← België

D. contra KS Vriendenkring VZW

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.15 Rolnummer: P.25.1070.N Zaak: D. contra KS Vriendenkring VZW Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-02-02 Raadplegingen: 959 - laatst gezien 2026-06-19 00:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Tekst van de beslissing Nr. P.25.1070.N M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie Brussel, tegen 1. K vzw, burgerlijke partij, met als raadslieden mr. Jan Swennen en mr. Lore Gyselaers, advocaten bij de balie Limburg, met kantoor te 3580 Beringen, Paalsesteenweg 81, waar de verweerster woonplaats kiest, 2. E, burgerlijke partij, 3. M, burgerlijke partij, 4. A, burgerlijke partij, 5. M, burgerlijke partij, 6. M, burgerlijke partij, 7. B, burgerlijke partij, 8. L, burgerlijke partij, 9. G, burgerlijke partij, 10. M, burgerlijke partij, 11. J, burgerlijke partij, 12. A, burgerlijke partij, 13. M, burgerlijke partij, 14. S, burgerlijke partij, 15. A, burgerlijke partij, 16. L, burgerlijke partij, 17. J, burgerlijke partij, 18. F, burgerlijke partij, 19. E, burgerlijke partij, 20. M, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 25 juni 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Het arrest verklaart de eiser niet schuldig aan het feit van de telastlegging B.II boven het bedrag van 63.496,27 euro. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 6, onder meer artikel 6.1, 6.2, 6.3.a en 6.3.b, EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.1°, 8.1.4°, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en de motivering van gerechtelijke uitspraken. 3. Het eerste onderdeel voert aan dat het arrest het hoger beroep van de eiser tegen het beroepen vonnis, genoteerd op het proces-verbaal van de rechtszitting van 13 september 2024, ten onrechte ongegrond verklaart; dat vonnis verwerpt onterecht het verzoek van de eiser om de behandeling van de zaak uit te stellen teneinde hem toe te laten standpunt in te nemen over de door de eerste rechter in het debat gebrachte mogelijkheid tot heromschrijving van de telastleggingen B.I; het vonnis van 13 september 2024 is, anders dan het arrest oordeelt, niet gemotiveerd en het antwoordt niet op eisers verweer, gesteund op artikel 6.3.a en 6.3.b EVRM en het recht van verdediging; de nota die het openbaar ministerie op 19 juli 2024 heeft neergelegd, volstaat niet als formele wijziging van de telastlegging en kan evenmin een antwoord bieden op eisers latere syntheseconclusie; het arrest motiveert niet waarom het weigeren van uitstel door de eerste rechter het recht van verdediging niet miskent en het onderzoekt niet of de eiser daadwerkelijk in staat was zich inhoudelijk te verdedigen tegen de nieuwe kwalificatie en de correcte weerslag ervan op zijn procespositie; aldus miskent het arrest ook de bewijskracht van het beroepen vonnis van 13 september 2024 door daarin iets te lezen wat niet voorkomt in dat vonnis, noch in de nota van het openbaar ministerie. Het tweede onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat een vraag tot heromschrijving in een nota van het openbaar ministerie of in een conclusie van een burgerlijke partij voldoet aan de vereisten van een voldoende kwalitatieve ingebrekestelling, die een beklaagde toelaat om met kennis van zaken zijn recht van verdediging uit te oefenen; bovendien was de door het openbaar ministerie in eerste aanleg voorgebrachte nota beknopt, werden daarin meerdere mogelijke heromschrijvingen voorgesteld, zijn de voorgestelde heromschrijvingen louter hypothetisch en werden zij niet juist en afdoende feitelijk en juridisch onderbouwd; bijgevolg kan de nota van het openbaar ministerie in eerste aanleg onmogelijk als een volwaardige gerechtelijke informatie worden beschouwd die de eiser toeliet zijn recht van verdediging uit te oefenen, mede gelet op de essentiële draagwijdte van de voorgestelde heromschrijving; het arrest onderzoekt eisers desbetreffende verweer niet; evenmin was het de taak van de verdediging om te anticiperen op meerdere voorgestelde heromschrijvingen; aldus wordt ook het vermoeden van onschuld miskend; de eiser dient immers niet zijn schuld te herformuleren om ze vervolgens zelf te kunnen weerleggen. 