← België

GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT GBA contra N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260115.1N.3 Rolnummer: C.24.0098.N Zaak: GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT GBA contra N. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2026-02-10 Raadplegingen: 1213 - laatst gezien 2026-06-18 20:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260115.1N.3 Fiches 1 - 3 Het Marktenhof oordeelt in het kader van een beroep tegen een beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit met volle rechtsmacht; dit impliceert dat het Marktenhof, binnen de grenzen van de devolutieve werking van het beroep, uitspraak doet over alle rechts- en feitelijke vragen zoals zij door de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit werden onderzocht. Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 78.1 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 100, § 1, 13° - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 108, § 1 - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 78.1 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 100, § 1, 13° - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 108, § 1 - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 78.1 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 100, § 1, 13° - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 108, § 1 - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Fiches 4 - 5 In de mate waarin de Geschillenkamer een administratieve geldboete heeft opgelegd, kan het Marktenhof nagaan of deze niet onevenredig is met de inbreuk zodat het aan het Marktenhof staat te onderzoeken of de Geschillenkamer naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang en het de administratieve geldboete ook mag aanpassen door zijn beslissing in de plaats te stellen van deze van de Geschillenkamer. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALLERLEI BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) Fiche 6 Het is niet uitgesloten dat de toezichthoudende autoriteit een administratieve geldboete van één euro oplegt; het enkele feit dat deze geldboete ‘symbolisch' wordt genoemd betekent niet dat deze niet doeltreffend, evenredig en afschrikkend kan zijn. Thesaurus CAS: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 83.1 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0098.N GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Drukpersstraat 35, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0694.679.950, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER BELGISCHE SPOORWEGEN (NMBS), nv van publiek recht, met zetel te 1060 Brussel (Sint-Gillis), Frankrijkstraat 56, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0203.430.576, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 251/10, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, sectie Marktenhof, van 14 juni 2023. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 12 december 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Artikel 78.1 van de verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming), hierna AVG, bepaalt: “Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon het recht om tegen een hem betreffend juridisch bindend besluit van een toezichthoudende autoriteit een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen.” 2. De honderddrieënveertigste overweging van de preambule van de AVG bepaalt onder meer: “(…) Onverminderd dit recht uit hoofde van artikel 263 VWEU dient iedere natuurlijke of rechtspersoon het recht te hebben om tegen een besluit van een toezichthoudende autoriteit dat ten aanzien van die persoon rechtsgevolgen heeft, voor het bevoegde nationale gerecht een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen. (…) Een vordering tegen een toezichthoudende autoriteit dient te worden ingesteld bij de gerechten van de lidstaat waar de toezichthoudende autoriteit is gevestigd, en dient in overeenstemming te zijn met het procesrecht van die lidstaat. Die gerechten dienen volledige rechtsmacht uit te oefenen, waaronder rechtsmacht om alle feitelijke en juridische vraagstukken in verband met het bij hen aanhangige geschil te onderzoeken.” 3. Krachtens artikel 100, § 1, 13°, van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om administratieve geldboeten op te leggen. Artikel 108, § 1, eerste zin, van dezelfde wet bepaalt: “De geschillenkamer stelt de partijen in kennis van haar beslissing en van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen binnen een termijn van dertig dagen, vanaf de kennisgeving, bij het Marktenhof.” 4. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het Marktenhof in het kader van een beroep tegen een beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit oordeelt met volle rechtsmacht. Dit impliceert dat het Marktenhof, binnen de grenzen van de devolutieve werking van het beroep, uitspraak doet over alle rechts- en feitelijke vragen zoals zij door de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit werden onderzocht. Dit brengt met zich mee dat, in de mate waarin de Geschillenkamer een administratieve geldboete heeft opgelegd, het Marktenhof kan nagaan of deze niet onevenredig is met de inbreuk zodat het aan het Marktenhof staat te onderzoeken of de Geschillenkamer naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang en het de administratieve geldboete ook mag aanpassen door zijn beslissing in de plaats te stellen van deze van de Geschillenkamer. 5. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat, wanneer het Marktenhof een administratieve geldboete onwettig heeft verklaard, het de beslissing op dit punt enkel kan vernietigen waarna het aan de Geschillenkamer staat om een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van het gezag van gewijsde van de beslissing van het Marktenhof, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. Tweede onderdeel 6. Krachtens artikel 100, § 1, 13°, van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om administratieve geldboeten op te leggen. Krachtens artikel 101, van deze wet, in de versie zoals van toepassing op het geschil, kan de Geschillenkamer beslissen om een administratieve geldboete op te leggen aan de vervolgde partijen volgens de algemene voorwaarden bepaald in artikel 83 AVG. Artikel 102, eerste lid, van deze wet, in de versie zoals van toepassing op het geschil, bepaalt dat de beslissing tot opleggen van de administratieve geldboete met redenen omkleed is en het bedrag van de geldboete bepaalt. Krachtens artikel 83.1 AVG zorgt elke toezichthoudende autoriteit ervoor dat de administratieve geldboeten in elke zaak doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Ingevolge artikel 83.2 AVG wordt bij het besluit over de vraag of een administratieve geldboete wordt opgelegd en over de hoogte daarvan voor elk concreet geval naar behoren rekening gehouden met het volgende:
  2. a)de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, rekening houdend met de aard, de omvang of het doel van de verwerking in kwestie alsmede het aantal getroffen betrokkenen en de omvang van de door hen geleden schade;
  3. b)de opzettelijke of nalatige aard van de inbreuk;
  4. c)de door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker genomen maatregelen om de door betrokkenen geleden schade te beperken;
  5. d)de mate waarin de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker verantwoordelijk is gezien de technische en organisatorische maatregelen die hij heeft uitgevoerd;
  6. e)eerdere relevante inbreuken door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker;
  7. f)de mate waarin er met de toezichthoudende autoriteit is samengewerkt om de inbreuk te verhelpen en de mogelijke negatieve gevolgen daarvan te beperken;
  8. g)de categorieën van persoonsgegevens waarop de inbreuk betrekking heeft;
  9. h)de wijze waarop de toezichthoudende autoriteit kennis heeft gekregen van de inbreuk, met name of, en zo ja in hoeverre, de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker de inbreuk heeft gemeld;
  10. i)de naleving van de in artikel 58, lid 2, genoemde maatregelen, voor zover die eerder ten aanzien van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker in kwestie met betrekking tot dezelfde aangelegenheid zijn genomen;
  11. j)het aansluiten bij goedgekeurde gedragscodes of van goedgekeurde certificeringsmechanismen;
  12. k)elke andere op de omstandigheden van de zaak toepasselijke verzwarende of verzachtende factor, zoals gemaakte financiële winsten, of vermeden verliezen, die al dan niet rechtstreeks uit de inbreuk voortvloeien. Blijkens de honderdvijftigste overweging van de preambule bij de AVG dienen inbreuken te worden benoemd, evenals maxima en criteria voor de vaststelling van de daaraan verbonden administratieve geldboeten, die per afzonderlijk geval dienen te worden bepaald door de bevoegde toezichthoudende autoriteit, rekening houdend met alle relevante omstandigheden van de specifieke situatie, met inachtneming van met name de aard, de ernst en de duur van de inbreuk en van de gevolgen ervan en de maatregelen die zijn genomen om naleving van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening te waarborgen en de gevolgen van de inbreuk te voorkomen of te beperken. 7. Uit het geheel van voormelde bepalingen volgt kennelijk dat het niet uitgesloten is dat de toezichthoudende autoriteit met toepassing van deze bepalingen een administratieve geldboete van één euro oplegt. Het enkele feit dat deze geldboete ‘symbolisch’ wordt genoemd betekent niet dat deze niet doeltreffend, evenredig en afschrikkend kan zijn in de zin van artikel 83.1 AVG. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.Aangezien de juiste uitlegging van het Unierecht zo voor de hand ligt dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan, moet de prejudiciële vraag niet worden gesteld. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 361,33 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, sectievoorzitter Bart Wylleman, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 15 januari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260115.1N.3 Gerelateerde publicatie(
  13. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260115.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.