriteria het recht van het land waarin de vervoerder zijn gewone verblijfplaats heeft toe te passen op deze categorie overeenkomsten en in dat geval, zoals daarin uitdrukkelijk is voorgeschreven, het recht van toepassing is van het land waar de plaats van aflevering, als door de partijen overeengekomen, is gelegen; - wanneer niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, vierde lid, tweede zin, Verdrag van Rome, de nationale rechter bijgevolg niet aan de hand van het – definitief buiten toepassing zijnde – vermoeden van het tweede lid van datzelfde artikel het op de overeenkomst toepasselijke recht moet bepalen, doch op basis van het algemene beginsel tot bepaling van het toepasselijke recht dat is vervat in artikel 4, eerste lid, eerste zin, dat wil zeggen door vast te stellen met welk land de overeenkomst het nauwst verbonden is. 5. In het raam van artikel 5.1 van de verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, hierna Brussel I-Verordening, oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie in verschillende arresten dat de rechter bevoegd om kennis te nemen van alle vorderingen uit een overeenkomst inzake de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken respectievelijk een overeenkomst tot het verstrekken van diensten, volgens welke overeenkomst de zaken op meerdere plaatsen binnen één lidstaat of in verschillende lidstaten moeten worden geleverd respectievelijk de diensten op meerdere plaatsen in verschillende lidstaten moeten worden verstrekt, deze is van de plaats die de nauwste band tussen de overeenkomst en het bevoegde gerecht verzekert, wat meestal het geval zal zijn op de plaats waar volgens die overeenkomst de hoofdlevering moet plaatsvinden respectievelijk de hoofddienst moet worden verstrekt. Indien niet kan worden bepaald wat de plaats van hoofdlevering is, heeft elk van de leveringsplaatsen een toereikende band met de feiten van het geding en, bijgevolg, een duidelijk aanknopingspunt voor de rechterlijke bevoegdheid. In dergelijk geval kan de eiser de verweerder voor het gerecht van de leveringsplaats van zijn keuze oproepen. Indien verschillende plaatsen worden beschouwd als plaatsen waar de diensten hoofdzakelijk worden verstrekt, heeft elk van deze plaatsen een toereikende band van nabijheid met de feiten van het geding en verzekert elk van deze plaatsen bijgevolg de nauwe band tussen de overeenkomst en het bevoegde gerecht. In dergelijk geval kan de eiser de verweerder naar zijn keuze oproepen voor het gerecht in het rechtsgebied waarvan één van die plaatsen is gelegen (HvJ 11 juli 2018, C-88/17, Zurich Insurance plc, Metso Minerals Oy/ALS Ltd.; HvJ 7 maart 2018, C-274/16, C-447/16 en C-448/16, flightright GmbH/Air Nostrum, Líneas Aéreas del Mediterráneo SA; Roland Becke /Hainan Airlines Co. Ltd; Mohamed Barkan, Souad Asbai, Assia Barkan, e.a./Air Nostrum, Líneas Aéreas del Mediterráneo SA; HvJ 11 maart 2010, C-19/09, Wood Floor Solutions Andreas Domberger GmbH/Silva Trade SA; HvJ 25 februari 2010, C-381/08, Car Trim GmbH/KeySafety Systems Srl; HvJ 9 juli 2009, C-204/08, Peter Rehder/Air Baltic Corporation; HvJ 3 mei 2007, C-386/05, Color Drack GmbH/Lexx International Vertriebs GmbH). 6. De eiseres voert aan dat: - het begrip “vervoersovereenkomst” een autonoom begrip is waarvan de invulling losstaat van nationaalrechtelijke bepalingen; - een overeenkomst tot goederenvervoer elke overeenkomst is die hoofdzakelijk het goederenvervoer betreft; - bijgevolg ook kaderovereenkomsten die hoofdzakelijk het vervoer van goederen tot voorwerp hebben onder het toepassingsgebied van artikel 5.1 Rome I-Verordening vallen; - in een dergelijk geval het toepasselijke recht wordt bepaald aan de hand van het land waar de voornaamste plaats van aflevering is gelegen; - uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat de overeenkomst tussen de eiseres en de verweerster betrekking had op het vervoer/transport van goederen; - de appelrechters oordelen dat uit de stukken overduidelijk blijkt dat de kaderovereenkomst betrekking had op transporten van China naar België en naar Nederland; - de appelrechters tevens oordelen dat de kaderovereenkomst niet aangemerkt kan worden als een vervoersovereenkomst op zich in de zin van artikel 5.1 Rome I-Verordening omdat de techniek van artikel 5 niet kan worden toegepast op een kaderovereenkomst naar bestemmingen in verschillende landen; - de appelrechters artikel 5.1 Rome I-Verordening schenden door te oordelen dat een kaderovereenkomst niet aangemerkt kan worden als een vervoersovereenkomst in de zin van artikel 5.1 Rome I-Verordening, zodat het toepasselijke recht bepaald moet worden aan de hand van artikel 4 Rome I-Verordening. 