4. Na de verzoeken hiertoe vanwege het openbaar ministerie bij nota neergelegd op 19 juli 2024 en vanwege de verweerster 1 bij conclusie neergelegd op 2 augustus 2024 en na de verwittiging van de mogelijkheid ervan op de rechtszitting van 13 september 2024, heeft de eerste rechter bij vonnis van 8 november 2024 beslist dat de telastleggingen B.I moesten worden aangepast omdat het geld op de rekeningen geopend op naam van de feitelijke vereniging V. toebehoort aan de verweerster 1. Vervolgens heeft de eerste rechter bij dat vonnis de eiser schuldig verklaard aan alle telastleggingen, zoals beperkt, met inbegrip van de aldus aangepaste telastleggingen B.I. De eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis, alsook tegen het vonnis van 13 september 2024, genoteerd op het proces-verbaal van die rechtszitting, waarbij de eerste rechter hem een uitstel heeft geweigerd om zich op de mogelijke heromschrijving van de telastleggingen B.I te verdedigen. Het arrest voegt de beide zaken samen, vervangt als benadeelde in de telastleggingen B.I de feitelijke vereniging V. door de verweerster 1, verklaart eisers hogere beroepen ongegrond en verklaart de eiser eveneens schuldig aan alle telastleggingen, zoals beperkt, met inbegrip van de aldus heromschreven telastleggingen B.I. 5. Eensdeels volgt hieruit dat de appelrechters ingevolge de devolutieve werking van de hogere beroepen dezelfde saisine hadden als de eerste rechter voor wat betreft de beoordeling van de wettigheid van de heromschrijving van de telastleggingen B.I. Anderdeels blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet, noch voert de eiser aan, dat ingevolge het weigeren van een uitstel voor de behandeling van zijn zaak op de rechtszitting van 13 september 2024, het recht op een eerlijk proces, recht van verdediging of vermoeden van onschuld van de eiser op een onherstelbare wijze zijn miskend. De eiser kan bijgevolg niet gegriefd zijn door het enkele feit dat het arrest zijn hoger beroep tegen het vonnis van 13 september 2024 niet gegrond verklaart. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 6. Een beklaagde die hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis dat hem schuldig heeft verklaard aan een telastlegging die in dat vonnis op gemotiveerde wijze is heromschreven, moet worden geacht tijdig en in de bijzonderheden op de hoogte te zijn gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging en voldoende tijd en faciliteiten te hebben gekregen om zich in hoger beroep op die heromschrijving te kunnen verdedigen, ongeacht zijn kritiek op die heromschrijving, op de aard van de kennisgeving ervan en op de mogelijkheid om zich in eerste aanleg op die heromschrijving te verdedigen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 7. Het arrest (p. 33, litt. f en p. 35-45) oordeelt onder meer als volgt: - de eiser heeft, gelet op de in het arrest vermelde omstandigheden, voldoende tijd en faciliteiten gehad om zich in eerste aanleg op de heromschrijving van de telastleggingen B.I te verdedigen. Daartoe volstonden de timing, de formulering en de onderbouwing van het verzoek in die zin vanwege onder meer het openbaar ministerie, terwijl de verwittiging door de eerste rechter zelf op de rechtszitting van 13 september 2024 eigenlijk overbodig was; - het enkele feit dat slechts in de loop van de procedure bijkomende informatie wordt bijgebracht, bijvoorbeeld door het openbaar ministerie als reactie op een bepaalde betwisting, impliceert niet dat een beklaagde niet onverwijld in kennis is gesteld van de redenen van de tegen hem ingestelde beschuldiging; - in hoger beroep hadden de beklaagden opnieuw voldoende tijd en mogelijkheden om standpunt in te nemen over de eventuele heromschrijving van de telastleggingen B.I en over de nota van het openbaar ministerie in hoger beroep; - het hof van beroep past telastleggingen B.I aan in die zin dat de benadeelde V. (feitelijke vereniging) wordt vervangen door de verweerster 1, op grond van de redenen die het overneemt van het beroepen vonnis en die het zelf vermeldt. 8. Met die redenen, waaruit blijkt dat het de eiser niet onmogelijk werd gemaakt om zijn recht van verdediging naar behoren uit te oefenen en waarmee het arrest geen uitlegging geeft van de bewoordingen van het beroepen vonnis, maar enkel gevolgen eruit afleidt, beantwoordt het arrest het verweer van de eiser en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 9. Het middel voert schending aan van artikel 6, onder meer artikel 6.1 en 6.2, EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest verwerpt ten onrechte eisers verweer dat de strafvordering niet ontvankelijk is omdat het vermoeden van onschuld werd miskend door de ongeziene perscampagne, met miskenning van het geheim van het gerechtelijk onderzoek, het beroepsgeheim en het inzagerecht, het verspreiden van stukken