id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.1149.N I M. T., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, II I. E. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen, de beide cassatieberoepen tegen
- V. R. nv, burgerlijke partij,
- D. V. R., burgerlijke partij,
- A. V. R., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 30 juni
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert geen middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser II zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerders, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de burgerlijke vordering van de eiser II tegen de verweerders, is het cassatieberoep II niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het vermoeden van onschuld: de appelrechters beperken zich niet tot de beoordeling of het gedrag van de eiser I, zoals dat blijkt uit de met de strafvervolging aanhangig gemaakte feiten, een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade die door de verweerders wordt gevorderd, maar zij spreken zich gelet op de gebruikte bewoordingen uit over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid en de schuld van de eiser I aan het hem in eerste aanleg ten laste gelegde misdrijf, waarvoor hij evenwel definitief is vrijgesproken.
- Uit artikel 6.2 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een beklaagde in eerste aanleg werd vrijgesproken voor het misdrijf waarvoor hij werd vervolgd en het appelgerecht ingevolge de afwezigheid van een hoger beroep op strafgebied enkel nog te oordelen heeft over de door de burgerlijke partij tegen de beklaagde aanhangig gemaakte burgerlijke vordering gegrond op het feit waarvoor de vrijspraak werd verleend, het appelgerecht zich niet mag uitspreken over de vraag of de beklaagde zich aan dat misdrijf heeft schuldig gemaakt.
- Het appelgerecht mag in een dergelijk geval uitsluitend oordelen of het gedrag, zoals dat blijkt uit het met de strafvervolging aanhangig gemaakte feit, een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade die door de burgerlijke partij wordt gevorderd. De strafrechter bevindt zich in een dergelijk geval in dezelfde situatie als de burgerlijke rechter die zich moet uitspreken over een schadevergoedingsvordering die is gesteund op een strafbaar feit.
- De strafrechter moet, wil hij het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld niet miskennen, zich onthouden van bewoordingen waaruit de vaststelling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de betrokkene voor een feit waarvoor hij definitief is vrijgesproken, kan worden afgeleid.
- Het arrest (p. 42-43, randnr. 9.3) oordeelt onder meer als volgt: - de verweerders houden voor dat zij door onder meer de eisers I en II werden opgelicht doordat zij middels listige kunstgrepen werden aangezet tot de betaling van 638.577,00 euro voor de aankoop bij S. bv van 413.000 hoezen; - het staat vast dat de eiser II zich schuldig maakte aan oplichting van de verweerster 1 door de afgifte te verkrijgen van 435.740,00 euro met bedrieglijke middelen. Uit de gegevens van het strafdossier blijkt echter dat de afgifte werd gevraagd en verkregen van 638.577,00 euro voor de aankoop van kussenslopen, zonder dat de intentie bestond om aan deze belofte te voldoen. Oplichting betreft een ogenblikkelijk misdrijf, zodat het niet doorslaggevend is dat slechts een bedrag van 435.740,00 euro werd doorgestort naar P.; - door als zaakvoerder van S. bv facturen uit te schrijven of te laten uitschrijven, de gelden te ontvangen en zich klaar te houden om een groot deel weg te storten naar een buitenlandse vennootschap, heeft de eiser I een positieve bijdrage geleverd tot het verwezenlijken van de feiten van oplichting bedoeld onder de telastlegging C voor zover deze betrekking hebben op de geldsom van 638.577,00 euro.
- Uit die redenen blijkt dat de appelrechters zich niet beperken tot de beoordeling of het gedrag van de eiser I, zoals dat blijkt uit de met de strafvervolging aanhangig gemaakte feiten, een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade die door de verweerders wordt gevorderd, maar zich wel degelijk uitspreken over de schuld van de eiser I aan en de strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor het hem in eerste aanleg ten laste gelegde misdrijf omschreven onder de telastlegging C
- Aldus schendt het arrest artikel 6.2 EVRM en miskent dit het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser I veroordeelt om de verweerders voor de feiten omschreven onder de telastlegging C1 (bestelling kussenslopen) een materiële en een morele schadevergoeding te betalen, alsook tot de betaling van rechtsplegingsvergoedingen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser I tot een tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Veroordeelt de eiser II tot de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over overige kosten van het cassatieberoep I aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 1.689,38 euro, waarvan de eiser I 179,49 euro is verschuldigd en de eiser II 179,50 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 27 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.16 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250610.2N.26 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.33 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div