← België

L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.13 Rolnummer: P.25.1443.N Zaak: L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2026-02-02 Raadplegingen: 647 - laatst gezien 2026-06-18 20:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 De rechter oordeelt onaantastbaar of douanepersoneel dat een overtreding vaststelt op de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan op dat ogenblik in de uitoefening is van zijn dienst als bedoeld door artikel 3, 7°, Wegverkeersreglement; die beoordeling vereist niet dat de verbalisanten in het proces-verbaal van overtreding uitdrukkelijk vermelden dat hun vaststellingen betreffende de overtredingen van de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan zijn verricht in de uitoefening van hun dienst. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 3, 7° - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 3, 7° - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 3, 7° - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 3, 7° - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Fiches 5 - 8 De rechter oordeelt onaantastbaar of de door een verbalisant aan een gecontroleerde persoon gestelde vraag en het antwoord daarop een verhoor vormen in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, als zijnde een geleide ondervraging over misdrijven die aan de betrokkene kunnen worden ten laste gelegd door een daartoe bevoegd persoon in het kader van een opsporings- of gerechtelijk onderzoek met als doel de waarheid te achterhalen, dan wel een loutere reactie zijn op de interpellatie door een verbalisant van een persoon die op zijn gedrag of situatie wordt aangesproken met als bedoeling zich een juist beeld te vormen van de situatie om dan een gepaste beslissing te kunnen nemen

(1).
(1)Cass. 20 mei 2025, AR P.25.0305.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250520.2N.23, T. Strafr. 2025, 276; Cass. 9 november 2021, AR P.21.1008.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.10; Cass. 5 november 2019, AR P.19.0384.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.1, AC 2019, nr. 566, RW 2020-21, 778, NC 2021, 416, met noot J. DE SMEDT; Cass. 28 mei 2019, AR P.19.0127.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.13, AC 2019, nr. 330. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 9 - 10 Artikel 37ter, § 1, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat indien een feit van aard is om te worden gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste één jaar, de rechter als hoofdstraf een straf onder elektronisch toezicht kan opleggen; deze gevangenisstraf is niet de maximum gevangenisstraf die de rechter theoretisch zou kunnen opleggen, maar wel de concrete straf die de rechter voor de bewezenverklaarde feiten zou opleggen
(1); niet naar recht verantwoord is de beslissing die een effectieve gevangenisstraf oplegt van minder dan één jaar met als enig argument dat een elektronisch toezicht als autonome straf niet kan worden opgelegd voor het bewezen verklaarde misdrijf, waarvan de maximumstraf meer bedraagt dan één jaar, en dit ongeacht de al dan niet toepasselijkheid van artikel 7, § 3, Strafwetboek
(2).
(1)Cass. 28 juni 2023, AR P.23.0206.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230628.2F.8, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230628.2F.8, JLMB 2023, 1380, RDPC 2024, 75; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 435; Omzendbrief 17/2016 van het College van procureurs-generaal over het elektronisch toezicht als autonome straf, herziene versie van 18 oktober 2018, p.6, www.om-mp.be.
(2)Over toepassing van de bijzondere motiveringsplicht voor de gevangenisstraf voor feiten strafbaar met een gevangenisstraf tussen zes maanden en drie jaar (art. 7, §3, tweede lid, Sw., ingevoerd door de Wet van 18 juli 2025, BS 4 augustus 2025), zie J. DE HERDT, “De Noodwet overbevolking in de gevangenissen en de straftoemeting: de toekomst begint nu, maar nog (lang) niet helemaal”, NC 2025, 77 en
  1. Thesaurus CAS: STRAF - VRIJHEIDSSTRAFFEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 7, § 3, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 37ter - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 7, § 3, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 37ter - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1443.N S. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Veronique De Hertogh, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 5 september
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het bestreden vonnis spreekt de eiser vrij voor de feiten omschreven onder de telastlegging A. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  4. In zoverre de middelen betrekking hebben op die beslissing, behoeven ze geen antwoord. Eerste middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan artikel 6.1 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het bestreden vonnis heromschrijft de telastlegging en neemt de toestand van herhaling aan, maar uit de processen-verbaal van de rechtszittingen van 7 maart 2025 en 23 mei 2025 blijkt niet dat de eiser werd uitgenodigd om daarover standpunt in te nemen.
