id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260202.3N.7 Rolnummer: S.25.0048.N Zaak: M. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-02-27 Raadplegingen: 659 - laatst gezien 2026-06-18 22:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260202.3N.7 Fiche De rechter mag een vordering tot collectieve schuldenregeling slechts ontoelaatbaar verklaren wegens het bewerkstelligen van het onvermogen wanneer de verzoeker een of meer handelingen heeft verricht met het opzet zich onvermogend te maken
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: COLLECTIEVE SCHULDENREGELING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel V: BEWAREND BESLAG, MIDDELEN TOT TENUITVOERLEGGING EN COLLECTIEVE SCHULDENREGELING. (art. 1386 tot 1675/27) - 10-10-1967 - Art. 1675/2 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Tekst van de beslissing Nr. S.25.0048.N I.M., eiser, aan wie rechtsbijstand is verleend bij beslissing van 25 mei 2025 (nr. …), vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 3 maart
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 2 december 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Eva Van Hoorde heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 1675/2 Gerechtelijk Wetboek kan elke natuurlijke persoon die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel, indien hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, bij de rechter een verzoek indienen tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling. Krachtens die bepaling mag de rechter een vordering tot collectieve schuldenregeling slechts ontoelaatbaar verklaren wegens het bewerkstelligen van het onvermogen wanneer de verzoeker een of meer handelingen heeft verricht met het opzet zich onvermogend te maken.
- Met overname van de redenen van het beroepen vonnis en op grond van eigen redenen stelt de appelrechter vast en oordeelt hij dat: - de eiser reeds tweemaal werd toegelaten tot een collectieve schuldenregeling, waarbij telkens een volledige kwijtschelding van de schulden werd toegestaan; - in de tweede collectieve schuldenregeling de schulden grotendeels bestonden uit rechtsplegingsvergoedingen waartoe de eiser veroordeeld werd; - het totaal van de schulden vermeld in het verzoekschrift waarmee de eiser toelating tot een collectieve schuldenregeling vraagt, ruim 30.000 euro bedraagt en samengesteld is uit rechtsplegingsvergoedingen; - de eiser tot deze rechtsplegingsvergoedingen werd veroordeeld in een arrest van het hof van beroep te Luik van 14 oktober 2024; - in dat arrest werd geoordeeld dat de eiser zijn recht om in rechte op te treden op kennelijk buitensporige wijze en met verwijtbare onnadenkendheid heeft uitgeoefend als gevolg van een kennelijke beoordelingsfout met betrekking tot de slaagkansen van zijn vordering, die een normaal en redelijk en bezonnen persoon in dezelfde omstandigheden niet zou hebben gemaakt; - de eiser, hoewel hij recht heeft op tweedelijns juridische bijstand, in dat arrest werd veroordeeld tot de betaling van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, te weten 15.000 euro, om reden dat de situatie anders kennelijk onredelijk zou zijn, aangezien de eiser onder het mom van rechtsbijstand een onrechtmatige proceshouding aanneemt en hij zijn vorderingen in hoger beroep tot één euro beperkte, duidelijk voor de behoeften van de zaak; - de eiser weet dat hij de rechtsplegingsvergoedingen waartoe hij wordt veroordeeld niet kan betalen; - de eiser zich door aldus te handelen telkenmale in een situatie van financiële wantoestand brengt en zijn financieel onvermogen kennelijk bewerkstelligt; - het bewerkstelligen van het onvermogen afgeleid kan worden uit elke omstandigheid waaruit de wil blijkt om zich onvermogend te maken.
- Op grond van deze redenen, die niet de vaststelling inhouden dat de eiser met opzet zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing dat de eiser niet kan worden toegelaten tot de collectieve schuldenregeling niet naar recht. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Michael Traest, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde en ere-sectievoorzitter Koen Mestdagh, plaatsvervangend magistraat, en in openbare rechtszitting van 2 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260202.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260202.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div