← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.16 Rolnummer: P.25.1647.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-02-02 Raadplegingen: 676 - laatst gezien 2026-06-18 23:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Tekst van de beslissing Nr. P.25.1647.N B. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Alexander Meuwissen, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 22 oktober 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 47quinquies en 235ter Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de eiser zich niet kan beroepen op de strafuitsluitende verschoningsgrond van artikel 47quinquies Wetboek van Strafvordering eigent de rechtbank zich een beoordelingsmacht toe die zij niet heeft; die bevoegdheid komt de procureur des Konings toe en de kamer van inbeschuldigingstelling; het is die kamer die op grond van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering oordeelt over het verloop van een bijzondere opsporingsmethode en dus ook over de vraag of de machtiging voldoet aan de wettelijke voorwaarden; het openbaar ministerie heeft bevestigd dat de verkeersovertreding kaderde binnen een verleende machtiging. 2. Indien een beklaagde zich voor een vonnisgerecht beroept op de strafuitsluitende verschoningsgrond van artikel 47quinquies Wetboek van Strafvordering, dient dit vonnisgerecht te onderzoeken of aan de wettelijke toepassingsvoorwaarden voor die strafuitsluitende verschoningsgrond is voldaan. De omstandigheid dat het openbaar ministerie volgens artikel 47quinquies, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering zijn uitdrukkelijk akkoord moet geven voor het plegen van strikt noodzakelijke strafbare feiten en dat de kamer van inbeschuldigingstelling volgens artikel 235ter Wetboek van Strafvordering belast is met de controle over de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden sluit geenszins die beoordelingsmacht van het vonnisgerecht uit. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel 3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat het uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de procureur des Konings niet werd bijgevoegd; het stelt anderzijds vast dat de verbalisanten door het parket Halle-Vilvoorde in kennis werden gesteld dat de inbreuk kaderde in de uitgeschreven machtiging tot het begaan van verkeersinbreuken in het raam van een BOM-maatregel; de motivering is strijdig met de objectieve stukken van het dossier. 4. Een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek als bedoeld door artikel 149 Grondwet vereist beschikkingen of redenen van eenzelfde rechterlijke beslissing die elkaar teniet doen en bijgevolg opheffen. Dat het oordeel van de rechter in strijd zou zijn met de stukken van het strafdossier levert niet een dergelijk motiveringsgebrek op. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 5. Het is niet tegenstrijdig eensdeels te oordelen dat het uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de procureur des Konings niet werd bijgevoegd en anderdeels vast te stellen dat het parket Halle-Vilvoorde aan de verbalisanten had gemeld dat de inbreuk kaderde in de uitgeschreven machtiging tot het begaan van verkeersinbreuken betreffende een BOM-maatregel. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.