  6. Uit artikel 6.1 EVRM en het daarin gewaarborgde recht op een eerlijk proces en uit het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging volgt niet dat indien de rechter de omschrijving van een telastlegging aanpast en een toestand van herhaling toevoegt aan de telastlegging, hij de beklaagde uitdrukkelijk moet uitnodigen om daarover verweer te voeren. Het is noodzakelijk maar volstaat dat de beklaagde in kennis wordt gesteld van die aanpassing en van die toevoeging en dat hij daardoor in de mogelijkheid wordt gesteld daarover elk door hem gewenst verweer te voeren.
  7. Die kennisgeving moet niet noodzakelijk blijken uit het proces-verbaal van de rechtszitting waarop de zaak werd behandeld. Ze kan ook blijken uit het vonnis zelf.
  8. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  9. Het bestreden vonnis (p. 4-5, randnr. 3.1, eerste tot derde alinea) stelt vast dat op de rechtszitting werd gewezen op een materiële vergissing in de dagvaarding betreffende de telastlegging B voor wat betreft de datum van het vonnis op basis waarvan het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke ongeschiktheid werd bevolen en meer bepaald dat dit op tegenspraak gewezen vonnis dateert van 22 december 2021 en niet van 22 december 2019 en dat het verval is ingegaan op 22 december
  10. Het bestreden vonnis (p. 7, randnr. 4.1, zesde tot achtste alinea) stelt ook vast dat op de rechtszitting van 7 maart 2025 duidelijk werd gemaakt dat de staat van herhaling als bedoeld door artikel 48, tweede lid, Wegverkeerswet en de staat van verzwaring als bedoeld door artikel 38, § 6, derde lid, Wegverkeerswet kon worden aangenomen op basis van het vonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 19 december 2019, alsook dat de verdediging zich tijdens de rechtszitting van 23 mei 2025 heeft kunnen verdedigen over het eventueel aannemen van de staat van herhaling als bedoeld door artikel 48, tweede lid, Wegverkeerswet en de staat van verzwaring als bedoeld door artikel 38, § 6, tweede lid, Wegverkeerswet, gelet op het vonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 19 december
  11. Daaruit blijkt dat de eiser wel degelijk verweer kon voeren over deze aanpassing en toevoeging. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis werd gewezen door rechters die niet alle rechtszittingen hebben bijgewoond waarop de zaak werd behandeld; de samenstelling van de zetel op de rechtszittingen van 18 oktober 2024, 15 november 2024, 7 maart 2025, 25 april 2025, 23 mei 2025 en 5 september 2025 was niet dezelfde; de behandeling van de zaak werd aangevangen op de rechtszitting van 15 november 2024 aangezien toen een stukkenbundel werd neergelegd; uit het bestreden vonnis blijkt dat op de rechtszitting van 7 maart 2025 het aspect van herhaling en verzwaring aan bod is gekomen.
  13. Artikel 779 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis enkel kan worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters, die alle zittingen over de zaak hebben bijgewoond, dit op straffe van nietigheid.
  14. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 23 mei 2025, met de zetelsamenstelling M. D’H., voorzitter van de kamer en rechter, L. B., rechter en K. C., werkend rechter, blijkt dat de zaak op die rechtszitting volledig werd behandeld: het openbaar ministerie werd gehoord in zijn vordering, de eiser werd gehoord in zijn middelen en mondelinge besluiten ontwikkeld door zijn raadsman en het onderzoek werd gedaan ter rechtszitting overeenkomstig de voorschriften van artikel 190 Wetboek van Strafvordering, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen. Derhalve staat vast dat ongeacht wat op vorige rechtszittingen ter sprake zou zijn gekomen, de behandeling van de zaak op de rechtszitting van 23 mei 2025 volledig werd overgedaan. Het bestreden vonnis werd gewezen door de drie rechters die aanwezig waren op de rechtszitting van 23 mei
  15. Derhalve is het voorschrift van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek gerespecteerd. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: met het oordeel dat de eiser zijn obscuri libelli-verweer niet in limine litis heeft aangevoerd en dat dit verweer bijgevolg geen antwoord behoeft, beantwoordt het bestreden vonnis dit verweer niet.
  17. Het bestreden vonnis (p. 7, randnr. 4.1, zesde tot achtste alinea) oordeelt niet enkel zoals het middel aanvoert, maar het vermeldt ook waarom van enige onduidelijkheid geen sprake is. Die niet door het middel bekritiseerde reden schraagt de verwerping van eisers obscuri libelli-verweer. Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 62 Wegverkeerswet, artikel 182 AWDA en artikel 3, 7°, Wegverkeersreglement, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de verbaliserende douaneambtenaren hun dienst uitoefenden op het ogenblik van de interpellatie van de eiser; in het strafdossier en in het bijzonder in het proces-verbaal AN.94.DA.20151922 van 31 maart 2022 wordt niet vastgesteld dat de verbaliserende douaneambtenaren op enig ogenblik waren belast met de uitoefening van hun dienst of dat zij voorzien waren van hun aanstellingsbewijs.
