id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.18 Rolnummer: P.25.0406.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Unierecht Invoerdatum: 2026-02-02 Raadplegingen: 523 - laatst gezien 2026-06-18 20:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.18 Fiches 1 - 3 Uit de arresten C-562/13 van 18 december 2014 en C-233/19 van 30 september 2020 van het Hof van Justitie van de Europese Unie en uit de beschikking C-641/20 van 5 mei 2021 van dat Hof volgt dat de derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt en die beroep heeft ingesteld tegen een terugkeerbesluit waarvan de uitvoering voor hem een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert, tijdens deze beroepsprocedure niet onwettig verblijft in België en bijgevolg niet strafbaar is op grond van artikel 75 Vreemdelingenwet indien dit beroep argumenten bevat waarmee wordt aangevoerd dat de uitvoering van het terugkeerbesluit voor die derdelander een ernstig risico zou inhouden dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert en die argumenten niet kennelijk ongegrond lijken te zijn
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 5 Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 13 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 9ter - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 75 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 5 Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 13 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 9ter - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 75 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Instellingen Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 5 Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 13 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 9ter - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 75 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0406.N A. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Raf Jespers, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 20 februari 2025, gewezen op verwijzing ingevolge het arrest van het Hof van 12 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Op 21 januari 2026 heeft advocaat-generaal Bart De Smet ter griffie een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 27 januari 2026 heeft voorzitter Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 182 Wetboek van Strafvordering en artikel 75 Vreemdelingenwet: het oordeel dat het feit van de enige telastlegging moet worden geherkwalificeerd als een inbreuk op artikel 75 Vreemdelingenwet is niet naar recht verantwoord; de feitelijke gedraging zoals omschreven in de verwijzingsbeschikking van de raadkamer van 9 februari 2022 en in de oorspronkelijke dagvaarding betreft immers een specifieke gedraging, gelinkt aan de niet-naleving door de eiser van het koninklijk besluit van 6 juli 2016 tot terugwijzing van de eiser; uit de oorspronkelijke omschrijving van de telastlegging als de “ongeoorloofde binnenkomst of ongeoorloofd verblijf in het Rijk na terugwijzing of uitzetting: als vreemdeling die sedert minder dan tien jaar uit het grondgebied teruggewezen of uitgezet is geweest, met name bij Koninklijk Besluit van 6 juli 2016, ter kennis gebracht op 18 juli 2016, het Rijk te zijn binnengekomen of er te hebben verbleven zonder bijzondere machtiging van de Minister (art. 76)”, kan niet worden afgeleid dat de feitelijke gedraging het ongeoorloofd verblijf van de eiser in het Rijk betreft nadat hij met dit besluit werd teruggewezen; het arrest koppelt het verblijf van de eiser immers ten onrechte los van de modaliteit “zonder bijzondere machtiging van de Minister”; artikel 75 Vreemdelingenwet heeft als kwalificatie “onwettig” verblijf, terwijl artikel 76 Vreemdelingenwet de term “ongeoorloofd” verblijf gebruikt, die ook werd gebruikt in de verwijzingsbeschikking van de raadkamer, de dagvaarding en de vordering van het openbaar ministerie; het arrest beantwoordt deze argumenten van de eiser niet.
- In correctionele zaken en politiezaken maakt de verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om voor het vonnisgerecht te verschijnen niet de daarin vervatte kwalificatie of omschrijving bij het vonnisgerecht aanhangig, maar wel de feiten zoals die blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding ten grondslag liggen.
- De rechter is niet gebonden door de kwalificatie van de feiten in de dagvaarding of de verwijzingsbeschikking, maar moet aan de feiten de juiste omschrijving geven. Een heromschrijving vereist niet dat de bestanddelen van het oorspronkelijk omschreven misdrijf en het heromschreven misdrijf dezelfde zijn. Wel is vereist dat het heromschrijving hetzelfde feit tot voorwerp heeft als de materiële gebeurtenis die het voorwerp van de vervolging uitmaakt.
- De rechter oordeelt onaantastbaar wat het feitelijke voorwerp is van de telastlegging zoals bedoeld in de dagvaarding of de verwijzingsbeschikking.
- Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde gegevens geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De eiser werd met de verwijzingsbeschikking van 9 februari 2022 verwezen naar de correctionele rechtbank wegens: “Ongeoorloofde binnenkomst of ongeoorloofd verblijf in het Rijk na terugwijzing of uitzetting Als vreemdeling die sedert minder dan tien jaar uit het grondgebied teruggewezen of uitgezet is geweest, met name bij Koninklijk Besluit van 6 juli 2016, ter kennis gebracht op 18 juli 2016, het Rijk te zijn binnengekomen of er te hebben verbleven zonder bijzondere machtiging van de Minister. (artikel 76 Wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen) Te Antwerpen en/of bij samenhang, elders in het Rijk, in de periode van 10 november 2017 tot en met 28 augustus 2021 (…).”