uit het strafdossier via sociale media door burgerlijke partijen en de verklaringen op Facebook van de Vlaamse minister van Justitie; hierdoor zijn de elementaire waarborgen van een eerlijk strafproces miskend; geen enkele publieke overheid mag een verdachte schuldig verklaren vooraleer zijn schuld wettelijk is vastgesteld door een rechtbank; tot die overheid behoren, naast de rechter, onder meer het openbaar ministerie en politieambtenaren, maar ook de minister van Justitie; het arrest oordeelt onder meer dat de berichtgeving van de gerechtelijke overheden objectief was, dat het strafonderzoek en het strafproces objectief verliepen en dat de media-aandacht geen invloed heeft gehad op het hof van beroep, dat zich heeft gebaseerd op objectieve gegevens; het oordeelt verder dat het de ingeroepen schending van het geheim van het onderzoek, het beroepsgeheim of het inzagerecht niet kan afleiden uit de voorliggende gegevens, nu het niet kan oordelen van wie de publiek gemaakte gegevens afkomstig zijn; het arrest laat daarbij echter na concreet en in functie van eisers verweer te onderzoeken of de mediacampagne, de publieke uitlatingen van gezagsdragers, waaronder de voorveroordeling van de eiser door de Vlaamse minister van Justitie, en het lekken en verspreiden van dossierstukken via sociale media door de burgerlijke partijen, het vermoeden van onschuld hebben aangetast en verder welke gevolgen deze ingeroepen schending had op het verloop van het strafproces in zijn geheel (eerste onderdeel); de schending van artikel 6.1 EVRM heeft de schending van artikel 6.2 EVRM tot gevolg aangezien de partijdige publieke commentaren doorwerken in het arrest (tweede onderdeel). 10. Het vermoeden van onschuld wordt beschermd door artikel 6.2 EVRM, dat onderdeel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces in strafzaken, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM. 11. Het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld worden niet miskend door de enkele omstandigheid dat een verdachte of zijn zaak omstandig in de pers of op sociale media wordt becommentarieerd, ook al spreken bepaalde berichten in de pers of op sociale media zich op een negatieve wijze over die verdachte uit of aanzien zij hem als schuldig aan de feiten waarvan hij wordt verdacht voordat er een definitieve gerechtelijke beslissing is tussengekomen. 12. Die rechten kunnen daarentegen wel worden miskend wanneer uit een officiële verklaring of beslissing met betrekking tot de verdachte de overtuiging van een bij het strafdossier betrokken overheid, zoals een rechter, een lid van het openbaar ministerie of een politieambtenaar, blijkt dat hij schuldig is ondanks het feit dat zijn schuld nog niet wettelijk is vastgesteld. Ook een verklaring van een gezaghebbende politieke persoon, van wie bij het publiek de indruk kan bestaan dat hij zeggenschap over of bijzondere kennis van de zaak heeft, komt in aanmerking. 13. Dat is echter niet het geval voor wat betreft al dan niet bekende privépersonen of partijen in de zaak, die hun mening over de zaak of over de persoon van de verdachte in de pers of op sociale media uiten. Aan dergelijke personen kan bovendien niet zonder meer het recht worden ontzegd hun mening te uiten. Evenmin kan van de bevoegde gerechtelijke overheden worden verwacht dat zij onjuiste of ongepaste berichtgeving van dergelijke personen telkens rechtzetten of becommentariëren. 14. Tot de hier bedoelde personen kan, in een federaal gerechtelijk dossier, ook een minister van Justitie van een deelstaat behoren die zich op sociale media in persoonlijke naam over de zaak of de persoon van de verdachte uitlaat vooraleer een definitieve gerechtelijke beslissing over diens schuld is tussengekomen. Die persoon kan, ongeacht zijn titel, bij het publiek redelijkerwijze niet de indruk wekken dat hij zeggenschap over of bijzondere kennis van de zaak heeft. 15. Wanneer een beklaagde aanvoert dat zijn recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld zijn miskend als gevolg van een overvloedige en negatieve publieke belangstelling die te wijten is of te wijten moet zijn aan de schending van het geheim van het onderzoek of het beroepsgeheim van een of meerdere bij het onderzoek of de behandeling van de zaak betrokken personen, maar uit het aan de rechter voorgelegde strafdossier niet blijkt dat dit het geval is, is de rechter niet ertoe gehouden een bijzonder onderzoek te voeren naar de persoon of personen die mogelijk hun geheimhoudingsplicht hebben miskend. 16. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 17. Met overname van redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen oordeelt het arrest onder meer als volgt: - er is geen sprake van miskenning van het vermoeden van onschuld door het hof van beroep, de correctionele rechtbank, de onderzoeksrechter en de politie die het onderzoek voerde, noch door enige gezagsdrager die enige invloed had op (de samenstelling van) het strafdossier of het resultaat van de procedure; - het hof van beroep kan geen schending van het beroepsgeheim of het inzagerecht door bepaalde personen afleiden uit de voorliggende gegevens. Het kan op basis van de bijgebrachte persartikels en de daarin gegeven informatie niet worden bepaald van waar deze informatie afkomstig was, tenzij wanneer personen worden geciteerd (dit was dan meermaals ter verdediging van de eiser); - alleszins blijkt uit de weergave in eisers stukken van de (mondelinge) persberichtgeving van de gerechtelijke overheden geenszins dat er sprake is van schending van het beroepsgeheim of miskenning van het vermoeden van onschuld. Deze berichtgeving lijkt objectief de stand van het onderzoek weer te geven zonder de schuld al vast te stellen. Een schending van het geheim van het onderzoek door een gerechtelijke overheid of de politie (of in het algemeen iemand die beroepshalve zijn medewerking diende te verlenen aan het gerechtelijk onderzoek) blijkt niet; - beklaagden konden een klacht neerleggen wegens de voorgehouden schending van het inzagerecht of het beroepsgeheim. Dit gebeurde niet. De gerechtelijke overheden kunnen in casu niet verantwoordelijk worden gehouden voor het eventuele gegeven dat bepaalde personen stukken uit het strafdossier via sociale media zouden delen. Nog minder kan hieruit worden afgeleid dat er geen eerlijk proces mogelijk is, dat de wapengelijkheid niet werd gerespecteerd of dat er geen onderzoek à charge en à décharge gebeurde; - in bepaalde artikels maakte ook de advocaat van de eiser zelf zijn standpunt kenbaar aan de betreffende journalist en werd het geciteerd. Bovendien wordt ook meermaals verwezen naar de steun die de eiser bleef krijgen van veel mijnwerkers en werd onder meer M., die de eiser steunde, geciteerd. Het is dus niet zo dat slechts één kant werd belicht; - de gerechtelijke overheden hebben geen controle over de publicaties door journalisten en zijn daar ook niet verantwoordelijk voor; - hetzelfde geldt voor de facebookpost van minister D. Vooreerst lijkt dat bericht door haar te zijn gepost niet als Vlaams minister maar wel als dochter van een gewezen mijnwerker in Limburg, zoals blijkt uit de inhoud van het bericht. In die zin is er geen verschil tussen deze post en die van een willekeurige mijnwerker of diens familie. D. was weliswaar Vlaams “minister van justitie”, maar dit houdt niet in dat zij enige zeggenschap of enig gezag had in deze zaak. Justitie is nog steeds een voornamelijk federale materie met een federale minister van Justitie. De Vlaamse minister van Justitie heeft geen enkele zeggenschap over de misdrijven van het Strafwetboek, de strafprocedure, de federale politie, de hoven en rechtbanken, … Wat de misdrijven van het Strafwetboek (zoals hier het geval
  3. is)betreft, valt enkel een beperkt gedeelte van de strafuitvoering onder Vlaamse bevoegdheid (bijvoorbeeld inzake probatievoorwaarden of elektronisch toezicht). In de fase tot en met de uitspraak is er geen sprake van een Vlaamse bevoegdheid; - de eiser werd reeds tijdens het onderzoek bijgestaan door een advocaat. Tijdens het onderzoek en de procedures voor de rechtbank en het hof van beroep kreeg hij bijstand van zijn advocaat. Hij kon tegenspraak voeren over alle gegevens van het strafonderzoek. Hij kon zelf stukken bijbrengen en bijkomend onderzoek vragen; - het hof van beroep is niet vooringenomen en oordeelt onafhankelijk, net zoals de correctionele rechtbank in eerste aanleg. Het hof van beroep laat zich geenszins leiden door persartikels, maar oordeelt op grond van de objectieve gegevens in het strafdossier en de door partijen bijgebrachte stukken. Beklaagden hebben zowel in eerste aanleg als in hoger beroep voldoende tijd en mogelijkheid gehad om hun verdediging te organiseren. Zij hebben ook uitgebreid schriftelijk standpunt ingenomen en mondeling gepleit. De beklaagden die aanwezig waren ter rechtszitting werden ook uitvoerig gehoord; - de persartikels hadden geen invloed op de wijze waarop het onderzoek werd gevoerd en hebben ook geen invloed op de beoordeling ten gronde door het hof van