id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.18 Rolnummer: P.26.0039.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-02-02 Raadplegingen: 729 - laatst gezien 2026-06-19 00:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Tekst van de beslissing Nr. P.26.0039.N B. K., beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 8 januari 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 27, § 1, 2°, Voorlopige Hechteniswet en de artikelen 199, 203 en 204 Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat eisers hoger beroep van 15 oktober 2025 tegen de in het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2025 van de correctionele rechtbank opgenomen beslissing volgens welke de raadslieden over de inhoud van hun conclusies zullen mogen pleiten samen met hun pleidooi over de grond van de zaak na het requisitoir van het openbaar ministerie “kennelijk onontvankelijk is”, verantwoordt het hof van beroep niet naar recht dat het door de eiser op 31 december 2025 ter griffie van het hof van beroep neergelegde verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling onontvankelijk is; het komt het hof van beroep dat moet oordelen over het voormelde verzoekschrift niet toe om het beroepen vonnis zelf te onderzoeken; van manifeste onontvankelijkheid van het hoger beroep is slechts sprake wanneer een rechtsmiddel zonder twijfel buiten de verzets- of beroepstermijn werd ingesteld; het arrest stelt bovendien louter vast dat het voormelde hoger beroep werd ingesteld tegen een beslissing die “schijnbaar” een loutere beslissing van inwendige aard inhoudt, die volgens het hof van beroep niet vatbaar is voor hoger beroep. 2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: - de zaak werd behandeld door de correctionele rechtbank, onder meer op de rechtszitting van 18 september 2025, waarna de zaak in voortzetting werd gesteld maar de procedure ingevolge wrakingsverzoeken van diverse partijen, waaronder de eiser, was geschorst, waarbij de zaak voor verdere behandeling werd vastgesteld op de rechtszitting van 5 januari 2026, waarop het debat werd gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op de rechtszitting van 30 maart 2026; - op het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2025 van de correctionele rechtbank werd onder meer het volgende vermeld: “De voorzitter stelt vervolgens gisteren conclusies ontvangen te hebben en dat de betreffende raadslieden daarover zullen mogen pleiten samen met hun pleidooi over de grond van de zaak, na het requisitoir van het openbaar ministerie. De voorzitter bevestigt dat alles wat werd genoteerd in de laatste besluiten kan worden meegenomen in de debatten ten gronde waarbij eenieder de tijd zal hebben uitvoerig te pleiten”; - de eiser tekende op 15 oktober 2025 hoger beroep aan “tegen het vonnis van 18 september 2025”, waarbij ook een grievenformulier werd neergelegd, met name tegen de in het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2025 opgenomen beslissing volgens welke “over al hetgeen in conclusies van 17 september 2025 werd opgeworpen, zou gepleit mogen worden bij de debatten ten gronde na het requisitoir van het openbaar ministerie”; - de eiser diende op 31 december 2025 ter griffie van het hof van beroep een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling in. 3. Het arrest (p. 26) oordeelt dat eisers hoger beroep tegen de beslissing van 18 september 2025 “kennelijk onontvankelijk” is omdat beslissingen van inwendige aard bij toepassing van artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek niet vatbaar zijn voor verzet of hoger beroep. Met het oordeel dat met de beslissing van 18 september 2025 “schijnbaar” slechts een ordentelijk procesverloop wordt georganiseerd en die beslissing aldus “schijnbaar” een loutere beslissing van inwendige aard inhoudt, geeft het arrest dan ook niet te kennen dat de aard van die beslissing twijfelachtig zou zijn, maar louter dat het niet toekomt aan het hof van beroep om, naar aanleiding van een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling, definitief te oordelen over de ontvankelijkheid van eisers hoger beroep. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 4. Een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling dat voor het hof van beroep is ingediend, is niet ontvankelijk wanneer het hoger beroep dat de verzoeker tegen een voorbereidende beslissing van de correctionele rechtbank heeft ingesteld en naar aanleiding waarvan hij zijn verzoekschrift ter griffie van het hof van beroep heeft neergelegd, zelf kennelijk niet ontvankelijk is. Daarbij is wel vereist dat de rechter die over het verzoek oordeelt, de kennelijke niet-ontvankelijkheid van dat hoger beroep op onmiskenbare wijze vaststelt. 5. De kennelijke niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep dat de onontvankelijkheid van een voor het hof van beroep ingediend verzoek tot voorlopige invrijheidstelling tot gevolg heeft, kan niet alleen voortvloeien uit de niet-naleving van de termijn waarbinnen hoger beroep moet worden aangetekend, maar uit de miskenning van elk procedureel voorschrift waaruit de onmiskenbare onontvankelijkheid van dat rechtsmiddel blijkt. Het hof van beroep dient hierbij in voorkomend geval de aard van de beroepen beslissing te onderzoeken teneinde na te gaan of die beslissing kennelijk niet vatbaar is voor hoger beroep. Dit houdt geen oordeel in over de inhoud van die beslissing. 6. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Tweede onderdeel 7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 2 en 1046 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 199, 203 en 204 Wetboek van Strafvordering: het oordeel dat de in het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2025 van de correctionele rechtbank opgenomen beslissing volgens welke de raadslieden over de inhoud van hun conclusies zullen mogen pleiten samen met hun pleidooi over de grond van de zaak na het requisitoir van het openbaar ministerie, slechts een maatregel van inwendige aard inhoudt en eisers hoger beroep hiertegen bijgevolg “kennelijk onontvankelijk is”, is niet naar recht verantwoord; een maatregel van inwendige aard die een geschil van feitelijke of juridische aard beslecht, kan als zodanig nadeel berokkenen aan een partij en is wel degelijk vatbaar voor hoger beroep; in zijn op 8 januari 2026 voor het hof van beroep neergelegde conclusie had de eiser aangevoerd dat de in het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2025 opgenomen beslissing een definitieve verwerping inhield van zijn verweer dat de artikelen 3 en 6 EVRM, gelet op de wijze waarop hij zijn proces moest bijwonen, werden geschonden; het komt slechts toe aan de correctionele kamer van het hof van beroep die over het hoger beroep moet oordelen, om na te gaan hoe de beroepen beslissing moet worden geïnterpreteerd; het arrest kon er niet zomaar van uitgaan dat tegen die beslissing geen hoger beroep kon worden aangetekend, zonder na te gaan of de eiser hierdoor niet werd benadeeld, zoals hij in zijn conclusie had aangevoerd. 8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de rechtbank op 18 september 2025 een definitief standpunt heeft ingenomen over eisers verweer dat de wijze waarop hij dient te verschijnen de artikelen 3 en 6 EVRM schendt. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 9. Hoewel volgens artikel 199 Wetboek van Strafvordering tegen de vonnissen, gewezen in correctionele zaken, hoger beroep openstaat, bepaalt artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek dat beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals bepaling van de rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling niet vatbaar zijn voor verzet of hoger beroep. Deze in strafzaken toepasselijke bepaling beoogt uitsluitend beslissingen van louter administratieve aard die betrekking hebben op de werking van het rechtscollege, de samenstelling van de zetel of het verloop van de rechtszitting, maar geen beslissingen die de belangen van partijen kunnen schaden of die een beoordeling inhouden van een feitenkwestie of de oplossing van een rechtsvraag. Tegen die laatste beslissingen staat hoger beroep open zodra de beslissing is gewezen. 10. De beslissing waarbij de behandeling van de zaak in voortzetting wordt gesteld en aan de raadslieden van de beklaagden wordt meegedeeld dat zij over de in hun conclusies aangevoerde verweermiddelen zullen mogen pleiten na de vordering van het openbaar ministerie, samen met hun pleidooi over de grond van de zaak, is als zodanig een maatregel van inwendige aard die de belangen van partijen niet kan schaden en bijgevolg niet vatbaar is voor hoger beroep. 11. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 12. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de eiser kan worden geschaad door de voormelde beslissing van de voorzitter van de rechtbank van 18 september 2025, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van het arrest over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel 13. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16 en 27 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van het algemeen beginsel houdende de motiveringsplicht: het oordeel dat de in het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2025 van de correctionele rechtbank opgenomen beslissing volgens welke de raadslieden over de inhoud van hun conclusies zullen mogen pleiten samen met hun pleidooi over de grond van de zaak na het requisitoir van het openbaar ministerie, slechts een maatregel van inwendige aard inhoudt en eisers hoger beroep hiertegen bijgevolg “kennelijk onontvankelijk is”, is niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest antwoordt immers niet op eisers conclusie waarin hij had aangevoerd dat de beslissing van 18 september 2025 hem een onmiddellijk nadeel heeft berokkend. 14. Het arrest (p. 26) oordeelt dat met de beslissing van 18 september 2025 louter “een ordentelijk procesverloop (werd) georganiseerd zonder dat enige beslissing omtrent de strafvordering, hetzij in rechte, hetzij in feite werd genomen of beslecht”, dat dit een loutere beslissing van inwendige aard inhoudt en dat dit niet wordt ontkracht of weerlegd door wat in eisers conclusie wordt uiteengezet. Met die redenen verwerpt en beantwoordt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 137,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.