← België

BELGISCHE STAAT FINANCIËN contra STAD VEURNE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 44

- 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 2 De gemeente die een centrale buitenschoolse kinderopvang organiseert voor alle kinderen van het kleuter- en lager onderwijs op haar grondgebied, is een organisatie in de zin van voormeld artikel 44, § 2, 4°, a) Btw-wetboek. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 44

- 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 3 Noch uit de wetsbepalingen, noch uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat een dienst of levering niet als ‘nauw samenhangend' in de zin van artikel 132, lid 1,

  1. i)Richtlijn 2006/112 en artikel 44, § 2, 4°,
  2. a)Btw-wetboek kan worden aangemerkt als ze niet op dezelfde locatie plaatsvindt als de hoofdactiviteit

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 44- 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de beslissing Nr.

F.24.0044.N BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder nummer 0308.357.159, voor wie optreedt de adviseur-generaal, directeur KMO Centrum Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4, eiser, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen STAD VEURNE, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met kantoor te 8630 Veurne, Sint-Denisplein 16, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.494.579, verweerster, met als raadsman mr. Wim Defoor, advocaat aan de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Verenigingstraat 57-59. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent van 4 april 2023 en 10 oktober 2023. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 3 december 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 37 Btw-wetboek bepaalt de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit de tarieven en geeft Hij de indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, rekening houdend met de door de Europese Gemeenschappen ter zake uitgevaardigde reglementering. Krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, hierna KB nr. 20, bedraagt het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde voor goederen en diensten bedoeld in het Wetboek 21 pct. In afwijking van het eerste lid van artikel 1 KB nr. 20 wordt de belasting geheven tegen het verlaagd tarief van 6 pct. voor de goederen en diensten opgenomen in tabel A van de bijlage bij dit besluit. Krachtens rubriek XL, 1°, tabel A bij KB nr. 20 is het verlaagd tarief van 6 pct. van toepassing op de levering van gebouwen, bestemd voor het school- of universitair onderwijs dat op grond van artikel 44, § 2, 4°, a), Btw-wetboek is vrijgesteld, alsook de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, Btw-wetboek van de belasting zijn vrijgesteld. Aan het verlaagd tarief van 6 pct. wordt krachtens dezelfde rubriek van tabel A bij KB nr. 20 eveneens onderworpen het werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid, Btw-wetboek, met uitsluiting van de reiniging, en de andere handelingen bedoeld in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, met betrekking tot de onder 1° genoemde gebouwen. Krachtens artikel 44, § 2, 4°,