beroep. Het hof van beroep oordeelt op grond van de gegevens van het strafdossier en deze bijgebracht door de partijen en dan voornamelijk de objectieve gegevens; - de persartikels hebben ook geen enkele invloed op de betrouwbaarheid van de verzamelde gegevens, waarvan het merendeel objectieve stukken zijn die losstaan van de menselijke wil. 18. Met die redenen beantwoordt het arrest het verweer van de eiser en is de beslissing dat noch het vermoeden van onschuld noch het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging van de eiser zijn miskend, regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel 19. Het middel voert schending aan van artikel 6, onder meer artikel 6.1 en 6.2, EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de motivering van gerechtelijke uitspraken dat uit de ingeroepen rechtsnormen voortvloeit, het recht van verdediging en de loyaliteit van de bewijsvoering in strafzaken. Eerste onderdeel 20. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte eisers bezwaar verwerpt dat de in beslag genomen boekhouding van de betrokken verenigingen niet aanwezig was op de griffie van het hof van beroep op het ogenblik van de behandeling en evenmin op de griffie van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Hasselt; het arrest verwerpt eveneens eisers ondergeschikte verzoek tot aanvullend onderzoek over het bestaan van de feitelijke vereniging V. omdat het hof van beroep niets kan bevelen aan het openbaar ministerie en omdat het daarover voldoende is ingelicht; het hof van beroep twijfelt niet dat naar informatie ten ontlaste werd gezocht; het oordeelt dat alle gegevens objectief à charge en à décharge werden geanalyseerd en dat de analysen zich in het strafdossier bevinden, dat het verzoek van de eiser tot bijkomend onderzoek aan de onderzoeksrechter daaraan niets verandert, dat de eiser alle mogelijkheden heeft gekregen om zijn verdediging omstandig te voeren tijdens het onderzoek en de behandeling van de zaak ten gronde en dat het onderzoek onpartijdig verliep; de eiser heeft aangevoerd dat de boekhouding van de verenigingen nooit werd onderzocht op misbruik van vertrouwen en dat die boekhouding zich niet ter griffie bevond, noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep; de appelrechters bewijzen niet hun stelling dat het ganse dossier ter griffie in eerste aanleg ligt; het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat de boekhouding nooit werd onderzocht; immers, het arrest laat na de aanwezigheid te onderzoeken van een proces-verbaal dat de inhoud van de boekhouding beschrijft, laat staan van een analyse daarvan, aangezien het arrest daarvan geen enkel gewag maakt als antwoord op eisers bezwaar; aldus is aan de eiser een essentieel deel van verdediging ontnomen; dat de eiser nalaat uitstel van de behandeling van zijn zaak te vragen, beantwoordt zijn verweer niet. 21. Artikel 149 Grondwet, dat een formele verplichting inhoudt, vereist niet dat de rechter aan een door een partij als geschonden aangevoerde wetsbepaling een inhoudelijk juiste draagwijdte geeft. Evenmin bestaat er voor wat betreft de motiveringsverplichting van de rechter een algemeen rechtsbeginsel met die strekking. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 22. Het arrest oordeelt niet dat er stukken van het strafdossier niet ter inzage van de eiser of van de appelrechters waren. Het oordeelt dat het strafdossier na het instellen van hoger beroep werd overgemaakt aan het hof van beroep en daar ter inzage lag, alsook dat de boekhoudkundige stukken en andere in beslag genomen zaken zich bevonden ter griffie van de correctionele rechtbank, waar zij eveneens konden worden ingezien. Het stelt verder vast dat het strafdossier volledig is en de eiser toelaat zijn recht van verdediging uit te oefenen, dat de eiser geen uitstel vraagt om bepaalde stukken nog naar de griffie van het hof van beroep te laten overbrengen en dat het vermoeden van onschuld en het recht op een eerlijke procesvoering, met inbegrip van de wapengelijkheid, werden gerespecteerd. 23. Het arrest oordeelt evenmin dat er zich geen proces-verbaal van de analyse van de boekhouding van de verweerster 1 of de feitelijke vereniging K., dan wel een of meerdere stukken met dezelfde draagwijdte, in het dossier bevonden. Dat blijkt ook niet uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan. 24. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. 