id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.3 Rolnummer: P.25.1105.N Zaak: D. contra POLITIEZONE GISTEL-ICHTEGEM-JABBEK Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-02-02 Raadplegingen: 817 - laatst gezien 2026-06-19 00:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Algemeen Tekst van de beslissing Nr. P.25.1105.N G. D. S., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Koen Dermaut, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen LOKALE POLITIEZONE GISTEL-ICHTEGEM-JABBEKE-OUDENBURG-TORHOUT, Lokale Politie Kouter, met zetel te 8820 Torhout, Ambachtstraat 4, ON 0267.358.031, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 20 juni 2025. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de door de verweerster betaalde pensioenbijdragen voor haar schade in de zin van de voormelde bepalingen vormen; deze bijdragen, die op grond van de wet van 24 oktober 2011 worden gestort in het ‘gesolidariseerd pensioenfonds’, zijn geen vergoeding die verband houdt met het derven van de arbeidsprestatie van een personeelslid van de verweerster, maar een vergoeding die steunt op een interne solidariteit en hebben bijgevolg een eigen oorzaak die los staat van de schade; de verweerster toont dan ook niet aan dat deze gesolidariseerde bijdragen uitgaven vormen die niet definitief te haren laste moeten blijven. 2. Krachtens de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek moet degene die door zijn fout aan een ander schade berokkent die integraal vergoeden, wat inhoudt dat de benadeelde wordt teruggeplaatst in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de handeling waarover hij klaagt niet was gesteld. 3. De schade van de overheid wiens personeelslid arbeidsongeschikt is ingevolge de fout van een derde, namelijk de derving van de arbeidsprestaties, staat gelijk met de wedde en de daarbij horende sociale en fiscale lasten die zij moet doorbetalen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis beschouwt de voorbeschiktheid van het personeelslid van de verweerster dan wel van de verweerster zelf tot het ontwikkelen van zwaardere schade ten onrechte als een reden om de pensioenbijdragen als schade in de zin van de voormelde bepalingen te kwalificeren; deze bijdragen hebben een externe oorzaak, met name de wet van 24 oktober 2011, die niet valt onder het terugvorderingsrecht van de publieke werkgever. 5. De met het eerste onderdeel vergeefs bekritiseerde zelfstandige redenen dragen de beslissing dat de verweerster recht heeft op de door haar gevorderde hoofdsom van 5.263,51 euro. 6. Het onderdeel dat opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat “wat betreft de opmerking van [de eiseres] over de abnormale omvang van de door [de verweerster] gevorderde patronale bijdragen, namelijk 49,48 % terwijl deze gemiddeld 25 % van het brutoloon zouden uitmaken, [de rechtbank] verwijst naar het principe dat de schadeveroorzaker het slachtoffer moet nemen zoals hij is”, is gericht tegen een reden die de beslissing niet draagt en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 20 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.