  19. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  20. De rechter oordeelt onaantastbaar of douanepersoneel dat een overtreding vaststelt op de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan op dat ogenblik in de uitoefening is van zijn dienst als bedoeld door artikel 3, 7°, Wegverkeersreglement. Die beoordeling vereist niet dat de verbalisanten in het proces-verbaal van overtreding uitdrukkelijk vermelden dat hun vaststellingen betreffende de overtredingen van de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan zijn verricht in de uitoefening van hun dienst. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  21. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbaar oordeel over de feiten door het bestreden vonnis, is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis miskent de bewijskracht van het proces-verbaal AN.94.DA.20151922 van 31 maart 2022; dit proces-verbaal stelt geenszins vast over welke vermoedens de douaneambtenaren beschikten vooraleer over te gaan tot de controle, de visitatie en het onderzoek van het voertuig.
  23. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Indien de rechter uit het geschrift louter een gevolg afleidt, is er geen miskenning van de bewijskracht van dit geschrift.
  24. Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel geeft het bestreden vonnis van het proces-verbaal geen uitlegging, maar leidt het er louter een gevolg uit af. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
  25. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de verklaring van de eiser dat hij een uur voor de interpellatie met het voertuig heeft gereden, niet het resultaat is van een gerichte ondervraging.
  26. De rechter oordeelt onaantastbaar of de door een verbalisant aan een gecontroleerde persoon gestelde vraag en het antwoord daarop een verhoor vormen in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, als zijnde een geleide ondervraging over misdrijven die aan de betrokkene kunnen worden ten laste gelegd door een daartoe bevoegd persoon in het kader van een opsporings- of gerechtelijk onderzoek met als doel de waarheid te achterhalen, dan wel een loutere reactie zijn op de interpellatie door een verbalisant van een persoon die op zijn gedrag of situatie wordt aangesproken met als bedoeling zich een juist beeld te vormen van de situatie om dan een gepaste beslissing te kunnen nemen.
  27. Het middel dat geheel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling van de feiten door het bestreden vonnis, is niet ontvankelijk. Vijfde middel
  28. Het middel voert schending aan van de artikelen 7, § 3, tweede lid, en 37ter Strafwetboek: het bestreden vonnis had artikel 7, § 3, eerste lid, Strafwetboek moeten toepassen en niet het tweede lid; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat een straf onder elektronisch toezicht niet kan worden opgelegd omdat deze straf enkel kan worden opgelegd voor feiten die van aard lijken te zijn om te worden gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste één jaar, terwijl de bewezenverklaarde feiten kunnen worden gestraft met een gevangenisstraf van maximaal twee jaar; er moet rekening worden gehouden met de concreet op te leggen straf en niet met de theoretisch mogelijke straf.
  29. Artikel 37ter, § 1, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat indien een feit van aard is om te worden gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste één jaar, de rechter als hoofdstraf een straf onder elektronisch toezicht kan opleggen. Deze gevangenisstraf is niet de maximum gevangenisstraf die de rechter theoretisch zou kunnen opleggen, maar wel de concrete straf die de rechter voor de bewezenverklaarde feiten zou opleggen.
  30. Het bestreden vonnis verwerpt het opleggen van een straf onder elektronisch toezicht met als enig argument dat die straf voor de feiten omschreven onder de telastlegging B niet kan worden opgelegd omdat dit enkel kan voor feiten die van aard zijn om te worden gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste één jaar, terwijl artikel 48 Wegverkeerswet voorziet in de straf van maximum twee jaar. Het bestreden vonnis legt zelf een effectieve gevangenisstraf op van zes maanden. Met het oordeel dat aan de eiser geen straf onder elektronisch toezicht kan worden opgelegd omdat aan de in artikel 37ter Strafwetboek bepaalde toepassingsvoorwaarde niet is voldaan en dat hem dus een effectieve gevangenisstraf van zes maanden wordt opgelegd, schendt het bestreden vonnis artikel 37ter, § 1, eerste lid, Strafwetboek en dit ongeacht de al dan niet toepasselijkheid van artikel 7, § 3, Strafwetboek. Het middel is in zoverre gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  31. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser tot straf veroordeelt voor de feiten omschreven onder de telastlegging B, alsook tot de betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Antwerpen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 305,47 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 27 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.13 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230628.2F.8 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230628.2F.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250520.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.