  1. a)Btw-wetboek, dat de omzetting vormt van artikel 132, lid 1, i), van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, hierna Richtlijn 2006/112, zijn van de belasting vrijgesteld het school- of universitair onderwijs, waaronder onderwijs aan kinderen en jongeren, en de beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van het verrichten van nauw hiermee samenhangende diensten en leveringen zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikt didactisch materiaal, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die daartoe als lichaam met soortgelijke doeleinden worden aangemerkt, voor zover voornoemde lichamen niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de voornoemde diensten. 2. Richtlijn 2006/112 kent aan de btw een zeer ruime werkingssfeer toe, die alle economische activiteiten van elke fabrikant, handelaar of dienstverrichter omvat. Artikel 132 van deze Richtlijn stelt een aantal activiteiten evenwel vrij van btw. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie over artikel 13, A, lid 1, Zesde Richtlijn, waarvan de bepalingen overeenstemmen met die van artikel 132, lid 1 Richtlijn 2006/112 voorziet deze bepaling in een btw-vrijstelling van algemeen belang. Deze vrijstelling betreft evenwel niet alle activiteiten van algemeen belang, maar enkel die welke erin worden opgesomd en zeer gedetailleerd omschreven (HvJ 25 maart 2010, C-79/09, Europese Commissie t. Koninkrijk der Nederlanden, r.o. 46-47; HvJ 14 juni 2007, C-434/05, Horizon College t. Staatssecretaris van Financiën, r.o. 14; HvJ 14 december 2006, C-401/05, VDP Dental Laboratory, r.o. 24; HvJ 1 december 2005, C-394/04 en C-395/04, Ygeia, r.o. 16). Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de vrijstellingen van artikel 132 Richtlijn 2006/112 autonome begrippen van het recht van de Unie zijn, die tot doel hebben verschillen in de toepassing van het btw-stelsel tussen de lidstaten te voorkomen (HvJ 25 maart 2010, C-79/09, Europese Commissie t. Koninkrijk der Nederlanden, r.o. 48; HvJ 14 juni 2007, C-434/05, Horizon College t. Staatssecretaris van Financiën, r.o.15; HvJ 28 januari 2010, C-473/08, Eulitz, r.o. 25). Het Hof van Justitie benadrukt dat de bewoordingen waarin die vrijstellingen zijn omschreven strikt moeten worden uitgelegd, aangezien zij afwijkingen zijn van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht. De uitlegging van die bewoordingen moet echter in overeenstemming zijn met de door bedoelde vrijstellingen nagestreefde doeleinden en dient te stroken met de eisen van het beginsel van fiscale neutraliteit, dat inherent is aan het gemeenschappelijke btw-stelsel (HvJ 25 maart 2010, C-79/09, Europese Commissie t. Koninkrijk der Nederlanden, r.o. 49; HvJ 6 november 2003, C-45/01, Dornier, r.o. 42; HvJ 26 mei 2005, C-498/03, Kingscrest Associates en Montecello, r.o. 29). 3. Artikel 132, lid 1,
  2. i)Richtlijn 2006/112 bevat geen definitie van het begrip diensten die ‘nauw samenhangen’ met het onderwijs. Het Hof van Justitie merkt op dat diensten en goederenleveringen alleen kunnen worden aangemerkt als ‘nauw samenhangend’ met het onderwijs, waardoor zij op grond van artikel 13, A, lid 1, sub i, Zesde Richtlijn hetzelfde fiscale lot delen, wanneer zij daadwerkelijk worden verstrekt als nevenprestatie bij dat onderwijs, dat de hoofdprestatie vormt (HvJ 14 juni 2007, C-434/05, Horizon College t. Staatssecretaris van Financiën, r.o.28; cfr.HvJ 11 januari 2011, C-76/99, Commissie t/ Frankrijk, r.o. 27-30; HvJ 6 november 2003, C-45/01, Dornier, r.o. 34 en 35; HvJ 1 december 2005, C-394/04 en C-395/04, Ygeia, r.o. 17 en 18). Blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie kan een prestatie als nevenprestatie bij een hoofdprestatie worden beschouwd wanneer zij geen doel op zich is, maar een middel om ervoor te zorgen dat de hoofdprestatie onder optimale omstandigheden wordt verricht (HvJ 14 juni 2007, C-434/05, Horizon College t. Staatssecretaris van Financiën, r.o. 29; HvJ 22 oktober 1998, C-308/96 en C-94/97, Madgette en Baldwin, r.o. 24; HvJ 6 november 2003, C-45/01, Dornier, r.o. 34; HvJ 1 december 2005, C-394/04 en C-395/04, Ygeia, r.o. 19). 4. Blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn er drie voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 132 Richtlijn 2006/112 (HvJ 14 juni 2007, C-434/05, Horizon College t. Staatssecretaris van Financiën, r.o. 33 en volgende; HvJ 25 maart 2010, C-79/09, Europese Commissie t. Koninkrijk der Nederlanden, r.o. 61 en volgende). In de eerste plaats moet zowel de hoofdactiviteit van het verzorgen van onderwijs als de daarmee nauw samenhangende goederenlevering of dienstverrichting geschieden door de in artikel 132, lid 1,
  3. i)van die richtlijn bedoelde lichamen. Ten tweede komen diensten en goederenleveringen die nauw samenhangen met de hoofdactiviteiten die onder meer in artikel 132, lid 1,
