id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.4 Rolnummer: P.25.1365.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-02-02 Raadplegingen: 726 - laatst gezien 2026-06-18 23:49 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Tekst van de beslissing Nr. P.25.1365.N G. C., beklaagde, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Bart Bleyaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 8 oktober 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 210 Wetboek van Strafvordering en artikel 792 “en volgende” Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt, enerzijds, dat er geen redenen zijn om ambtshalve een grief op te werpen en, anderzijds, ingevolge een ambtshalve middel, dat beide hogere beroepen niet-ontvankelijk zijn; deze motivering is tegenstrijdig (eerste onderdeel); tijdens het debat werd door geen van de partijen en ook niet ambtshalve, een middel opgeworpen over de niet-ontvankelijkheid van de hogere beroepen; de appelrechters die tijdens het beraad vaststellen dat de hogere beroepen mogelijk niet-ontvankelijk zouden zijn, dienen het debat te heropenen om de partijen hierover standpunt te laten innemen; door dit niet te doen, miskennen zij eisers recht van verdediging (tweede onderdeel). 2. In zoverre het middel schending aanvoert van “artikel 792 en volgende” Gerechtelijk Wetboek, zonder de als geschonden aangevoerde wetsbepalingen nader te preciseren, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. 3. Geen enkele bepaling verplicht de appelrechter, die kennis neemt van een hoger beroep en van oordeel is dat dit hoger beroep geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk is, om de appellant de gelegenheid te geven daarover voorafgaandelijk standpunt in te nemen, noch moet hij hiervoor het debat heropenen. De appellant moet steeds ermee rekening houden dat in een appelprocedure de strafrechter zijn hoger beroep onontvankelijk verklaart. Dit houdt geen miskenning in van het recht van verdediging. 4. De mogelijkheid voor de appelrechter om, behoudens de opgeworpen grieven zoals bepaald in artikel 204 Wetboek van Strafvordering, ambtshalve de in artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde grieven van openbare orde op te werpen, is vreemd aan zijn verplichting om ambtshalve na te gaan of is voldaan aan de wettelijke ontvankelijkheidsvoorwaarden voor het aantekenen van hoger beroep. 5. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 6. De aangevoerde tegenstrijdigheid is daaruit afgeleid. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel 7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: op de inventaris van de stukken in de kaft “Hoger beroep” wordt melding gemaakt van de voeging aan het strafdossier op 21 mei 2025 van een betekening van het verstekvonnis; de eiser, noch zijn raadsman, werden door het openbaar ministerie ingelicht van de voeging van dit stuk en ook tijdens het debat op de rechtszitting werd op geen enkele wijze naar dit stuk verwezen; dit miskent eisers recht van verdediging. 8. Geen enkele bepaling verplicht het openbaar ministerie, op wiens verzoek een bij verstek gewezen vonnis aan de woonplaats van de beklaagde werd betekend, om laatstgenoemde of zijn raadsman te verwittigen van het feit dat de betekeningsstukken bij het strafdossier zijn gevoegd. Indien deze voeging van de betekeningsstukken gebeurt voorafgaand aan de rechtszitting waarop het hoger beroep tegen het verstekvonnis wordt behandeld, maken deze stukken deel uit van het strafdossier, waarvan de beklaagde kennis kan nemen, zodat zijn recht van verdediging ook niet wordt miskend. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 9. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit het eerste middel en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: volgens de regels van het Gerechtelijk Wetboek is de betekening van het verstekvonnis wel correct gebeurd, maar het recht op toegang tot de rechter vereiste in dit geval dat het openbaar ministerie, op wiens verzoek de betekening van het verstekvonnis gebeurde en dat wist dat de eiser in de gevangenis verbleef en dat hij niet in staat was om kennis te nemen van de betekening aan zijn domicilie, een bijkomende betekening diende te verrichten aan de feitelijke verblijfplaats van de eiser, namelijk de gevangenis. 11. Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet om het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen er evenwel niet toe leiden dat het recht van toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast. 12. Het vastleggen van een termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen een bij verstek gewezen rechterlijke beslissing, waarbij de aanvangsdatum voor die termijn de datum van de regelmatige betekening van die verstekbeslissing is, beoogt een goede rechtsbedeling en rechtszekerheid. Die voorwaarde dient dan ook een wettig doel en is redelijk verantwoord in het licht van dat doel. 13. De omstandigheid dat de beroepstermijn begint te lopen vanaf de regelmatige betekening en dit ongeacht of de persoon aan wie is betekend daadwerkelijk kennis heeft genomen van de verstekbeslissing, tast zijn recht op toegang tot de rechter in de kern niet aan. De regelmatige betekening van de verstekbeslissing doet niet enkel de termijn ingaan om hoger beroep aan te tekenen, maar ook de termijn van verzet en indien de betekening niet aan de persoon van de beklaagde is gebeurd vervolgens de buitengewone termijn van verzet. Derhalve beschikt de betrokkene over een toegang tot de rechter zoals vereist door artikel 6.1 EVRM. 14. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.