id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.1 Rolnummer: P.25.1330.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-02-02 Raadplegingen: 809 - laatst gezien 2026-06-19 00:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Tekst van de beslissing Nr. P.25.1330.N M. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nick Heinen, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 19 september 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 101, § 2 en 779 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de continuïteit van de zetel: het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 juni 2025 vermeldt dat de behandeling van de zaak wordt hernomen, gelet op de gewijzigde samenstelling van de zetel; uit dit proces-verbaal van de rechtszitting blijkt evenwel niet dat de zaak ab initio werd hernomen door de zetel in de gewijzigde samenstelling met raadsheren V. F. en P.J. S. en plaatsvervangend raadsheer W. R.; nochtans werd op de rechtszitting van 14 maart 2025 het debat reeds aangevat door een anders samengestelde zetel aangezien de verdediging toen een nieuw overtuigingsstuk heeft ter sprake gebracht dat pas bij proces-verbaal 500297/2025 van 6 januari 2025, na de neerlegging van eisers appelconclusie op 22 november 2024, door het openbaar ministerie werd gevoegd bij het strafdossier en op deze rechtszitting van 14 maart 2025 de partijen werden gehoord en toen bijkomende conclusietermijnen werden toegestaan. 2. Volgens artikel 779 Gerechtelijk Wetboek kan het vonnis enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters en moeten deze rechters alle zittingen over de zaak hebben bijgewoond. Een en ander op straffe van nietigheid. 3. Uit deze bepaling volgt dat, zonder afbreuk te doen aan de geldigheid van wat reeds werd beslist door een vorige samenstelling van de zetel, de behandeling van de zaak in de regel ab initio, dit is alsof de zaak voordien nog niet was behandeld, moet worden hernomen door de nieuw of anders samengestelde zetel wanneer de samenstelling van de zetel wordt gewijzigd, vóór het debat wordt gesloten. 4. De uitdrukking dat een zaak wordt “hernomen” heeft inhoudelijk geen andere of afwijkende betekenis dan dat de zaak ab initio wordt hernomen. 5. Geen enkele wetsbepaling vereist dat uitdrukkelijk wordt vermeld dat de zaak ab initio is hernomen. Deze herneming kan blijken uit de rechtsplegingsstukken. 6. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede onderdeel 7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 101, § 2 en 782, § 2, Gerechtelijk Wetboek en artikel 195bis Wetboek van Strafvordering: het arrest tot onmiddellijke aanhouding is ondertekend door de raadsheren V. F., P.J. S. en G. J., terwijl laatstgenoemde op geen enkel proces-verbaal van de rechtszitting voorkomt, nooit aan enige behandeling of debat in deze zaak heeft deelgenomen en derhalve evenmin het beraad kan hebben bijgewoond. 8. De op grond van artikel 33, § 2, Voorlopige Hechteniswet op 19 september 2025 genomen afzonderlijke beslissing over de vordering van het openbaar ministerie tot eisers onmiddellijke aanhouding, verleent het openbaar ministerie akte van de intrekking van zijn vordering. 9. De eiser heeft derhalve geen belang bij zijn aanvoering dat deze beslissing zou zijn genomen door een onregelmatig samengestelde zetel. Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel 10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een onpartijdige rechter en het recht op een eerlijk proces: uit een schrijven van eisers broer van 1 december 2025 blijkt dat plaatsvervangend raadsheer W. R. op het ogenblik van de behandeling van de zaak met eerstgenoemde een professionele relatie onderhield in diens hoedanigheid van relatiebeheerder bij een bank en dat W. R. aan deze bank heeft gevraagd om een andere dossierbeheerder toegewezen te krijgen nadat hij kennis had genomen van de verwijzingen naar eisers broer in het strafdossier; eisers broer was immers initieel bij het strafonderzoek betrokken als inverdenkinggestelde en wordt ook bij de schuldbeoordeling in het arrest vernoemd; plaatsvervangend raadsheer W. R. had zich dus moeten terugtrekken gelet op de objectieve twijfel over zijn onpartijdigheid. 11. Het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel 12. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld in strafzaken en de motiveringsplicht: het arrest antwoordt niet op eisers in appelconclusie gevoerde verweer dat de verbalisanten in het proces-verbaal 500297/2025 zijn naam hebben toegevoegd aan de ruwe data van de PIN-nummers, terwijl een SKY-toestel per definitie anoniem functioneert; door te oordelen dat het vermoeden van onschuld van de eiser hierdoor niet werd miskend, nemen de appelrechters impliciet de visie van de verbalisanten over en bevestigen zij een voorafname van schuld. 13. Het arrest legt op pagina’s 9 tot en met 21 zeer uitvoerig uit op welke wijze en op grond van welke bewijselementen de eiser in het strafdossier werd geïdentificeerd als verdachte en besluit in verband met de door de eiser opgeworpen miskenning van zijn vermoeden van onschuld algemeen als volgt: “Of de rechten van verdediging en het vermoeden van onschuld is gerespecteerd, wordt door de bodemrechter beoordeeld, rekening houdend met het volledig verloop van het onderzoek, zowel het vooronderzoek als het onderzoek ter zitting. In casu werd de identificatie van [de eiser] in PV 527724/2021 verder onderzocht met, onder meer de analyse van de inhoud van de conversaties die door de PIN’s gevoerd werden, observaties op [de eiser], telefonieonderzoek, huiszoekingen, een financieel onderzoek en meerdere verhoren van [de eiser] en zijn entourage. Verder werden alle stukken gevoegd aan het strafdossier en beschikte [de eiser] over alle mogelijkheden om tegenspraak te voeren over dit onderzoek, kon hij bijkomend onderzoek vragen, stukken voegen, werd hij uitgebreid in de mogelijkheid gelaten om te concluderen in eerste aanleg en hoger beroep. Hij kon telkens met bijstand van zijn advocaat gehoord worden door de eerste rechters en het [hof van beroep]. Het hof besluit dat er geen schending is van de rechten van verdediging in de zin van art. 6 EVRM of art. 14 IVBPR, waaronder het vermoeden van onschuld van [de eiser].” 14. Met het geheel van die redenen oordelen de appelrechters dat eisers vermoeden van onschuld, rekening houdend met het volledige verloop van het onderzoek, niet wordt miskend en geven zij dus ook te kennen dat hieraan geen afbreuk wordt gedaan doordat zijn naam werd toegevoegd aan de ruwe data van de PIN-nummers in het proces-verbaal 500297/2025. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel Eerste onderdeel 15. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de bewijskracht van akten: het oordeel van de appelrechters dat een screenshot in eisers aanvullende conclusie bevestigt dat er duidelijke Excel-bestanden werden gevoegd als overtuigingsstuk en dat het loutere feit dat het om veel gesprekken gaat, de lezing en vergelijking met andere processen-verbaal niet onmogelijk maakt, staat haaks op de inhoud van de desbetreffende dvd met telefonie en SKY-gegevens, neergelegd onder OS-nummer (…), die in werkelijkheid onleesbaar en niet-interpreteerbaar is. 16. Onder het mom van de aangevoerde miskenning van de bewijskracht van een akte, komt het onderdeel in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling door de appelrechters van de bewijswaarde van de overtuigingstukken. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 17. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de bewijskracht van akten: - het arrest (p. 28) oordeelt dat tijdens de latere observaties bleek dat de eiser nog steeds naar Nederland reed en er werd gezien met grote tassen in een hotel, waar hij een tas ging overhandigen aan een derde en miskent hiermee de bewijskracht van proces-verbaal 525530/22 waaruit niet blijkt dat de eiser in Nederland werd gezien; - het arrest (p. 28) oordeelt dat er in september 2022 nog contacten waren tussen de eiser en P. en miskent daardoor de bewijskracht van het proces-verbaal 519938/22 waaruit geenszins blijkt dat er contacten of een ontmoeting werd vastgesteld; - het arrest (p. 28) oordeelt dat de gebruiker van PIN (…) en (…) vraagt naar de stand van zaken in verband met het lossen van containers, in de codetaal “dozen” en miskent daardoor de bewijskracht van proces-verbaal 502756/22 nu daarin een gesprek wordt weergegeven tussen C. F. en L&G, waarbij C. zegt “Dozen worden pas morgen geleverd” en in geen enkel andere communicatie weergegeven in dit proces-verbaal, noch in enig ander proces-verbaal uit het strafdossier het woord “dozen” nog voorkomt; - het arrest (p. 29-30) oordeelt dat de eiser informatie doorspeelde over containers en dat hij betrokken was bij het maken van praktische afspraken voor het uithalen van de in te voeren cocaïne en miskent daarmee de bewijskracht van de processen-verbaal 502143/22 en 502830/22 aangezien deze geen communicaties weergeven die hierop betrekking hebben. 