← België

DEBAT contra BELGISCHE STAAT FINANCIËN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260122.1N.1 Rolnummer: F.23.0004.N Zaak: DEBAT contra BELGISCHE STAAT FINANCIËN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2026-02-19 Raadplegingen: 660 - laatst gezien 2026-06-18 09:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260122.1N.1 Fiches 1 - 2 De betaling van een inzamel- en recyclagebijdrage betreft een verplichting in het kader van het milieubeleid, maar geen verplichting of formaliteit ter uitvoering van de fiscale of sociale wetgeving in de zin van artikel 181, 2°, WIB92

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 181 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - BELASTING OP RECHTSPERSONEN Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 181 Tekst van de beslissing Nr. F.23.0004.N BEBAT vzw, voorheen Fonds Ophaling Batterijen, met zetel te 3300 Tienen, Walstraat 5, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0456.561.776, eiseres, met als raadsman mr. Johan Speecke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 37/0011, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, voor wie optreedt de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, in de persoon van de waarnemend gewestelijke directeur van de Bijzondere Belastinginspectie te Gent, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6, bus 801, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 22 juni
  1. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 3 december 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat de elementen die de appelrechters volgens de eiseres haalden uit de “Nota bij verzoekschrift” (stuk 10) en de door de eiseres uitgegeven informatiefolder (stuk 14), ook werden aangehaald in het verzoekschrift tot hoger beroep van de verweerder en in de appelconclusie van de eiseres. De appelrechters konden aldus hun oordeel steunen op deze elementen zonder kennis te moeten nemen van de stukken 10 en
  3. Het blijkt niet dat de appelrechters hun oordeel op deze stukken steunen. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
  4. Krachtens artikel 181, 2°, WIB92 zijn niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen, verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven en het verlengstuk of de emanatie zijn van rechtspersonen vermeld onder 1°, wanneer ze uitsluitend of hoofdzakelijk tot doel hebben het vervullen, in naam en voor rekening van hun aangeslotenen, van alle of van een deel van de verplichtingen of formaliteiten die aan die aangeslotenen zijn opgelegd wegens het feit dat zij personeel tewerkstellen of ter uitvoering van de fiscale of sociale wetgeving, of het helpen van hun aangeslotenen bij het vervullen van die verplichtingen of formaliteiten.
  5. De betaling van een inzamel- en recyclagebijdrage betreft een verplichting in het kader van het milieubeleid, maar geen verplichting of formaliteit ter uitvoering van de fiscale of sociale wetgeving.
  6. De appelrechters stellen vast en oordelen dat : - als voorwaarde in artikel 181, 2°, WIB92 wordt gesteld uitsluitend of hoofdzakelijk activiteiten tot doel te hebben in één of meer van de opgesomde gebieden, hetgeen geenszins het geval is wat betreft de eiseres; - de eiseres geen vzw of rechtspersoon is die tot doel heeft “het vervullen, in naam en voor rekening van hun aangeslotenen, van alle of van een deel van de verplichtingen of formaliteiten die aan die aangeslotenen zijn opgelegd wegens het feit dat zij personeel tewerkstellen of ter uitvoering van de fiscale of sociale wetgeving, of het helpen van hun aangeslotenen bij het vervullen van die verplichtingen of formaliteiten”; - de betaling van de inzamel- en recyclagebijdrage niet kan worden beschouwd als een verplichting of formaliteit ter uitvoering van de fiscale wetgeving zoals in artikel 181, 2°, WIB92 beschreven; - het een verplichting betreft in het kader van een milieubeleid en de eiseres deze verplichting niet op zich neemt vermits het cliënteel van de eiseres deze bij-drage betaalt aan de verweerder; - rekening houdend met het legaliteitsbeginsel en de strikte interpretatie van de fiscale wet de eiseres, gelet op haar activiteiten, niet valt onder de bepalingen van artikel 181, 2°, WIB92; - deze fiscale wet anders bij analogie zou worden toegepast op een situatie waarin de wet niet voorziet.
  7. De appelrechters die op grond van deze redenen oordelen dat de eiseres niet onder toepassing valt van artikel 181, 2°, WIB92, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  8. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur sluiten het recht op rechtszekerheid in. Deze beginselen gelden ook ten aanzien van het fiscaal bestuur. Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de verwachtingen die de overheid bij de burger creëert, in de regel moeten worden gehonoreerd.
  9. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of bij een belastingplichtige een redelijk vertrouwen is gewekt, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. Het Hof gaat na of de rechter het begrip redelijk vertrouwen niet heeft miskend door uit de vastgestelde feiten gevolgen af te leiden die hiermee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  10. De appelrechters oordelen dat: - “de Administratie […] de wet [moet] toepassen en […] te allen tijde op basis van feitelijke vaststellingen tot de overtuiging of het inzicht [kan] komen dat de vennootschapsbelasting toepasselijk is” en “de belastingplichtige in deze feitelijke appreciatie en context geen rechten [kan] putten uit een verkeerde toepassing van de fiscale wet in het verleden”; - de eiseres geen vertrouwen kon ontlenen aan de “eerdere, eerder beperkte controleverrichtingen” door de verweerder, die “niet van die aard [zijn] dat de Belgische Staat door zijn standpunt inzake belastingheffing voor het aanslagjaar hier ter discussie, het vertrouwensbeginsel op zich heeft geschonden”; - het “annualiteitsbeginsel […] thans voor het aan de orde zijnde aanslagjaar [toelaat] tot de conclusie te komen dat de [eiseres] aan de vennootschapsbelasting is onderworpen”; - de administratie “onder de in [artikel 346 WIB92] vermelde voorwaarden, de inkomsten en andere gegevens [mag] wijzigen die de belastingplichtige heeft vermeld in een aangifte die voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311 van dat wetboek”.
  11. Op grond van voormelde redenen konden de appelrechters wettig oordelen dat “[de eiseres] […] niet [kan] worden gevolgd waar ze argumenteert dat ze niet retroactief kan worden onderworpen aan de vennootschapsbelasting nu er door handelingen van de Fiscale Administratie een gerechtvaardigd vertrouwen zou zijn ontstaan in haren hoofde dat zij een aangifte in de rechtspersonenbelasting diende in te dienen”. Deze redenen laten het Hof ook toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel Eerste onderdeel
  12. Krachtens artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. De in het gelijk gestelde partij heeft recht op een rechtsplegingsvergoeding indien zij zich liet bijstaan en vertegenwoordigen door een advocaat.
  13. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat de verweerder zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet werd bijgestaan door een advocaat, noch werd vertegenwoordigd door een advocaat.
  14. Door de eiseres niettemin te veroordelen tot de betaling van de rechtsplegingsvergoedingen in eerste aanleg en in hoger beroep, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  15. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Kosten
  16. Wanneer cassatie wordt uitgesproken zonder verwijzing doet het Hof uitspraak over de kosten krachtens artikel 1111, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseres veroordeelt tot betaling aan de verweerder van een rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en in hoger beroep. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Zegt dat er geen aanleiding is tot verwijzing. Veroordeelt de verweerder tot een vierde van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de eiseres. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 375,42 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 22 januari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260122.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260122.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.