- Het arrest (p. 7-9, nr. 4.2.2) oordeelt dat: - de eiser volgens de akte van aanhangigmaking wordt vervolgd wegens een feit van ongeoorloofde binnenkomst “of ongeoorloofd verblijf na terugwijzing” of uitzetting, met de concrete omschrijving: “als vreemdeling die sedert minder dan tien jaar uit het grondgebied teruggewezen of uitgezet is geweest, met name bij Koninklijk Besluit van 6 juli 2016, ter kennis gebracht op 18 juli 2016, het Rijk te zijn binnengekomen of er te hebben verbleven zonder bijzondere machtiging van de Minister”; - de aanhangig gemaakte feitelijke strafbare gedraging onmiskenbaar het ongeoorloofd verblijf van de eiser in het Rijk betreft nadat de eiser bij koninklijk besluit van 6 juli 2016, betekend op 18 juli 2016, werd teruggewezen; - een constitutief bestanddeel van het in artikel 76 Vreemdelingenwet bepaald misdrijf van illegaal verblijf ontbreekt, met name het feit dat de eiser eerst het Rijk heeft verlaten ter uitvoering van een te zijnen aanzien genomen verwijderingsmaatregel; - het feit van de enige telastlegging bijgevolg moet worden geherkwalificeerd als een inbreuk op artikel 75 Vreemdelingenwet, zoals van toepassing op het ogenblik van het ten laste gelegd feit, en dient te worden heromschreven als volgt: “Ongeoorloofd verblijf in het Rijk als vreemdeling onwettig het land binnenkomen of er verblijven, of zich onttrekken aan de verplichting om bepaalde plaatsen te verlaten of in een bepaalde plaats te verblijven, met name als vreemdeling die uit het grondgebied teruggewezen is geweest bij Koninklijk Besluit van 6 juli 2016, betekend op 18 juli 2016, in het Rijk te hebben verbleven (art. 75 Wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen) te Antwerpen en/of bij samenhang, elders in het Rijk, in de periode van 10 november 2017 tot en met 28 augustus 2021”; - de feitelijke strafbare gedraging die werd bedoeld in de beschikking tot verwijzing van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 9 februari 2022, betrekking heeft op het ongeoorloofd verblijf van de eiser in het Rijk in de periode van 10 november 2017 tot en met 28 augustus 2021; - artikel 75, eerste lid, Vreemdelingenwet, zoals van toepassing, dezelfde feitelijke strafbare gedraging bestraft – met name het illegaal verblijf in de zin van artikel 1, 4°, Vreemdelingenwet – maar dan los van een verwijderingsmaatregel; - deze heromschrijving het aanhangige feit bijgevolg niet wijzigt; - artikel 75 Vreemdelingenwet, zoals van toepassing tijdens de incriminatieperiode, werd vervangen door artikel 34 van de wet van 12 mei 2024; - het feit van de enige telastlegging, zoals heromschreven, strafbaar was onder het oude artikel 75 Vreemdelingenwet en strafbaar is gebleven onder het thans geldende artikel 75, § 2, Vreemdelingenwet.
- Op grond daarvan kan het arrest wettig oordelen dat de volgens artikel 75 Vreemdelingenwet geherkwalificeerde enige telastlegging hetzelfde feit betreft als het met de verwijzingsbeschikking aanhangig gemaakte feit. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Met deze redenen beantwoordt en verwerpt het arrest bovendien het in het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 1, 4°, 9ter en 75 Vreemdelingenwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat het indienen van een aanvraag overeenkomstig artikel 9ter Vreemdelingenwet niets wijzigt aan de bewezenverklaring van het feit van onwettig verblijf in het Rijk overeenkomstig artikel 75 Vreemdelingenwet en beperkt de incriminatieperiode van deze telastlegging ten onrechte niet tot de periode van 10 november 2017 (datum vrijlating uit de gevangenis) tot 26 juni 2019 (datum aanvraag medische regularisatie overeenkomstig artikel 9ter Vreemdelingenwet); de eiser voldeed immers door zijn verblijf in het kader van de aanvraag tot medische regularisatie overeenkomstig artikel 9ter, § 1, Vreemdelingenwet aan de in deze bepaling vastgelegde verblijfsvoorwaarde.
