← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.8 Rolnummer: P.25.1524.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2026-02-02 Raadplegingen: 551 - laatst gezien 2026-06-18 06:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.8 Fiches 1 - 4 De rechter mag bij de straftoemeting geen rekening houden met de wijze waarop een beklaagde zijn verdediging heeft georganiseerd; het bij de keuze van de straf en het bepalen van de maat ervan in aanmerking nemen van de ontkenning van een beklaagde aan het hem ten laste gelegde en het daaruit afgeleid gebrek aan schuldinzicht, ontzegt een beklaagde het recht zijn verdediging te voeren zoals hij meent die te moeten voeren; het recht van verdediging van de beklaagde is miskend als de rechterlijke beslissing over de keuze van de straf en de gepaste strafmaat mede is gegrond op zijn ontkenning aan de hem ten laste gelegde feiten

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Tekst van de beslissing Nr. P.25.1524.N S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gust Detienne, advocaat bij de balie Leuven, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 20, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 23 oktober
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Op 16 januari 2026 heeft advocaat-generaal Bart De Smet ter griffie een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 27 januari 2026 heeft voorzitter Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en de motiveringsplicht van de rechter: het bestreden vonnis miskent eisers recht van verdediging door de keuze en de zwaarte van de straffen te verantwoorden door eisers ontkenningen en de manier waarop hij zijn onschuld heeft willen verdedigen.
  3. De rechter mag bij de straftoemeting geen rekening houden met de wijze waarop een beklaagde zijn verdediging heeft georganiseerd. Het bij de keuze van de straf en het bepalen van de maat ervan in aanmerking nemen van de ontkenning van een beklaagde aan het hem ten laste gelegde en het daaruit afgeleid gebrek aan schuldinzicht, ontzegt een beklaagde het recht zijn verdediging te voeren zoals hij meent die te moeten voeren.
  4. Het bestreden vonnis grondt de keuze en de zwaarte van de aan de eiser opgelegde straffen mede op het gegeven dat: - hij geen blijk heeft gegeven van schuldinzicht; - hij niet enkel een verklaring heeft afgelegd die wordt tegengesproken door de objectieve vaststellingen in het strafdossier, maar bovendien ook meent de rechtbank in eerste en tweede aanleg om de tuin te leiden met een kunstmatig opgezet verhaal; - dergelijke houding getuigt van een laakbare ingesteldheid, zelfs met een blanco strafregister; - op basis van de gedragingen van de eiser, zoals beschreven in het strafdossier en het betoonde gebrek aan schuldinzicht is er geen aanleiding om één of meerdere geldboeten met uitstel uit te spreken. Daaruit volgt dat de appelrechters de keuze voor de aan de eiser opgelegde straffen en de zwaarte ervan mede gronden op zijn ontkenning aan de hen ten laste gelegde feiten en zij zo de wijze sanctioneren waarop hij zich heeft verdedigd. Aldus miskennen zij eisers recht van verdediging. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
  5. De vernietiging van de aan de eiser opgelegde bestraffing leidt ook tot de vernietiging van het oordeel van de rechter over de eenheid van opzet tussen de verschillende bewezen verklaarde feiten, maar laat de beslissing over de schuld onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de aan de eiser opgelegde bestraffing met inbegrip van de veroordeling tot betaling van bijdragen aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 178,58 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 27 januari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.