← België

VITAFIN contra BELGISCHE STAAT FINANCIËN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260122.1N.8 Rolnummer: F.24.0068.N Zaak: VITAFIN contra BELGISCHE STAAT FINANCIËN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2026-02-19 Raadplegingen: 879 - laatst gezien 2026-06-18 18:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260122.1N.8 Fiche 1 Uit de aard van een handelsvennootschap vloeit voort dat al haar activa noodzakelijk voor haar uitgevoerde bedrijfsactiviteit worden aangewend; de meerwaarden die eruit voortvloeien hebben aldus een beroepskarakter in de zin van artikel 24, eerste lid, 2°, WIB92

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Winsten Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 24 Fiche 2 Uit de samenhang tussen artikel 47, § 1, en artikel 47, § 2, WIB92 en uit de ratio legis van artikel 47 WIB92 blijkt dat een goed enkel als herbelegging in aanmerking komt wanneer de afschrijving op dit goed als beroepskost in de zin van artikel 49 WIB92 in aanmerking kan worden genomen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Meerwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 47 Tekst van de beslissing Nr. F.24.0068.N VITAFIN nv, met zetel te 9200 Dendermonde, Vlasmarkt 26 bus 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0457.017.874, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Daniel Garabedian, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, verweerder, vertegenwoordigd door meester Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 14 juni
  1. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 3 december 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel in zijn geheel
  2. De verweerder voert aan dat het middel nieuw is, vermits de eiseres de principiële belastbaarheid van de meerwaarde overeenkomstig artikel 24, eerste lid, 2°, WIB92 nooit eerder heeft betwist, evenmin als de berekening van de meerwaarde overeenkomstig artikel 43 WIB92, doch enkel de gespreide belasting van deze meerwaarde heeft gevorderd.
  3. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat de eiseres enkel de gespreide belasting vorderde van de gerealiseerde meerwaarde, zonder de principiële belastbaarheid of de berekening ervan in vraag te stellen. Het middel is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel Tweede onderdeel
  4. Krachtens artikel 24, eerste lid, 2°, WIB92 bestaan winsten uit inkomsten van alle nijverheids-, handels- of landbouwvennootschappen die voortkomen uit enige waardevermeerdering van activa die voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt en uit enige uit die werkzaamheid volgende waardevermindering van passiva, wanneer de desbetreffende meerwaarden of minderwaarden zijn verwezenlijkt of in de boekhouding of jaarrekening zijn uitgedrukt.
  5. Krachtens artikel 47, § 1, 1°, WIB92 worden, wanneer een bedrag, gelijk aan de verkregen schadevergoeding of de verkoopwaarde wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijn als hierna gesteld, de meerwaarden op immateriële en materiële vaste activa die niet zijn vrijgesteld ingevolge de artikelen 44, § 1, 2° en § 2, 44bis en 44ter, en die zijn verwezenlijkt naar aanleiding van een schadegeval aangemerkt als winst of baten van het belastbare tijdperk waarin de herbelegde goederen zijn verkregen of tot stand gebracht en van ieder volgend belastbare tijdperk en zulks naar verhouding tot de afschrijvingen op die goederen die respectievelijk op het einde van het eerst vermelde belastbare tijdperk en voor elk volgende belastbare tijdperk in aanmerking worden genomen en, in voorkomend geval, tot het saldo op het ogenblik dat de goederen ophouden gebruikt te worden voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid. Krachtens artikel 47, § 2, WIB92 moet de herbelegging gebeuren in afschrijfbare immateriële en materiële vaste activa die in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt.
  6. Uit de aard van een handelsvennootschap vloeit voort dat al haar activa noodzakelijk voor haar uitgevoerde bedrijfsactiviteit worden aangewend. De meerwaarden die eruit voortvloeien hebben aldus een beroepskarakter in de zin van artikel 24, eerste lid, 2°, WIB
  7. Hieruit volgt evenwel niet dat al haar uitgaven mogen worden afgetrokken als beroepskost. De kosten die een vennootschap maakt, zoals afschrijvingen, zijn enkel aftrekbaar in de zin van artikel 49 WIB92 wanneer zij aan de in die bepaling gestelde voorwaarden voldoen, en met name wanneer die kosten gedaan of gedragen zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.