18. Opdat een rechter de bewijskracht van een akte kan miskennen, moet hij uitdrukkelijk naar die akte verwijzen. In de overwegingen op pagina’s 28 tot en met 30 van het arrest, die het onderdeel aanhaalt, wordt niet verwezen naar de in het onderdeel vermelde processen-verbaal, zodat het arrest de bewijskracht van die processen-verbaal ook niet kan miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel 19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest suggereert dat toegang hebben tot de digitale overtuigingsstukken, dit is het openen van de bestanden en het visueel kijken naar een wirwar van ruwe data, reeds zou volstaan om te besluiten dat de eiser effectief inzage heeft gehad en dus tegenspraak heeft kunnen voeren; het arrest antwoordt echter niet op eisers in aanvullende appelconclusie gevoerde verweer met betrekking tot de onleesbaarheid van de onderliggende data en de vereiste, zoals die blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat door de rechter in concreto wordt gemotiveerd hoe en waarom de inhoud van een digitaal bewijselement daadwerkelijk leesbaar, begrijpelijk en verifieerbaar is; er wordt niet aangegeven hoe de overtuigingstukken kunnen worden geïnterpreteerd zonder bijzondere technische kennis of zonder het doornemen van een handleiding om de gegevens leesbaar te maken. 20. Met het geheel van redenen op pagina’s 9 tot en met 21 van het arrest, beschrijven de appelrechters uitvoerig hoe elk van de neergelegde digitale bewijsmiddelen door hen, en dus ook door de eiser, op een begrijpelijke, interpreteerbare en verifieerbare wijze kunnen worden geraadpleegd. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 21. Onder het mom van de aangevoerde wetsschendingen, komt het onderdeel voor het overige in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde van deze digitale overtuigingsstukken. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Vierde onderdeel 22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt dat de eiser tijdens het gerechtelijk onderzoek zeer karig was in zijn verweer, dat er door hem weinig à décharge werd aangebracht en dat hij op de rechtszitting bevestigde dat hij geen bijkomend onderzoek vroeg; dit druist in tegen het beroepen vonnis waarin wordt gesteld dat de eiser wel degelijk om bijkomend onderzoek à décharge had gevraagd en dat dit hem was geweigerd tijdens het gerechtelijk onderzoek; deze motivering is gebrekkig en inherent tegenstrijdig. 23. Er is slechts een tegenstrijdigheid als motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet wanneer de redenen van eenzelfde vonnis of de redenen en het dictum van dat vonnis onderling tegenstrijdig zijn. Dat is niet het geval tussen de niet-bestreden redenen van een beroepen vonnis en de redenen van een arrest in hoger beroep. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 24. De overige aangevoerde wetsschendingen zijn afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Vijfde onderdeel 25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: de appelrechters baseren zich op de zendmast-captaties van de relevante IMEI-nummers op masten in Ekeren tussen augustus 2020 en begin maart 2021 om de eiser te identificeren als gebruiker van de PIN’s; deze motivering is gebrekkig en inherent tegenstrijdig, aangezien de appelrechters verwijzen naar het beroepen vonnis waarin uitdrukkelijk wordt vastgesteld dat de eiser zich pas sinds november 2020 in Ekeren vestigde. 26. Het arrest aanvaardt de identificatie van de eiser als gebruiker van de relevante IMEI-nummers niet enkel, zoals het onderdeel aanvoert, op basis van het overzicht van zijn inschrijvingsadressen achtereenvolgens in Merksem en Ekeren, maar op het geheel van aanwijzingen vermeld op de pagina’s 30 tot en met 32 van het arrest. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 27. De aangevoerde tegenstrijdigheid is afgeleid uit die onvolledige lezing. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 229,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.