7. Gelet op het voorgaande rijst de vraag hoe, krachtens de bepalingen van de Rome I-Verordening, het toepasselijke recht moet worden bepaald op een kaderovereenkomst voor het vervoer van goederen waarin een Belgische vennootschap en een Franse vennootschap, zonder rechtskeuze, overeenkomen goederen te vervoeren vanuit een land waarin geen van beide haar gewone verblijfplaats heeft (China) naar meerdere plaatsen van aflevering (België en Nederland), waarvan geen enkele is gelegen in het land waar de vervoerder zijn gewone verblijfplaats heeft (Frankrijk). Die vraag kan slechts worden opgelost door een uitlegging van de artikelen 4 en 5 Rome I-Verordening, waarvoor het Hof van Justitie van de Europese Unie uitsluitend bevoegd is. 8. Het Hof dient aldus, alvorens uitspraak te doen, overeenkomstig artikel 267 VWEU, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de in het dictum van dit arrest geformuleerde prejudiciële vragen te stellen. Overige grieven 9. Het antwoord op de overige grieven wordt aangehouden tot het Hof van Justitie van de Europese Unie bij prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Unie bij prejudiciële beslissing over de volgende vragen uitspraak zal hebben gedaan: “1) Moet artikel 5.1 van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I-Verordening), zo worden uitgelegd dat een kaderovereenkomst tussen een vennootschap, met zetel in een lidstaat, en een vennootschap, met zetel in een andere lidstaat, die hoofdzakelijk het vervoer van goederen tot voorwerp heeft, maar plaatsen van aflevering in verschillende landen vastlegt, een vervoersovereenkomst is in de zin van deze bepaling?” Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: “2) Moeten de artikelen 4.1,
  8. b)en 4.2 Rome I-Verordening, in het geval dat artikel 5 Rome I-Verordening geen aanknopingspunt oplevert, zo worden uitgelegd dat, anders dan met toepassing van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Verdrag van Rome), de kaderovereenkomst beheerst wordt door het recht van het land waar de dienstverlener, te weten de vervoerder, zijn gewone verblijfplaats heeft? 3) Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, wordt de vermelde kaderovereenkomst dan, zoals met toepassing van het Verdrag van Rome, overeenkomstig artikel 4.4 Rome I-Verordening beheerst door het recht van het land waarmee de kaderovereenkomst het nauwst verbonden is?” Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: “2) Moet artikel 5.1, laatste zin, Rome I-Verordening zo worden uitgelegd dat de vermelde kaderovereenkomst waarbij de vervoerder zijn gewone verblijfplaats niet heeft in het land van de plaats van ontvangst of van aflevering, noch in het land waar de verzender zijn gewone verblijfplaats heeft, en welke meerdere plaatsen van aflevering in verschillende landen vastlegt, beheerst wordt door het recht van het land waar de plaats van de hoofdaflevering, als door de partijen overeengekomen, is gelegen? 3) Moet artikel 5.1, laatste zin, Rome I-Verordening, in het licht van artikel 3.1, laatste zin, Rome I-Verordening en de artikelen 3, eerste lid, laatste zin, en 4, eerste lid, laatste zin, Verdrag van Rome, zo worden uitgelegd dat het, indien de plaats van de hoofdaflevering geen aanknopingspunt vormt (ontkennend antwoord op de tweede vraag) of indien een unieke overeengekomen plaats van hoofdaflevering niet vast te stellen valt, toelaat dat voor elke overeengekomen plaats van (hoofd)aflevering een ander recht de kaderovereenkomst beheerst? 4) Moeten de artikelen 4.1,
  9. b)en 4.2 Rome I-Verordening, in het geval dat artikel 5 Rome I-Verordening geen aanknopingspunt oplevert, zo worden uitgelegd dat, anders dan met toepassing van het Verdrag van Rome, de kaderovereenkomst beheerst wordt door het recht van het land waar de vervoerder, als dienstverlener en partij die de kenmerkende prestatie van de vervoersovereenkomst moet verrichten, zijn gewone verblijfplaats heeft? 5) Indien de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord, wordt de vermelde kaderovereenkomst dan, zoals met toepassing van het Verdrag van Rome, overeenkomstig artikel 4.4 Rome I-Verordening beheerst door het recht van het land waarmee de kaderovereenkomst het nauwst verbonden is?” Houdt de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, sectievoorzitter Bart Wylleman, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 15 januari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260115.1N.13 Gerelateerde publicatie(
  10. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260115.1N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.