← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.9 Rolnummer: P.25.1790.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-02-02 Raadplegingen: 646 - laatst gezien 2026-06-18 20:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Tekst van de beslissing Nr. P.25.1790.N M. M.-M. K., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Hendrik Vandekerckhove, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter in de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 18 december 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 98/13 en 98/16 Wet Strafuitvoering: het vonnis grondt het voorhanden zijn van de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden op andere stukken dan de door artikel 98/16 Wet Strafuitvoering bedoelde stukken, namelijk op de vonnissen en arresten van veroordeling; de vonnissen en arresten van veroordeling waarvan sprake in artikel 98/16, derde lid, Wet Strafuitvoering, vormen geen stukken van het dossier zoals gedefinieerd in het eerste lid van die bepaling; het vonnis maakt geen gewag van actuele gedragingen waaruit de tegenaanwijzing kan blijken. 2. Artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat onder een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden wordt verstaan een risico dat op het eerste gezicht blijkt uit de actuele gedragingen van de veroordeelde of uit de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering. 3. Artikel 98/16, eerste lid, Wet Strafuitvoering legt aan de directeur de verplichting op een dossier samen te stellen waarbij het nader bepaalt welke stukken dit dossier moet bevatten. Artikel 98/16, derde lid, Wet Strafuitvoering legt aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank de verplichting op om aan het dossier zoals het werd overgemaakt door de gevangenisgriffie een geactualiseerd afschrift toe te voegen van onder meer de vonnissen en arresten van veroordeling. 4. Artikel 98/13 Wet Strafuitvoering maakt bij de verwijzing naar de door artikel 98/16 Wet Strafuitvoering bedoelde dossierstukken geen onderscheid tussen de door de directeur aan het dossier toe te voegen stukken als bedoeld in het eerste lid en de door de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank toe te voegen stukken als bedoeld in het derde lid. Derhalve kan de strafuitvoeringsrechter bij de beoordeling van de in artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzing wel degelijk rekening houden met de vonnissen en arresten van veroordeling waarvan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank een afschrift heeft toegevoegd aan het in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering bedoelde dossier. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel 5. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis houdt op geen enkele manier rekening met de door de eiser ingediende documenten en evenmin met het advies van de directeur; het motiveert in elk geval niet waarom dit advies, dat verwijst naar de door de eiser ingediende stukken, niet kan worden gevolgd. 6. Het vonnis verwijst uitdrukkelijk naar het advies van de directeur. Daaruit volgt dat de strafuitvoeringsrechter het bij zijn beoordeling heeft betrokken. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 7. Artikel 29 Wet Strafuitvoering is volgens artikel 109/1 Wet Strafuitvoering niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechter die uitspraak doet volgens de in hoofdstuk I van titel XIIquater Wet Strafuitvoering bedoelde procedure. 8. Uit de omstandigheid dat de strafuitvoeringsrechter geen melding maakt van de door de veroordeelde ingediende stukken volgt niet dat hij die stukken niet bij die beoordeling heeft betrokken. 9. Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de strafuitvoeringsrechter niet de verplichting melding te maken van de door de veroordeelde ingediende stukken of om op de stukken te moeten antwoorden. 10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 11. Met de redenen die het vonnis bevat, geeft de strafuitvoeringsrechter aan waarom het positief advies van de directeur niet kan worden gevolgd. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260120.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.