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met het arrest Abdida, C-562/13, van 18 december 2014 voor recht gezegd dat de artikelen 5 en 13 van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna Terugkeerrichtlijn), gelezen in het licht van de artikelen 19, lid 2, en 47 Handvest Grondrechten EU, en artikel 14, lid 1, sub b, van die richtlijn, in die zin moeten worden uitgelegd dat ze zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die geen schorsende werking toekent aan een beroep dat wordt ingesteld tegen een besluit waarbij een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, wordt gelast het grondgebied van een lidstaat te verlaten, wanneer de uitvoering van dat besluit voor die derdelander een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert. Het heeft immers geoordeeld dat, in die omstandigheden, het beroep tegen een dergelijke beslissing alleen dan doeltreffend is wanneer de derdelander over een beroep met schorsende werking beschikt teneinde te waarborgen dat het terugkeerbesluit niet wordt uitgevoerd voordat een grief betreffende een schending van artikel 5 Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van artikel 19, lid 2, Handvest Grondrechten EU, door een bevoegde autoriteit is onderzocht.
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met zijn arrest C-é/19 van 30 september 2020 voor recht gezegd dat de artikelen 5 en 13 Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van de artikelen 19, lid 2, en 47 Handvest Grondrechten EU in die zin moeten worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie die uitspraak dient te doen in een geding inzake sociale bijstand waarvan de uitkomst afhangt van een eventuele schorsing van de gevolgen van een terugkeerbesluit dat is genomen ten aanzien van een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, moet oordelen dat een beroep tot schorsing en annulatie van dat besluit van rechtswege de schorsing ervan meebrengt, ook al resulteert die schorsing niet uit de toepassing van de nationale regeling, wanneer: - dat beroep argumenten bevat waarmee wordt aangevoerd dat de uitvoering van dat besluit voor die derdelander een ernstig risico zou inhouden dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert en die argumenten niet kennelijk ongegrond lijken te zijn; - de betrokken regeling niet voorziet in een andere beroepsmogelijkheid waarvoor nauwkeurige, duidelijke en voorzienbare regels gelden en die van rechtswege de schorsing van dat besluit met zich meebrengt.
- Het Hof van Justitie heeft met de beschikking C-641/20 van 5 mei 2021 voor recht gezegd dat de artikelen 5 en 13 Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van de artikelen 19, lid 2, en 47 Handvest Grondrechten EU, en artikel 14, lid 1, sub b, van die richtlijn, in die zin moeten worden uitgelegd dat ze zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die niet van rechtswege schorsende werking verleent aan een door een derdelander ingesteld beroep tegen een terugkeerbesluit in de zin van artikel 3, punt 4, Terugkeerrichtlijn, dat tegen hem is uitgevaardigd na intrekking van zijn vluchtelingenstatus door de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 11 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, en bijgevolg geen recht opent op voorlopig verblijf tot over het beroep is beslist, in het uitzonderlijke geval waarin die aan een ernstige ziekte lijdende onderdaan als gevolg van de uitvoering van dat besluit zou kunnen worden blootgesteld aan een ernstig risico dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert. In die context moet de nationale rechter die uitspraak dient te doen in een geding waarvan de uitkomst afhangt van de eventuele schorsing van de gevolgen van het terugkeerbesluit, oordelen dat het tegen dit besluit ingestelde beroep van rechtswege schorsende werking heeft, zodra het beroep argumenten bevat waarmee wordt aangevoerd dat de uitvoering van dat besluit voor die derdelander een ernstig risico zou inhouden dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert en die argumenten niet kennelijk ongegrond lijken te zijn.
- Daaruit volgt dat de derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt en die beroep heeft ingesteld tegen een terugkeerbesluit waarvan de uitvoering voor hem een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert, tijdens deze beroepsprocedure niet onwettig verblijft in België en bijgevolg niet strafbaar is op grond van artikel 75 Vreemdelingenwet indien dit beroep argumenten bevat waarmee wordt aangevoerd dat de uitvoering van het terugkeerbesluit voor die derdelander een ernstig risico zou inhouden dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert en die argumenten niet kennelijk ongegrond lijken te zijn.
