← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 51

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 52

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 1, 3 en 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: MISDRIJF - POGING Wettelijke bepalingen:

Art. 51

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 52

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 1, 3 en 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen:

Art. 51

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 52

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 1, 3 en 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Wettelijke bepalingen:

Art. 51

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 52

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 1, 3 en 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1594.N A. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 51 en 52 Strafwetboek: het arrest kan uit de feiten die het vaststelt niet afleiden dat er een strafbare poging is, hoogstens gaat het om voorbereidende handelingen; het arrest miskent het wettelijk onderscheid tussen beide; er is geen objectief begin van uitvoering zoals vereist; de container bevatte op het ogenblik van de controle geen cocaïne (meer); het oordeel dat er geen twijfel over bestaat dat het de bedoeling was cocaïne in te voeren, wordt afgeleid uit contextuele elementen zoals de communicatie via berichten, verklaringen van derden en gedragingen die wijzen op een veronderstelde verwachting dat de container cocaïne zou bevatten; aldus wordt het wettelijk vereiste objectieve begin van uitvoering vervangen door een subjectieve overtuiging over het misdadig opzet; er zijn geen handelingen die op zichzelf beschouwd de onmiddellijke en rechtstreekse uitvoering van het misdrijf uitmaken; het strafbaar karakter van de poging kan niet worden gebaseerd op vermoedens of verwachtingen.
  3. Het middel betwist niet dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidende handelingen. Dergelijke handelingen zijn strafbaar gesteld door artikel 2bis, § 6, Drugwet. Uit de motivering van de straftoemeting blijkt niet dat de aan de eiser opgelegde straf anders zou zijn geweest mochten de appelrechters hem niet schuldig verklaren aan een strafbare poging invoer in vereniging, maar wel aan voorbereidende handelingen in vereniging. Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 66 Strafwetboek en artikel 2bis, § 3, b), Drugwet: het arrest neemt het bestaan van een vereniging aan zonder vast te stellen dat is voldaan aan de constitutieve bestanddelen voor een vereniging; die kwalificatie steunt op loutere vermoedens en contextuele aannames; een vereniging veronderstelt het bestaan van een georganiseerde en duurzame structuur, die een zekere continuïteit vertoont en die meer inhoudt dan een louter occasionele samenwerking tussen meerdere personen; het arrest oordeelt weliswaar dat een internationale trafiek van verdovende middelen (cocaïne) vanuit het buitenland naar de haven van Antwerpen met het oog op de verdere verhandeling een geheel van te verrichten stappen en tussenkomsten van talrijke personen vereist, zijnde deelnemers aan de vereniging, om op grond daarvan te besluiten dat de eiser behoorde tot de groep van uithalers en dus lid was van de vereniging; het bevat evenwel geen concrete vaststellingen over de duurzaamheid van de vereniging, haar organisatiegraad, haar structuur of hiërarchie of over de rol van de eiser in een dergelijk georganiseerd geheel; er wordt niet gepreciseerd waarin de vereniging zich onderscheidt van een tijdelijke of ad hoc-samenwerking betreffende een welbepaald feit; zo wordt het wettelijk vereiste bewijs van een vereniging vervangen door een waarschijnlijkheidsredenering, wat strijdig is met het legaliteitsbeginsel en met de regel dat aan verzwarende omstandigheden een strikte interpretatie moet worden gegeven.
  5. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie voldoet de rechter aan de uit artikel 149 Grondwet voortvloeiende motiveringsplicht voor wat betreft de schuldigverklaring door een beklaagde schuldig te verklaren aan het hem ten laste gelegde met inbegrip van de verzwarende omstandigheden in de bewoordingen van de strafwet. Uit artikel 149 Grondwet kan geen verdergaande motiveringsplicht worden afgeleid. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie dient de rechter bijgevolg geen concrete vaststellingen te vermelden over de duurzaamheid van de vereniging, haar organisatiegraad, haar structuur of hiërarchie of over de specifieke rol die een beklaagde speelt in een dergelijk georganiseerd geheel.
  6. Geen enkele bepaling verzet zich ertegen dat de rechter het voorhanden zijn van de verzwarende omstandigheid dat de poging invoer van drugs een daad van deelneming is aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging grondt of mede grondt op vermoedens of dat hij uit de feitelijke omstandigheden waarin die poging invoer van drugs werd gepleegd afleidt dat het niet anders kan dan dat die poging invoer een daad van deelneming vormt aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging.
  7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  8. Het arrest oordeelt als volgt: - uit het Signal-gesprek met betrekking tot de container gevoerd door de beklaagden en dus ook de eiser, alsook uit het debat op de rechtszitting, blijkt duidelijk dat de beklaagden en dus ook de eiser betrokken waren bij een vereniging die verantwoordelijk was voor de uithaling van cocaïne; - ter rechtszitting werd immers gesteld dat “King Long” behoorde tot de groep uithalers en dat deze persoon de beklaagde H.S. die nacht had aangezocht; - het feit dat de beklaagden en dus ook de eiser op afroep konden worden ingeschakeld, betekent dat zij al in de organisatie waren geworteld en goed op de hoogte waren van de invoer en de aankomst van de container op 17 augustus in de haven van Antwerpen; - ze konden onmiddellijk worden gemobiliseerd door de vereniging en gaven onmiddellijk gevolg aan de oproep om achter de chauffeur en de container te gaan; - de bewering van de beklaagde H.S. op de rechtszitting dat hij uit het niets ’s nacht zou zijn opgebeld is niet geloofwaardig. De financiële belangen en dus ook de risico’s voor de vereniging bij de invoer van cocaïne is immers veel te groot om een beroep te doen op niet-leden die niet van de invoer zouden afweten en die niet op voorhand hadden toegezegd hun medewerking te verlenen; - dergelijke internationale trafiek van cocaïne vanuit het buitenland naar de haven van Antwerpen met het oog op de verdere verhandeling ervan vereist immers een geheel aan te verrichten stappen en tussenkomsten van talrijke personen, deelnemers aan de vereniging; - de beklaagden en dus ook de eiser behoorden tot de groep van uithalers van de cocaïne; - de bewuste wil om van de georganiseerde groep deel uit te maken lag onmiskenbaar bij alle deelnemers voor, zo ook bij de beklaagden waaronder de eiser. Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de schuldigverklaring van de eiser aan de poging invoer van drugs met de verzwarende omstandigheid dat dit een daad van deelneming is aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 110,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 27 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.