25. De rechter oordeelt onaantastbaar of het strafdossier volledig is, dan wel of de voeging van bepaalde bewijsstukken nog vereist is om dat dossier te vervolledigen, onder meer met het oog op de vrijwaring van het recht van verdediging van een partij. De rechter die vaststelt dat het strafdossier volledig is, moet het bewijs van zijn vaststelling niet leveren. 26. In strafzaken oordeelt de rechter onaantastbaar over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van het verzoek van een beklaagde om bijkomende onderzoeksmaatregelen te bevelen. De rechter kan daarbij onder meer rekening houden met de aard van die maatregelen, de bijzonderheid van de zaak, de op het spel staande belangen van alle partijen, de reeds aanwezige beoordelingselementen en de mate waarin de beklaagde de noodzaak van die maatregelen voor de eerbiediging van zijn recht op een eerlijk proces en recht van verdediging aannemelijk maakt. 27. De gemotiveerde verwerping van het verzoek van een partij om bijkomende onderzoeksmaatregelen te bevelen, impliceert niet automatisch een miskenning van het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging. 28. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. 29. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 30. Het arrest (p. 56) oordeelt dat het hof van beroep voldoende is ingelicht over de feitelijke vereniging door de stukken van het strafdossier en deze bijgebracht door de partijen, alsook dat een eventueel gebrek aan informatie over de feitelijke vereniging niet in het nadeel van de beklaagden zou worden uitgelegd. 31. Op grond van die redenen en de overige redenen die het onderdeel vermeldt, kan het arrest wettig het verzoek van de eiser om bijkomende onderzoekshandelingen te bevelen, verwerpen. 32. Met die redenen beantwoordt het arrest ook eisers in het onderdeel vermelde verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. 33. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 34. Het onderdeel voert aan dat het arrest zonder concrete motivering volledig voorbijgaat aan de maatschappelijke realiteit waarin de oprichting en de acties van de feitelijke vereniging kaderden; de eiser heeft aangevoerd dat de stukken die bewijzen dat hijzelf belangrijke financiële uitgaven heeft verricht en schuldenlast van het verleden droeg, alsook dat belangrijke inspanningen werden geleverd ten behoeve van het pensioenstatuut van mijnwerkers, niet bij het dossier werden gevoegd; eisers verzoek om aanvullend onderzoek te bevelen over de werking en het historisch kader van de feitelijke vereniging is ten onrechte afgewezen, evenals zijn bezwaar over de afwezigheid van de boekhouding of minstens de analyse ervan; dit heeft tot gevolg dat het de eiser onmogelijk wordt gemaakt om de verantwoording voor de aan hem uitbetaalde bedragen, die ook in historisch verband staan met de gevoerde sociale actie die hij met eigen penningen en met de verkoop van zijn eigendommen heeft gefinancierd, als effectief verdedigingsmiddel te gebruiken; aldus zijn het onderzoek en het arrest partijdig, wordt het recht van verdediging en de wapengelijkheid miskend en is er geen sprake van een eerlijke en tegensprekelijke bewijsvoering, met de passende beoordeling van de elementen à décharge. 35. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheden, is het niet ontvankelijk. 36. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel evenmin ontvankelijk. Vierde middel 37. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 7 EVRM, de artikelen 12 en 149 Grondwet, de artikelen 152, 204 en 210 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 8.1.2°, 8.1.4°, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 440, 444, 807 en 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de motivering van gerechtelijke uitspraken en het recht van verdediging. Tweede onderdeel 38. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte beslist tot het weren uit het debat van eisers in hoger beroep voor het eerst aangevoerde verweer dat de verweerster 1 niet aantoont dat zij door de algemene vergadering werd gemachtigd om zich burgerlijke partij te stellen en dat aan de eiser kwijting werd verleend, omdat in de beschikking tot het bepalen van conclusietermijnen uitdrukkelijk werd meegedeeld dat de antwoordconclusie van de eiser dienden om te antwoorden op de conclusies van de burgerlijke partijen en desgevallend van het openbaar ministerie, maar niet om nieuwe middelen in te roepen, alsook omdat het plots en zonder markering tussenvoegen van een zin met het vermelde verweer, in een alinea hernomen uit eisers in eerste aanleg genomen conclusie, een miskenning inhoudt van het