id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260115.1N.15 Rolnummer: F.24.0048.N Zaak: Gemeente Koksijde contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2026-02-10 Raadplegingen: 701 - laatst gezien 2026-06-18 17:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Wanneer een norm die de belasting invoert, belastingplichtigen beoogt die zich in een verschillende toestand bevinden, moet zij die verscheidenheid noodzakelijkerwijze opvangen in vereenvoudigde categorieën; de regels van gelijkheid en niet-discriminatie vereisen niet dat de norm de belasting aanpast naargelang de eigenheid van elk geval. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 2 - 3 In het kader van de beoordeling door de rechter of er voor een door de overheid gemaakt onderscheid tussen belastingplichtigen of voor de afwezigheid van een onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat, kan van die overheid niet worden gevergd dat zij het bewijs levert dat die verantwoording berust op zekere en vaststaande feiten of dat het gemaakte onderscheid of afwezigheid van onderscheid noodzakelijk bepaalde gevolgen heeft; het volstaat dat in redelijkheid blijkt dat die verantwoording bestaat of kan bestaan
(1).
(1)Zie ook het arrest van zelfde datum in de zaak F.23.0106.N ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260115.1N.
- Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. F.24.0048.N GEMEENTE KOKSIJDE, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 8670 Koksijde, Zeelaan 303, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.494.480, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- H.V.,
- S.S., verweerders, met als raadsman mr. Vincent Coigniez, advocaat bij de balie Leuven, met kantoor te 3000 Leuven, Vaartstraat
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 6 februari
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 3 november 2025 een schriftelijk conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Zesde onderdeel
- De grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen staan niet eraan in de weg dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De al dan niet aanwezigheid van zodanige verantwoordingen moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
- In het kader van de beoordeling door de rechter of er voor een door de overheid gemaakt onderscheid tussen belastingplichtigen of voor de afwezigheid van een onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat, kan van die overheid niet worden gevergd dat zij het bewijs levert dat die verantwoording berust op zekere en vaststaande feiten of dat het gemaakte onderscheid of afwezigheid van onderscheid noodzakelijk bepaalde gevolgen heeft. Het volstaat dat in redelijkheid blijkt dat die verantwoording bestaat of kan bestaan. Wanneer een norm die de belasting invoert, belastingplichtigen beoogt die zich in een verschillende toestand bevinden, moet zij die verscheidenheid noodzakelijkerwijze opvangen in vereenvoudigde categorieën. De regels van gelijkheid en niet-discriminatie vereisen niet dat de norm de belasting aanpast naargelang de eigenheid van elk geval.
- Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat: - de eiseres een belasting op tweede verblijven heeft ingevoerd waarbij de belasting verschuldigd is door de persoon die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van een tweede verblijf, dit is een private woongelegenheid die voor de eigenaar of de huurder of de gebruiker ervan nooit tot hoofdverblijf dient maar die op elk moment door hen voor bewoning kan worden gebruikt en waarbij een private woongelegenheid waarvoor niemand is ingeschreven in het bevolkingsregister van de eiseres op 1 januari van het aanslagjaar wordt geacht niet tot hoofdverblijfplaats te dienen; - in de preambule van het belastingreglement onder meer wordt vermeld dat de belasting bovenal een forfaitaire weeldebelasting is op het gebruik van een luxegoed ongeacht het inkomen van de belastingplichtige.
- De appelrechter oordeelt dat: - waar het bezitten van een tweede onroerend goed desgevallend als een teken van weelde kan worden beschouwd, dit niet het geval is voor het criterium dat op dit onroerend goed geen inschrijving in de bevolkingsregisters mag zijn genomen; - het precies dit criterium is dat maakt dat een onroerend goed al dan niet binnen het toepassingsgebied van de belasting valt; - bovendien dan al wordt verondersteld dat het om een tweede onroerend goed in eigendom gaat, daar waar het kwestieuze belastingreglement alle onroerende goederen treft waarop geen inschrijving werd genomen, en niet enkel de belastingplichtige-eigenaar die naast zijn hoofdverblijfplaats nog over een bijkomend verblijf beschikt; - indien de gemeente ook belastingplichtigen zou viseren met een enkele eigendom, het criterium dat op deze eigendom geen inschrijving in de bevolkingsregisters mag zijn genomen geen pertinent criterium is om te bepalen of de belastingplichtige iemand is met voldoende middelen; - het argument dat de belasting verantwoord is als een forfaitaire weeldebelasting op het gebruik van een luxegoed bijgevolg niet kan overtuigen.
- Door aldus te oordelen, terwijl het niet onredelijk is om aan te nemen dat een onroerend goed waarvoor geen inschrijving in het bevolkingsregister is genomen in de regel een tweede onroerend goed in eigendom betreft en de belastingplichtigen derhalve in de regel personen met voldoende middelen zijn en het evenmin onredelijk is aan te nemen dat wanneer het goed voor de belastingplichtige geen tweede onroerend goed in eigendom is omdat hij zijn hoofdverblijfplaats huurt, dergelijke personen eveneens over voldoende middelen beschikken, vereist de appelrechter van de eiseres het bewijs van de vaststellingen en feiten die aan de verantwoording van de belasting ten grondslag liggen, namelijk dat elke belastingplichtige een persoon met voldoende middelen is, en verantwoordt hij zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof Vernietigt het bestreden arrest Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 15 januari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260115.1N.15 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260115.1N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div