  8. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 47 WIB92 bedoeld is om de belasting van de meerwaarde te spreiden in verhouding tot de afschrijvingen op de als wederbelegging verworven bestanddelen of ten belope van de op deze bestanddelen geboekte waardeverminderingen of met andere woorden de vrijstelling wordt afgebouwd en de meerwaarde belast tegen hetzelfde ritme als de afschrijvingen op het als wederbelegging aangeschafte goed.
  9. Uit de samenhang tussen artikel 47, § 1, en artikel 47, § 2, WIB92 en uit de ratio legis van artikel 47 WIB92 blijkt dat een goed enkel als herbelegging in aanmerking komt wanneer de afschrijving op dit goed als beroepskost in de zin van artikel 49 WIB92 in aanmerking kan worden genomen.
  10. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiseres een vennootschap is die eigenaar is van drie onroerende goederen, waaronder twee woongelegenheden (een woning in Dendermonde en een appartement in Knokke), die beide aan de zaakvoerder van de eiseres en zijn echtgenote ter beschikking zijn gesteld; - de eiseres voor zowel de woning als het appartement afschrijvingen boekte en andere kosten als beroepskosten in mindering bracht; - de woning in Dendermonde op 22 maart 2015 door een brand in de as werd gelegd; - de eiseres van haar verzekeraar een vergoeding ontving van 213.705,76 euro; - de verweerder dit bedrag geheel als belastbare meerwaarde aanmerkte, omdat de woning te Dendermonde op de balans van de eiseres nog zonder waarde geboekt stond ingevolge de vroegere afschrijvingen; - de eiseres de vergoeding van de brandverzekeraar voor de schade aan de woning in Dendermonde heeft aangewend om de woning volledig te herstellen en te renoveren; - de eiseres aanspraak maakt op de gespreide belasting van de meerwaarde op grond van artikel 47 WIB92; - de eiseres de beide onroerende goederen ter beschikking stelt van de zaakvoerder en zijn echtgenote en dit zuiver met het oog op privégebruik; - de zaakvoerder van de eiseres via rekening-courant een vergoeding betaalt voor dat gebruik die overeenstemt met wat volgens de fiscale wetgeving als voordeel van alle aard in hoofde van de bedrijfsleider in aanmerking wordt genomen; - het niet om een goed ging waarvoor de intentie tot het behalen van belastbare inkomsten bestond, zodat de woning door de eiseres kennelijk slechts werd aangekocht om de persoonlijke belangen van de zaakvoerder van de eiseres te dienen; - het gegeven dat de zaakvoerder van de eiseres in ruil voor het gebruik van de woning en het appartement een vergoeding betaalt en dat de activiteit van de eiseres bestaat uit de terbeschikkingstelling van vastgoed tegen vergoeding daaraan geen afbreuk doet, aangezien het bedrag van die vergoeding niet werd bepaald in functie van de huurwaarde, maar op grond van de regels uit artikel 18 KBWIB92 die op forfaitaire wijze de voordelen van alle aard vaststellen wegens de beschikking over onroerende goederen, zodat deze vergoeding enkel verschuldigd is om de zaakvoerder van de eiseres de belastingheffing in de personenbelasting te doen ontlopen, en niet om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden; - evenmin is bewezen dat de terbeschikkingstelling van de woning zou kaderen in een bezoldigingspolitiek van de eiseres, zodat geen toepassing kan worden gemaakt van de zogenaamde bezoldigingstheorie; - de betreffende woning niet voor de beroepswerkzaamheid van de eiseres wordt gebruikt, zodat aan de voorwaarden van artikel 47 WIB92 niet is voldaan.
  11. De appelrechter die aldus te kennen geeft dat de afschrijvingen van de woning waarin het bedrag, verkregen van de verzekeraar, werd herbelegd niet fiscaal aanvaard kunnen worden omdat dit goed niet wordt gebruikt om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, verantwoordt naar recht zijn beslissing dat de gespreide belasting van artikel 47 WIB92 terecht werd geweigerd. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Eerste onderdeel
  12. De aangevoerde schending van artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek is geheel afgeleid uit de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde grief. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 300,09 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 22 januari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260122.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260122.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.