← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.13 Rolnummer: P.25.1583.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-02-02 Raadplegingen: 820 - laatst gezien 2026-06-18 23:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 42 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1583.N S. C., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Joachim Douwen, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 10 oktober 2025. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 42 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis kan de toestand van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van de eiseres niet afleiden uit het gegeven dat zij herhaaldelijk werd veroordeeld wegens overtredingen van de Wegverkeerswet of de uitvoeringsbesluiten ervan; er moeten bijkomende argumenten worden aangedragen waaruit die ongeschiktheid blijkt; de veroordelingen van 14 februari 2022 en 29 maart 2024 volstaan niet; de eiseres heeft bijkomende PEth-testen bijgebracht waaruit blijkt dat er geen sprake is van enig excessief alcoholgebruik; het bestreden vonnis stelt niet ondubbelzinnig vast dat de eiseres lichamelijk of geestelijk ongeschikt is voor het besturen van een motorvoertuig. 2. De rechter kan de vaststelling dat er een toestand van alcoholverslaving of van het zich niet kunnen onthouden van alcoholgebruik bestond in de periode voorafgaand aan zijn beslissing gronden op veroordelingen van de beklaagde wegens het sturen onder invloed van alcohol. Een dergelijke vaststelling vereist niet noodzakelijk het in aanmerking nemen van andere feitelijke gegevens. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 3. Het bestreden vonnis verwijst naar punt 2.2 van de bijlage 6 bij het KB Rijbewijs en de daarin vervatte regel dat een kandidaat die aan alcohol is verslaafd of zich niet kan onthouden van alcoholgebruik wanneer hij een motorvoertuig bestuurt, niet rijgeschikt is. Het grondt de vaststelling van de toestand van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig onder meer op voorgaande veroordelingen voor het sturen onder invloed uit 2022 en 2024 en op het ontbreken of weigeren van het overleggen van een PEth-test aan de eerste rechter, ondanks dat de zaak daartoe werd verdaagd. Het oordeelt dat er een bewezen alcoholafhankelijkheid is of minstens dat die er is geweest, dat de eiseres dan een abstinentie van minstens zes maanden moet aantonen vooraleer opnieuw rijgeschikt te kunnen worden verklaard, dat de PEth-testen die de eiseres bijbrengt over de periode van februari 2025 tot september 2025 alle wijzen op sociaal drinkgedrag en dat die testen de rechtbank niet overtuigen van haar rijgeschiktheid en geenszins een abstinentie van minstens zes maanden aantonen. Met die redenen stelt het bestreden vonnis ondubbelzinnig vast dat de eiseres lichamelijk of geestelijk ongeschikt is tot het besturen van een motorvoertuig en verantwoordt het die beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 4. In zoverre het middel is gericht tegen het oordeel dat de ongeschiktheid ook wordt afgeleid uit het door de eiseres gepleegde vluchtmisdrijf, komt het op tegen een overtollige reden, kan het niet tot cassatie leiden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel 5. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis motiveert de toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet door de vaststelling van het ontbreken of het weigeren van het voorleggen van een PEth-test voor de eerste rechter, ondanks dat de zaak daartoe werd verdaagd naar een latere rechtszitting; de eiseres heeft in hoger beroep een dergelijke test voorgelegd; uit die test van 10 februari 2025 blijkt dat er geen sprake is van alcoholmisbruik; het bestreden vonnis houdt daarmee geen rekening. 6. Het rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst een uitlegging geeft die volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden indien hij het geschrift doet liegen. 7. De eerste rechter heeft op de rechtszitting van 22 januari 2025 de zaak in voortzetting gesteld naar de rechtszitting van 5 februari 2025 onder meer om de eiseres toe te laten de resultaten van een PEth-analyse bij te brengen. Er blijkt niet dat de eiseres op de rechtszitting van 5 februari 2025 een dergelijke test heeft bijgebracht. Met het door het middel bekritiseerde oordeel, dat niet slaat op de in hoger beroep door eiseres ingediende stukken, geeft het bestreden vonnis van de processen-verbaal van de rechtszittingen van 22 januari 2025 en 5 februari 2025 een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel 8. Het middel voert schending aan van artikel 71 Strafwetboek: het bestreden vonnis had de eiseres moeten vrijspreken; zij heeft zich beroepen op de schulduitsluitingsgrond van artikel 71 Strafwetboek; uit de neergelegde medische stukken blijkt dat de aanvoering van de eiseres op dit punt niet van alle geloofwaardigheid is ontbloot; de eiseres verwijst voor de stelling dat zij lijdt aan paniekaanvallen en in blinde paniek is weggevlucht, naar een attest van een psycholoog en een attest van opname in een psychiatrisch ziekenhuis. 9. Het middel dat formeel een wetsschending aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het bestreden vonnis en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.