← België

E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.11 Rolnummer: P.25.1789.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-02-02 Raadplegingen: 694 - laatst gezien 2026-06-18 16:34 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Tekst van de beslissing Nr. P.25.1789.N M. E. Y., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Tessa De Cuis, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter in de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 23 december 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 32, 98/6 en 109/1 Wet Strafuitvoering 1. Artikel 98/6, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat dit hoofdstuk (“De noodprocedure strafuitvoeringsrechter”) van toepassing is op de veroordeelde tot een of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder, maar zes maanden en meer bedraagt, ten aanzien van wie de bepalingen van artikel 109/1 niet van toepassing zijn. Volgens artikel 98/6, tweede lid, Wet Strafuitvoering kent de strafuitvoeringsrechter de erin bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten toe op de wijze en onder voorwaarde als bepaald in hoofdstuk I van titel IIquater (“Tijdelijke bepalingen”). 2. Artikel 109/1, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat onder meer de artikelen 28, 29, 30, 31, 33, 34, 36, 37, 38, 39, 40, 45, 49 en 60 niet van toepassing zijn ten aanzien van een veroordeelde die een of meer vrijheidsstraffen ondergaat waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt, behoudens ten aanzien van de veroordeelde die een straf ondergaat waarvoor overeenkomstig artikel 32 Wet Strafuitvoering een gespecialiseerd advies is vereist. 3. Artikel 32, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalt dat indien de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten bedoeld in de artikelen 371/1 tot 378 Strafwetboek het advies van de directeur moet zijn vergezeld van een met redenen omkleed advies van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten. 4. Artikel 371/1, § 1, 2°, (oud) Strafwetboek bestraft hij die een beeld- of geluidsopname van een ontblote persoon of een persoon die een expliciete seksuele daad stelt, zonder diens toestemming of buiten diens medeweten toont, toegankelijk maakt of verspreidt, ook al heeft die persoon ingestemd met het maken ervan. Artikel 371/2 (oud) Strafwetboek voorziet in een strafverzwaring indien de feiten werden gepleegd met kwaadwillig opzet of uit winstbejag. Artikel 377 (oud) Strafwetboek voorziet verder in een strafverzwaring als de schuldige een van de in die bepaling vermelde hoedanigheden heeft. 5. Deze feiten zijn thans strafbaar gesteld door de artikelen 417/9, 417/10 en 417/19 Strafwetboek. 6. De eiser werd bij vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 10 juni 2024, veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar wegens onder meer het met kwaadwillig opzet of uit winstbejag te hebben getoond, toegankelijk te hebben gemaakt of te hebben verspreid van de visuele of geluidsinhoud van een ontblote persoon of een persoon die een expliciete seksuele daad stelde zonder diens toestemming of buiten diens medeweten, ook al had die persoon ingestemd met het maken ervan, zijnde een inbreuk op artikel 417/10 Strafwetboek, met de in artikel 417/19 Strafwetboek bedoelde verzwarende omstandigheid. 7. Die straf is thans in uitvoering. 8. Uit het voorgaande volgt dat voor de beoordeling van eisers verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling de artikelen 27, 28, 30, 31, 32, 33, 34, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 45, 59 en 60 Wet Strafuitvoering dienden te worden toegepast. 9. Het vonnis vermeldt dat de artikelen 98/6, 98/10, 98/15, 98/16, 98/19, 98/20, 98/25 en 109/1 Wet Strafuitvoering werden toegepast. 10. Het vonnis dat niet is gewezen overeenkomstig de bij de wet bepaalde procedure is dan ook onwettig. Middel 11. Het middel behoeft geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar een andere strafuitvoeringsrechter van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.