- Uit de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt dat: - de eiser bij koninklijk besluit van 6 juli 2016, ter kennis gebracht op 18 juli 2016, werd teruggewezen en werd gelast het grondgebied te verlaten; - de eiser op 17 juni 2019 overeenkomstig artikel 9ter Vreemdelingenwet een machtiging tot verblijf om medische redenen heeft ingediend; - deze procedure overeenkomstig artikel 9ter Vreemdelingenwet nog steeds hangende is, waarbij de eiser tegen de verschillende weigeringsbeslissingen van de dienst Vreemdelingenzaken beroep heeft aangetekend; - na de vernietiging van de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken van 5 juli 2023 bij arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 19 januari 2024 op het hoger beroep van de eiser, de eiser door de dienst Vreemdelingenzaken werd uitgenodigd voor verder gevolg inzake zijn verblijfsaanvraag overeenkomstig artikel 9ter Vreemdelingenwet; - de eiser aanvoert dat hij onmiskenbaar recht heeft op verblijf overeenkomstig artikel 9ter Vreemdelingenwet en dat dit teruggaat tot 17 juni 2019, de datum van de aanvraag en dus deels in de incriminatieperiode, dat de periode van verblijf tijdens de procedures die betrekking hebben op deze medische regularisatie niet kan worden beschouwd als ongeoorloofd verblijf; - de eiser aanvoert dat, ook al is het beroep tegen een weigering van verblijf op grond van artikel 9ter Vreemdelingenwet niet schorsend, dit toch zo moet zijn op grond van de Europese rechtspraak, zodat er hangend dit beroep geen onwettig verblijf is.
- Het arrest (p. 10) oordeelt dat: - het indienen van een aanvraag op basis van artikel 9ter Vreemdelingenwet niets wijzigt aan de bewezenverklaring van het feit van de enige telastlegging, zoals heromschreven en geherkwalificeerd; - dergelijke aanvraag het illegaal karakter van het verblijf van de eiser op Belgisch grondgebied gedurende de incriminatieperiode, gelet op het koninklijk besluit van 6 juli 2016, niet wegneemt; - een beperking van de incriminatieperiode tot 17 juni 2019, zijnde de datum van het indienen van de aanvraag op basis van artikel 9ter Vreemdelingenwet bijgevolg niet aan de orde is; - het verweer van de eiser dat hij “onmiskenbaar recht op verblijf op basis van artikel 9ter” heeft “en dit teruggaat naar 17 juni 2019” de taak van de strafrechter, die alleen moet nagaan of het materiële en morele bestanddeel van artikel 75 Vreemdelingenwet bewezen zijn, miskent; - de strafrechter zich geen bevoegdheden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mag toe-eigenen; - aan de hand van de door de eiser gehanteerde medische stukken in elk geval niet wordt aangetoond of aannemelijk wordt gemaakt dat er tijdens de incriminatieperiode een geldige reden bestond voor de eiser om niet terug te keren naar zijn land van herkomst.
- Het arrest dat aldus oordeelt dat de eiser ook tijdens de beroepsprocedure tegen de weigeringsbeslissing overeenkomstig artikel 9ter Vreemdelingenwet onwettig verblijft in België en bijgevolg strafbaar is op grond van artikel 75 Vreemdelingenwet, zonder na te gaan of het beroep van de eiser tegen de weigeringsbeslissing overeenkomstig artikel 9ter Vreemdelingenwet argumenten bevat waarmee wordt aangevoerd dat de uitvoering van het terugkeerbesluit voor de eiser een ernstig risico zou inhouden dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert en, in voorkomend geval, of die argumenten niet kennelijk ongegrond lijken te zijn, verantwoordt deze beslissing niet naar recht. In zoverre is het middel gegrond. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 56, § 1 en 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt onvoldoende de kritiek van de eiser dat het vooronderzoek niet is gebeurd met betrekking tot de geherkwalificeerde telastlegging en dat het strafdossier niet is opgesteld op de grondslag van de nieuwe kwalificatie; het arrest beantwoordt niet de kritiek dat het vooronderzoek en het onderzoek op de rechtszitting niet beantwoorden aan de vereisten van een eerlijke procedure in de zin van artikel 6 EVRM; zowel in het vooronderzoek als in het onderzoek op de rechtszitting werd het recht van verdediging van de eiser miskend, omdat het volledige administratieve verblijfsdossier van de eiser niet voorlag.
- In zoverre het middel betrekking heeft op een beslissing die ingevolge de gegrondheid van het tweede middel, eerste onderdeel, wordt vernietigd, behoeft het geen antwoord.
- Met de redenen die het arrest (p. 6-7, randnr. 4.2.1) bevat, beantwoordt en verwerpt dit het door het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige komt het middel dat formeel wetsschendingen aanvoert in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser schuldig verklaart aan de heromschreven telastlegging voor de periode vanaf 17 juni 2019 tot en met 28 augustus 2021 en hem tot straf en de betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds veroordeelt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een derde van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 308,77 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 27 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.18 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div