id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 163
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 163
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 163
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 4 - 5 Uit artikel 163, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat indien aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan de rechter een geldboete kan opleggen beneden het wettelijk minimum, maar niet dat hij daartoe verplicht is
(1); uit deze bepaling kan voor de rechter evenmin een bijzondere motiveringsverplichting worden afgeleid
(2), het volstaat dat indien blijkt dat een beklaagde om de toepassing van deze bepaling heeft verzocht, de rechter zich daarover uitspreekt.
(1)Cass. 22 april 2025, AR P.25.0227.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.8; Cass. 14 november 2023, AR P.23.1219.N, arrest niet gepubliceerd.
(2)Cass. 18 juni 2024, AR P.24.0507.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.12, T. Strafr. 2024, 318, RW 2024-25, 1474; Cass. 30 januari 2024, AR P.23.1602.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.10; Cass. 27 oktober 2020, AR P.20.0678.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.12, AC 2020, nr. 663; Cass. 12 december 2017, AR P.16.1104.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171212.1, AC 2017, nr. 705. Thesaurus CAS: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 163
, vijfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 163, vijfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.1648.N A. A., beklaagde, eiser, met als raadsman Sophia Robillard, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 22 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 163 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis houdt geen rekening met het feit dat de eiser werd bijgestaan door een raadsman in het kader van de tweedelijns juridische bijstand; de motivering betreffende de ingeroepen precaire financiële toestand en meer bepaald dat die gedeeltelijk aan de eiser zelf te wijten is, is volstrekt onwettig en verkeerd; het bestreden vonnis motiveert niet waarom die toestand aan de eiser zelf zou zijn te wijten; de motieven om artikel 163 Wetboek van Strafvordering niet toe te passen, zijn in strijd met de bepalingen van dit artikel; het bestreden vonnis houdt ook geen rekening met het gegeven dat de eiser zich in een strafinrichting bevindt.
- Het bestreden vonnis (p. 8, randnr. 15) vermeldt uitdrukkelijk dat de eiser juridische tweedelijnsbijstand geniet, waaruit volgt dat de appelrechters dat gegeven bij hun beoordeling hebben betrokken. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
- Uit de niet-vermelding dat een beklaagde gedetineerd is, kan niet worden afgeleid dat de rechter dit gegeven niet bij zijn beoordeling over de straftoemeting heeft betrokken.
- Artikel 163, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering, dat ook van toepassing is op de correctionele rechtbank die uitspraak doet in hoger beroep, bepaalt dat de rechter een geldboete kan uitspreken beneden het wettelijk minimum indien de overtreder om het even welk document voorlegt dat zijn precaire financiële toestand bewijst.
- Uit deze bepaling volgt dat indien aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan de rechter een geldboete kan opleggen beneden het wettelijk minimum, maar niet dat hij daartoe verplicht is.
- Uit deze bepaling kan voor de rechter evenmin een bijzondere motiveringsverplichting worden afgeleid. Het volstaat dat indien blijkt dat een beklaagde om de toepassing van deze bepaling heeft verzocht, de rechter zich daarover uitspreekt.
- Het is aan de rechter te oordelen of in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting en de concrete omstandigheden van deze zaak deze maatregel aangewezen is. Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de rechter bij die beoordeling het gegeven betrekt dat de beklaagde zelf verantwoordelijk is voor de precaire financiële toestand waarop hij zich beroept.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis (p. 7, randnr. 14) oordeelt als volgt: - er zijn geen redenen om de geldboeten beneden het wettelijk minimum op te leggen; - de ingeroepen precaire financiële toestand, die minstens gedeeltelijk aan de eiser zelf is te wijten, mag geen vrijgeleide zijn om straffeloos de verkeersinbreuken aan elkaar te rijgen; - de impact van de bestraffing zal niet min zijn, maar dit is louter aan de eiser zelf te wijten; - de algemene verkeersveiligheid moet hier absoluut primeren op de eigen belangen van de eiser. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het bestreden vonnis eisers verzoek over de toepassing van artikel 163, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering, omkleedt het die beslissing regelmatig met redenen en is die beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 27 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171212.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.12 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.12 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div