recht van verdediging van de verweerster 1, die daarop niet meer kan antwoorden, terwijl de appelrechters de indruk hebben dat de eiser, door alzo te handelen en de wijziging niet ter sprake te brengen tijdens de pleidooien, de verweerster 1 heeft willen misleiden; het desbetreffende verweer was echter niet nieuw, maar paste binnen de ingeroepen rechtsmiddelen in eisers eerste conclusie; artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering vormt geen legale basis om aan de partijen zelfstandig op te leggen dat de tweede conclusie enkel een antwoord mag geven op de conclusie van de tegenpartij en geen motieven of feiten zou kunnen inroepen waarbij nieuwe inzichten worden aangebracht; het arrest slaat geen acht op het feit dat de verweerster 1 in haar appelconclusie incidenteel beroep heeft ingesteld; een beklaagde moet gerechtigd zijn alle elementen in rechte en in feite aan te voeren die zijn rechtspositie kunnen ondersteunen en die voor hem nuttig zijn, met inbegrip van nieuwe middelen; het arrest gaat voorbij aan het onderscheiden bestaan en de werking van de feitelijke vereniging V. en de verweerster 1, alsook de rol die de eiser daarbij speelde; de eiser heeft in zijn appelconclusie omstandig verweer gevoerd over de nieuwe argumenten van de verweerster 1 in haar appelconclusie, onder meer over de verleende kwijting; het arrest toont niet concreet aan dat de verweerster 1 niet meer in de mogelijkheid was te antwoorden op eisers nieuw aangevoerde verweer; de verweerster 1 kon repliceren op de daartoe bepaalde rechtszittingen; het arrest maakt een volstrekt onevenredige afweging tussen de waardering van het al dan niet feitelijk bestaan van een beslissing van de algemene vergadering van de vzw en de beweerde kwalificatie, de aard en de zwaarwichtigheid van het ingeroepen motief als de inbreuk op het recht van verdediging van de verweerster 1; daardoor wordt tevens de wapengelijkheid miskend nu de eiser gerechtigd was te antwoorden op de nieuwe besluiten van de verweerster 1, met incidenteel beroep. 39. Het recht op een eerlijk proces, waartoe de wapengelijkheid behoort, houdt in dat de procespartijen voor de rechter vrij en in gelijke mate verweermiddelen, eventueel voor het eerst in hoger beroep, moeten kunnen aanvoeren. Dit recht is evenwel niet absoluut en het verhindert niet dat de rechter verweermiddelen uit het debat weert die een partij aanvoert in strijd met de beperkingen opgenomen in een beschikking tot het bepalen van conclusietermijnen of die blijk geven van procesmisbruik. Dit is des te meer het geval wanneer de rechter niet oordeelt over de schuld van een beklaagde, maar enkel, na diens schuldigverklaring, over de gegrondheid van de tegen hem gerichte burgerlijke vordering. 40. Bij het bepalen van conclusietermijnen op grond van artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering kan de rechter die aan een partij meerdere conclusietermijnen toekent, bepalen dat een navolgende conclusietermijn enkel ertoe strekt te antwoorden op de eventuele conclusie van een tegenpartij, teneinde aldus het recht van verdediging van deze laatste partij maximaal te vrijwaren. De rechter die in dat geval de tijdens de navolgende conclusietermijn neergelegde conclusie uit het debat weert omdat degene aan wie deze termijn is toegestaan toch een nieuw middel aanvoert, miskent hierdoor niet het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging van die partij. 41. De enkele omstandigheid dat een burgerlijke partij in haar appelconclusie incidenteel beroep instelt, verleent de beklaagde tegen wie de burgerlijke vordering is gericht niet het recht om in strijd met de beschikking tot het bepalen van conclusietermijnen nieuwe middelen aan te voeren. 42. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 43. Het arrest stelt niet vast dat de verweerster 1 in haar appelconclusie nieuwe middelen of argumenten heeft aangevoerd tot staving van haar burgerlijke vordering of dat de door de verweerster 1 aangevoerde middelen en argumenten het nieuwe middel van de eiser verantwoordden. Het arrest stelt evenmin vast dat het nieuwe middel van de eiser kaderde in zijn bestaand verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 44. Voor het overige oordeelt het arrest: “Louter volledigheidshalve en ten overvloede merkt het hof (van beroep) op dat – zoals hoger reeds vermeld – de leden van de VZW niet op de hoogte waren van de massale onttrekking van gelden door [de eiser] voor eigen gebruik. Er is nooit met kennis van zaken kwijting gegeven aan [de eiser] voor de onttrekking van deze gelden.” 