← België

BNP Paribas Fortis nv contra I.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260129.1N.3 Rolnummer: C.24.0480.N Zaak: BNP Paribas Fortis nv contra I. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2026-02-18 Raadplegingen: 1074 - laatst gezien 2026-06-18 13:47 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260129.1N.3 Fiche Het transparante karakter van een contractueel beding is een van de elementen waarmee de rechter rekening moet houden wanneer hij beoordeelt of een beding onrechtmatig is krachtens artikel I.8, 22°, WER; bij die beoordeling moet de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval nagaan of sprake is van een kennelijk onevenwicht tussen de rechten en plichten van de partijen ten nadele van de consument; de rechter houdt rekening met alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, de aard van de producten of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft en de duidelijkheid en begrijpelijkheid van het beding; het onderzoek van het onrechtmatige karakter van een beding moet in beginsel berusten op een algehele beoordeling waarbij niet enkel een eventueel gebrek aan transparantie van dat beding in aanmerking dient te worden genomen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. I.8, 22° - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. VI.37 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. VI.84, § 1 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. VI.82, eerste en tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0480.N BNP PARIBAS FORTIS nv, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0403.199.702, eiseres, vertegenwoordigd door meester Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen B. I., verweerder, vertegenwoordigd door meester Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 oktober
  1. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft op 16 december 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel (…) Gegrondheid
  2. Overeenkomstig artikel VI.84, § 1, WER is elk onrechtmatig beding verboden en nietig en blijft de overeenkomst bindend voor de partijen indien ze zonder onrechtmatige bedingen kan voortbestaan. Artikel I.8, 22°, WER definieert een onrechtmatig beding als elk beding of elke voorwaarde in een overeenkomst tussen een onderneming en een consument die, alleen of in samenhang met een of meer andere bedingen of voorwaarden, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen ten nadele van de consument. Krachtens artikel VI.82, eerste lid, WER worden voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het ogenblik waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de producten waarop de overeenkomst betrekking heeft. Volgens het tweede lid wordt voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter tevens rekening gehouden met het in artikel VI.37, § 1, bepaalde vereiste van duidelijkheid en begrijpelijkheid van het beding. Krachtens artikel VI.37 WER moeten, indien alle of bepaalde bedingen van een overeenkomst tussen een onderneming en een consument schriftelijk zijn, deze op een duidelijke en begrijpelijke wijze zijn opgesteld en prevaleert, in geval van twijfel over de betekenis van een beding, de voor de consument gunstigste interpretatie.
  3. Het transparante karakter van een contractueel beding is een van de elementen waarmee de rechter rekening moet houden wanneer hij beoordeelt of een beding onrechtmatig is krachtens artikel I.8, 22°, WER. Bij die beoordeling moet de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval nagaan of sprake is van een kennelijk onevenwicht tussen de rechten en plichten van de partijen ten nadele van de consument. Aldus houdt hij rekening met alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, de aard van de producten of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft en de duidelijkheid en begrijpelijkheid van het beding. Het onderzoek van het onrechtmatige karakter van een beding moet in beginsel berusten op een algehele beoordeling waarbij niet enkel een eventueel gebrek aan transparantie van dat beding in aanmerking dient te worden genomen.
  4. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de verweerder met de eiseres in 2017 een rekeningovereenkomst sloot met het oog op het openen van een effectenrekening; - de verweerder zijn effectenrekening in 2022 bij de eiseres opzegde en liet overdragen aan een andere bank; - de eiseres wegens de beëindiging van de effectenrekeningen aanspraak maakt op een vergoeding van 150 euro per effectenlijn van de effectenrekening die werd afgesloten, voor een totaal van 2.100 euro in totaal; - de verweerder stelt dat de beëindiging van de contractuele relatie met de eiseres niet afhankelijk kan worden gesteld van de betaling van deze transferkosten; - artikel VI.37, § 1, WER de omzetting is van artikel 5 van de Richtlijn oneerlijke bedingen die een transparantieverplichting oplegt aan de onderneming die contracteert met een consument; - artikel 14 van de algemene bankvoorwaarden in het contract tussen de eiseres en de verweerder de beëindiging van de contractuele relatie door de consument aan geen enkele andere voorwaarde, vergoeding of kost onderwerpt dan de naleving van een opzegtermijn van één maand; - niet van een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument kan worden verwacht dat hij de link legt tussen voormeld artikel 14 en de artikelen 2 en 9.1 van de algemene voorwaarden beleggingsdiensten, artikel 10 van de algemene bankvoorwaarden en de Tarievenlijst zodat hij moeilijk begrijpt dat de beëindiging van de contractuele relatie gepaard gaat met een ‘dienst’ van de bank in de zin van artikel 9.1 van de algemene voorwaarden beleggingsdiensten en artikel 10 van de algemene bankvoorwaarden, waarbij de effectenrekening wordt ‘getransfereerd’ naar een andere bankinstelling met een kostprijs van oorspronkelijk 75 euro, later 150 euro per getransfereerde effectlijn; - artikel 2 van de algemene voorwaarden beleggingsdiensten het niet duidelijk maakt dat de ‘transfer’ van de effecten naar een andere bank ingevolge de beëindiging van de bankrelatie, moet worden beschouwd als een ‘dienst’ die samenhangt met de bewaargeving; - niet kan worden verwacht van een consument dat hij de link legt tussen bedingen die onderling tegenstrijdig zijn met betrekking tot het kosteloos opzeggen van het contract; - niet kan worden verwacht dat een consument begrijpt dat het beëindigen van de relatie met de bank een ‘dienst’ veronderstelt bestaande uit de ‘transfer’ van de effectenlijnen naar een andere bankinstelling; - de eiseres de verweerder in de precontractuele fase erop had moeten wijzen dat de beëindiging van de contractuele relatie een kost met zich mee zou brengen of slechts tegen vergoeding zou kunnen gebeuren en hoeveel die kost of vergoeding exact bedraagt.
  5. De appelrechters die vervolgens, zonder in het licht van alle omstandigheden van het geval na te gaan of sprake is van een kennelijk onevenwicht tussen de rechten en plichten van de partijen ten nadele van de consument, louter op basis van de vaststelling van de niet-transparantie van de bedingen in artikel 9.1 van de algemene beleggingsvoorwaarden van de eiseres, de artikelen 10 en 14 van de algemene bankvoorwaarden van de eiseres en de desbetreffende transferkost in de Tarieflijst, de onrechtmatigheid van deze bedingen vaststelt en vervolgens nietig verklaart, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 29 januari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Frederic Vroman, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260129.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260129.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.