  4. i)van die richtlijn worden bedoeld, alleen voor de vrijstelling in aanmerking indien zij onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handeling (HvJ 14 juni 2007, C-434/05, Horizon College t. Staatssecretaris van Financiën, r.o. 38; HvJ 20 juni 2002, C-287/00, Commissie t. Duitsland, r.o. 48; HvJ 1 december 2005, C-394/04 en C-395/04, Ygeia, r.o. 26; HvJ 9 februari 2006, C-415/04, Stichting Kinderopvang Enschede, r.o. 25). Om aldus te worden aangemerkt moet de samenhangende verrichting van zodanige aard of kwaliteit zijn dat zonder die dienst niet de gelijkwaardigheid kan worden verzekerd van het verstrekte onderwijs (HvJ 14 juni 2007, C-434/05, Horizon College t. Staatssecretaris van Financiën, r.o. 39; HvJ 9 februari 2006, C-415/04, Stichting Kinderopvang Enschede, r.o. 27 en volgende). Ten derde zijn leveringen en diensten van de vrijstelling uitgesloten indien zij in hoofdzaak ertoe strekken aan de instelling extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen die worden verricht in rechtstreekse mededinging met die van commerciële ondernemingen welke aan de btw zijn onderworpen. 5. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - ongeacht de organisatie van het gezin (ouderpaar, een-oudergezin, nieuw samengesteld gezin), het in België de regel is dat ouders van de kinderen die naar de kleuter- of lagere school gaan, uit werken gaan, hetgeen een aanwezigheid op de werkvloer impliceert vanaf een uur dat ten laatste samenvalt met de start van de lesuren en tot na het uur waarop het laatste lesuur gedaan is, waarbij bovendien voor de meesten een verplaatsing naar en van het werk nodig is; - in die omstandigheden de ouders van de meeste van die kinderen niet in de mogelijkheid zijn om hun kinderen naar school te brengen of af te halen op school op een moment waarop de leerkrachten toezicht moeten houden; - kinderen van het kleuter- of lager onderwijs in de regel niet de leeftijd, noch de rijpheid hebben die hen toelaat om alleen thuis te kunnen zijn of om alleen het traject naar en van de school af te leggen; - ondanks de mogelijkheid van thuiswerk het tegenwoordig praktisch niet haalbaar is om onderwijs voor het kleuter- en lager onderwijs aan te bieden zonder dat tegelijk een dienst wordt aangeboden die erin bestaat dat voor die kinderen een opvang gebeurt zowel voor als na het beperkt toezicht dat door de leerkrachten zelf moet worden gehouden; - het feit dat er ouders (of eventuele anderen bij wie de kinderen wonen en er de zorg voor dragen) zijn die zelf regelingen kunnen treffen waarmee hun kinderen worden opgevangen voor en/of na de schooluren, niet belet dat dit voor velen (wellicht de meesten) niet mogelijk is en zeker niet op alle schooldagen; - waar en voor wie onderwijs verplicht is, gelijke kansen moeten worden geboden; - zonder dat buitenschoolse kinderopvang structureel georganiseerd wordt en voor alle kinderen als dienst wordt aangeboden, een kleuter- of lagere school momenteel (tegen de geschetste maatschappelijke achtergrond) haar onderwijsopdracht praktisch niet kan vervullen; - buitenschoolse kinderopvang voor kleuter- en lager onderwijs dus ‘onontbeerlijk’ is om dat onderwijs te kunnen aanbieden; - het tegen deze achtergrond is dat de Vlaamse decreetgever besloten heeft om een regelend kader te voorzien met betrekking tot buitenschoolse kinderopvang, meer bepaald met het Decreet van 3 mei 2019; - in artikel 3 van dit decreet de doelstellingen worden verwoord om kinderen ontplooiingskansen en speelmogelijkheden aan te bieden buiten de schooluren en buiten de middagopvang op school, ouders de kans te geven om te participeren aan de arbeidsmarkt of om een opleiding te volgen en om sociale cohesie en gelijke kansen te bevorderen. 6. De appelrechter die op die gronden oordeelt dat de dienst van kinderopvang die door de verweerster wordt aangeboden in het onroerend goed waarop het geschil betrekking heeft ‘nauw samenhangt met de dienst van het onderwijs’ dat wordt aangeboden voor kinderen van de kleuter- en lagere scholen gelegen op haar grondgebied, zodat de verweerster terecht aanspraak maakt op de toepassing van het verlaagd tarief van 6 pct., verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 7. Krachtens artikel 44, § 2, 4°,
  5. a)Btw-wetboek zijn van de belasting vrijgesteld het school- of universitair onderwijs, waaronder onderwijs aan kinderen en jongeren, en de beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van het verrichten van nauw hiermee samenhangende diensten en leveringen zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikt didactisch materiaal, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die daartoe als lichaam met soortgelijke doeleinden worden aangemerkt, voor zover voornoemde lichamen niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de voornoemde diensten. Krachtens artikel 4 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse activiteiten en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten, neemt het lokaal bestuur de regie waar van de buitenschoolse activiteiten. Krachtens artikel 2, 1° van hetzelfde decreet omvatten de buitenschoolse activiteiten het geheel van formeel georganiseerde activiteiten voor kinderen, met inbegrip van de kleuteropvang en de opvang lager onderwijs. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat de gemeente die een centrale buitenschoolse kinderopvang organiseert voor alle kinderen van het kleuter- en lager onderwijs op haar grondgebied, een organisatie is in de zin van voormeld artikel 44, § 2, 4°,
  6. a)Btw-wetboek. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Derde onderdeel 8. Noch uit de wetsbepalingen, noch uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, vermeld in r.o. 4, volgt dat een dienst of levering niet als ‘nauw samenhangend’ in de zin van artikel 132, lid 1,
  7. i)Richtlijn 2006/112 en artikel 44, § 2, 4°,
  8. a)Btw-wetboek kan worden aangemerkt als ze niet op dezelfde locatie plaatsvindt als de hoofdactiviteit. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 760,89 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 22 januari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260122.1N.7 Gerelateerde publicatie(
  9. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260122.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.