45. Met die reden en de overige redenen die het onderdeel aanvoert, beantwoordt het arrest het verweer van de eiser en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel 46. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de eiser, door “nieuwe middelen” in zijn synthese-appelconclusie op te nemen waarop de verweerster 1 niet meer kan antwoorden, het recht van verdediging van de verweerster 1 miskent; het gaat echter niet om nieuwe middelen, maar om een nieuw motief of een nieuw argument; de wijze van presentatie van de door de eiser gevoerde verdediging door het arrest geeft de indruk dat die verdediging bewust op deze wijze werd geconstrueerd om de burgerlijke partijen te misleiden, alsook dat de raadsman dit middel mondeling niet inriep ter rechtszitting; het ambtshalve ingeroepen rechtsmiddel tegen de eiser en tegen zijn raadsman persoonlijk miskent het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging nu de eiser over dit potentiële middel door het hof van beroep niet werd ingelicht en niet werd uitgenodigd om zich daarop te verdedigen; evenmin vermeldt het proces-verbaal van de rechtszitting dat de eiser dit nieuwe feit mondeling niet heeft gepleit, zodat de eiser deze vaststelling binnen het kader van een normaal procesverloop niet kan betwisten; overigens kan het arrest uit het al dan niet vermelden in het pleidooi van de raadsman van bepaalde schriftelijke ontwikkelde middelen niet afleiden noch suggereren dat deze met een misleidend doel niet mondeling werden ingeroepen, noch dat dit gebeurt om de tegenpartij te misleiden, zonder deze grievende bewering lastens eisers raadsman aan tegenspraak te onderwerpen; een pleidooi valt niet samen met de letterlijke en volledige voorlezing van de conclusie, zodat de genomen gevolgtrekking onwettig is; het pleidooi is vrij en moet als zodanig worden gerespecteerd, wat het arrest niet doet door de grievende gevolgtrekking, zonder mogelijk verweer, aan te nemen. 47. Het voor het eerst in de repliekconclusie aanvoeren dat een burgerlijke partij-vzw niet is gemachtigd om een burgerlijke vordering in te stellen, om daaruit af te leiden dat deze niet ontvankelijk is, betreft een zelfstandig nieuw middel en niet een nieuw motief of argument waarmee de gegrondheid van de burgerlijke vordering wordt betwist. 48. Wanneer een beschikking tot het bepalen van conclusietermijnen voorligt met de uitdrukkelijke mededeling dat een aan de beklaagde toegekende tweede conclusietermijn enkel dient om te antwoorden op de conclusies van het openbaar ministerie en de burgerlijke partijen, ligt de kwestie van het aanvoeren van nieuwe middelen in een dergelijke termijn in het debat en is de beklaagde in staat om zijn verweer te voeren over het eventueel weren van het nieuwe middel uit het debat, wat hij onder meer kan doen door zijn nieuw middel ter sprake te brengen tijdens de behandeling van de zaak voor de rechter. 49. Het pleitmonopolie van de advocaat en de vrijheid van het pleidooi verplichten de rechter die rechtsmisbruik vaststelt door het heimelijk tussenvoegen van een nieuw middel in een repliekconclusie, niet om de advocaat met die handelwijze te confronteren tijdens de behandeling van de zaak of om met dat doel het debat te heropenen. 50. De rechter kan, zonder de vrijheid van het pleidooi te miskennen, procesmisbruik door een poging tot het misleiden van een tegenpartij afleiden uit alle hem voorgelegde gegevens, waaronder het feit dat een partij een punt van zijn vordering of verweer niet opwerpt in zijn pleidooi. 51. De rechter kan feitelijk vaststellen dat een partij tijdens zijn pleidooi een bepaald punt van zijn vordering of zijn verweer niet heeft opgeworpen. Niet vereist is dat het proces-verbaal van de rechtszitting dat uitdrukkelijk vaststelt. 52. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Eerste onderdeel 53. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de grief inzake de ontvankelijkheid van de burgerlijke vorderingen, omwille van het niet aantonen van het bestaan van een machtiging aan de verweerster 1 om in rechte op te treden of omwille van het verleend zijn van een kwijting aan de eiser, niet werd opgenomen in het grievenformulier, zodat het hoger beroep op dit punt vervallen is. 54. Gelet op het antwoord op het tweede en het derde onderdeel, kan het onderdeel niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 55. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 427,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.