id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260122.1N.5 Rolnummer: F.24.0040.N Zaak: M. contra VLAAMS GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2026-02-19 Raadplegingen: 606 - laatst gezien 2026-06-18 06:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260122.1N.5 Fiche 1 Het passief van de nalatenschap moet worden gewaardeerd volgens de door de aangevers te schatten verkoopwaarde op de dag van het overlijden; ingeval het passiefbestanddeel bestaat uit een verplichting om specifieke goederen over te dragen, is de verkoopwaarde gelijk aan de door de aangevers te schatten verkoopwaarde van die goederen op de dag van het overlijden
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.7.3.5.2 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Tekst van de beslissing Nr. F.24.0040.N S.M., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, met zetel te 1000 Brussel, Havenlaan 88, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0220.819.807, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Begroting, Financiën, Wonen en Onroerend Erfgoed, met kabinet te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 7, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 3 oktober
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 3 december 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- In zoverre het middel aanvoert dat een verplichting om aandelen over te dragen een verbintenis om iets te doen inhoudt en geen verbintenis om iets te geven, faalt het naar recht.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - J.-M. M. bij vonnis van 16 april 2010 door de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel werd veroordeeld om zijn 330 aandelen in De Zwaluw nv over te dragen aan A. M. (218 aandelen) en haar moederlijke grootouders (elk 56 aandelen); - in hetzelfde vonnis een deskundige werd aangewezen en voor recht werd gezegd dat “de overdracht van de aandelen zal plaatsvinden bij betaling van de door de gerechtsdeskundige gedane waardebepaling”; - dit vonnis werd bevestigd door het hof van beroep te Brussel bij arrest van 19 maart 2012; - J.-M. M. op 5 augustus 2015 overleed; - na het overlijden van J.-M. M. de betwisting over de waardering van de 165 aandelen in De Zwaluw nv die aan de eiser en zijn broer toekwamen als algemene legatarissen, maar waarvoor de gedwongen overdracht aan A. M. was uitgesproken, werd voortgezet.
- Met deze redenen geven de appelrechters te kennen dat de op het ogenblik van het overlijden van J.-M. M. bestaande verplichting om de aandelen over te dragen een verbintenis om te geven is die onlosmakelijk verbonden is met de over te dragen aandelen zelf, en verantwoorden zij hun beslissing naar recht. In zoverre het middel aanvoert dat tegenover deze verbintenis om te geven een evenwaardige schuldvordering tot betaling van de prijs voor de overdracht staat, zodat sprake is van een schuld en een schuldvordering die elkaar dekken en bijgevolg niet moeten worden opgenomen in de aangifte van nalatenschap, kan het niet worden aangenomen. Tweede middel
- In zoverre het middel aanvoert dat de verplichting om de aandelen over te dragen en de schuldvordering tot betaling van de prijs voor de overdracht een schuld en een schuldvordering zijn die elkaar dekken, kan het, gelet op het antwoord op het eerste middel, niet worden aangenomen.
- De appelrechters oordelen dat “waar de leveringsverplichting precies de betrokken aandelen betreft, beide nalatenschapsbestanddelen elkaar waard [zijn] en de [verweerder] terecht [stelt] dat deze bestanddelen van de nalatenschap elkaar opheffen in de actief-passiefverhouding bij toepassing van artikel 2.7.4.2.2 VCF”. Zij geven aldus te kennen dat de waarde van de verplichting om de aandelen over te dragen overeenstemt met de waarde van die aandelen op dag van het overlijden van J.-M. M., omdat die verplichting specifiek betrekking heeft op de aandelen. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters de verplichting om de aandelen over te dragen niet autonoom hebben gewaardeerd, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Krachtens artikel 2.7.3.4.1, derde lid, VCF zijn de regels voor de waardering van de goederen die het actief van de nalatenschap samenstellen, vermeld in artikel 2.7.3.3.1 tot en met artikel 2.7.3.3.7, van toepassing op de waardering van het passief van de nalatenschap. Krachtens artikel 2.7.3.3.1, eerste lid, VCF is de belastbare waarde van de goederen die het actief van de nalatenschap van een rijksinwoner uitmaken en van de onroerende goederen die onderworpen zijn aan het recht van overgang, de door de aangevers te schatten verkoopwaarde op de dag van het overlijden. Hieruit volgt dat het passief van de nalatenschap moet worden gewaardeerd volgens de door de aangevers te schatten verkoopwaarde op de dag van het overlijden. Ingeval het passiefbestanddeel bestaat uit een verplichting om specifieke goederen over te dragen, is de verkoopwaarde gelijk aan de door de aangevers te schatten verkoopwaarde van die goederen op de dag van het overlijden.
- De appelrechters die de verplichting om de aandelen over te dragen waarderen volgens de verkoopwaarde van die aandelen op de dag van het overlijden, verantwoorden hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
- Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste middel, geven de appelrechters te kennen dat de op het ogenblik van het overlijden van J.-M. M. bestaande verplichting om de aandelen over te dragen een verbintenis om te geven is die onlosmakelijk verbonden is met de over te dragen aandelen zelf, en verantwoorden zij hun beslissing naar recht.
- Het onderdeel, dat geheel ervan uitgaat dat de leveringsplicht van de aandelen een schuld vormt die noodzakelijk is aangegaan om de schuldvordering tot betaling van de prijs voor de overdracht te verwerven of te behouden en bijgevolg een specifieke schuld is met betrekking deze schuldvordering, veeleer dan een schuld om de aandelen zelf tijdelijk te behouden, kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 2.7.3.5.2, eerste lid, VCF, in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij Decreet van 17 juli 2015, worden voor de toepassing van artikel 2.7.4.1.1 de schulden en de begrafeniskosten eerst aangerekend op de goederen, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, en op de roerende goederen, tenzij de aangevers bewijzen dat het schulden betreft die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verwerven of te behouden.
- Uit de wetsgeschiedenis van het Decreet van 19 december 2014, waarmee voormeld artikel werd ingevoerd, blijkt dat het de bedoeling van de Vlaamse decreetgever was om alle regels aangaande de aanrekening van het passief op het actief in één onderafdeling samen te brengen, zodat het voor de belastingplichtige eenvoudiger is om ze snel terug te vinden. Uit de wetsgeschiedenis van het Decreet van 17 juli 2015, waarmee voormeld artikel werd gewijzigd teneinde iedere verwarring rond de aanrekening van het passief weg te nemen, blijkt bovendien dat het nooit de bedoeling van de Vlaamse decreetgever is geweest om iets te wijzigen aan de volgorde van aanrekening zoals toegepast vóór de invoering van de VCF. Hieruit volgt dat artikel 2.7.3.5.2, eerste lid, VCF noch in zijn versie vóór noch in zijn versie na de wijziging bij Decreet van 17 juli 2015 enige wijziging inhoudt aan de volgorde van aanrekening van het passief op het actief.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters toepassing hebben gemaakt van de verkeerde versie van artikel 2.7.3.5.2 VCF, kan het bijgevolg niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat artikel 2.7.3.5.2, eerste lid, VCF, in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij het Decreet van 17 juli 2015, de volgorde van aanrekening van het passief op het actief heeft gewijzigd in die zin dat niet-specifieke schulden voortaan proportioneel dienen te worden aangerekend op de goederen vermeld in artikel 2.7.4.2.2 en op de roerende goederen, faalt het naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 300,09 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 22 januari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260122.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260122.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div