← België

Gemeente Knokke-Heist contra L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260115.1N.14 Rolnummer: F.23.0106.N Zaak: Gemeente Knokke-Heist contra L. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2026-02-10 Raadplegingen: 665 - laatst gezien 2026-06-18 08:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Wanneer een norm die de belasting invoert, belastingplichtigen beoogt die zich in een verschillende toestand bevinden, moet zij die verscheidenheid noodzakelijkerwijze opvangen in vereenvoudigde categorieën; de regels van gelijkheid en niet-discriminatie vereisen niet dat de norm de belasting aanpast naargelang de eigenheid van elk geval. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 2 - 3 In het kader van de beoordeling door de rechter of er voor een door de overheid gemaakt onderscheid tussen belastingplichtigen of voor de afwezigheid van een onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat, kan van die overheid niet worden gevergd dat zij het bewijs levert dat die verantwoording berust op zekere en vaststaande feiten of dat het gemaakte onderscheid of afwezigheid van onderscheid noodzakelijk bepaalde gevolgen heeft; het volstaat dat in redelijkheid blijkt dat die verantwoording bestaat of kan bestaan

(1).
(1)Zie ook het arrest van zelfde datum in de zaak F.24.0048.N ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260115.1N.
  1. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. F.23.0106.N GEMEENTE KNOKKE-HEIST, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 8300 Knokke-Heist, Alfons Verweeplein 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.691.252, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen A.J.L, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Daniel Garabedian, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 2 mei
  2. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 3 november 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Nota van de verweerster in antwoord op de schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie
  3. Krachtens artikel 1107, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek kunnen de partijen, wanneer het openbaar ministerie schriftelijk conclusie neemt, ten laatste op de zitting en uitsluitend in antwoord op de conclusie van het openbaar ministerie, een noot neerleggen waarin geen nieuwe middelen mogen worden aangebracht.
  4. In haar nota in antwoord op de schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie neergelegd op 3 november 2025, voert de verweerster aan dat het derde onderdeel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang omdat het opkomt tegen overtollige motieven. Deze grond van niet-ontvankelijkheid houdt geen antwoord in op de conclusie van het openbaar ministerie en had door de verweerster al kunnen worden aangevoerd in haar memorie van antwoord. In zoverre de verweerster in de nota een nieuw middel van niet-ontvankelijkheid aanvoert, slaat het Hof geen acht op deze nota. Derde onderdeel
  5. De grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen staan niet eraan in de weg dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De al dan niet aanwezigheid van zodanige verantwoordingen moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
  6. In het kader van de beoordeling door de rechter of er voor een door de overheid gemaakt onderscheid tussen belastingplichtigen of voor de afwezigheid van een onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat, kan van die overheid niet worden gevergd dat zij het bewijs levert dat die verantwoording berust op zekere en vaststaande feiten of dat het gemaakte onderscheid of afwezigheid van onderscheid noodzakelijk bepaalde gevolgen heeft. Het volstaat dat in redelijkheid blijkt dat die verantwoording bestaat of kan bestaan. Wanneer een norm die de belasting invoert, belastingplichtigen beoogt die zich in een verschillende toestand bevinden, moet zij die verscheidenheid noodzakelijkerwijze opvangen in vereenvoudigde categorieën. De regels van gelijkheid en niet-discriminatie vereisen niet dat de norm de belasting aanpast naargelang de eigenheid van elk geval.
  7. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat: - de verweerster een belasting op tweede verblijven heeft ingevoerd waarbij de belasting verschuldigd is door de natuurlijke of rechtspersoon die eigenaar is van het tweede verblijf, dit is een private woongelegenheid die door voor de eigenaar of de huurder of de gebruiker ervan niet tot hoofdverblijf dient, maar die op elk ogenblik door hen voor bewoning kan worden gebruikt en waarbij een private woongelegenheid waarvoor niemand is ingeschreven in de bevolkingsregisters van Knokke-Heist op 1 januari van het aanslagjaar niet dient tot hoofdverblijfplaats; - in de preambule van het belastingreglement onder meer wordt vermeld dat de belasting op tweede verblijven bovenal een forfaitaire weeldebelasting is op het gebruik van een luxegoed, ongeacht het inkomen van de belastingplichtige.
  8. De appelrechter oordeelt dat: - waar het bezitten van een tweede onroerend goed desgevallend als een teken van weelde kan worden beschouwd, dit niet het geval is voor het criterium dat op dit onroerend goed geen inschrijving in de bevolkingsregisters mag zijn genomen; - het precies dit criterium is dat maakt dat een onroerend goed al dan niet binnen het toepassingsgebied van de belasting valt; - bovendien wordt verondersteld dat het om een tweede onroerend goed in eigendom gaat, daar waar het kwestieuze belastingreglement alle onroerende goederen treft waarop geen inschrijving werd genomen, en niet enkel de belastingplichtige-eigenaar die naast zijn hoofdverblijfplaats nog over een bijkomend verblijf beschikt; - het argument dat de belasting verantwoord is als een forfaitaire weeldebelasting op het gebruik van een luxegoed bijgevolg niet kan overtuigen.
  9. Door aldus te oordelen, terwijl het niet onredelijk is om aan te nemen dat een onroerend goed waarvoor geen inschrijving in het bevolkingsregister is genomen in de regel een tweede onroerend goed in eigendom betreft en de belastingplichtigen derhalve in de regel personen met voldoende middelen zijn, vereist de appelrechter van de eiseres het bewijs van de vaststellingen en feiten die aan de verantwoording van de belasting ten grondslag liggen, namelijk dat elke belastingplichtige een persoon met voldoende middelen is, en verantwoordt hij zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre het hoger beroep ontvankelijk werd verklaard. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 15 januari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260115.1N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260115.1N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.