id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260203.2N.10 Rolnummer: P.25.1550.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2026-02-06 Raadplegingen: 648 - laatst gezien 2026-06-18 22:37 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Het gebruik van de door de Koning vastgestelde modellen voor het opstellen van een forensisch psychiatrisch onderzoek is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven; Evenmin bepaalt de interneringswet een door de deskundige in acht te nemen structuur bij het opmaken van zijn verslag en niet vereist is bijgevolg dat bij de beschrijving van de klinische forensische bevindingen een onderscheid wordt gemaakt tussen de geestestoestand op het ogenblik van de feiten en die toestand op het ogenblik van het deskundigenonderzoek, noch dat een DSM-codering of een andere specifieke kwalificatie wordt aangeduid voor de vastgestelde geestesstoornis. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 5 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 KB 25 september 2018 tot uitvoering van artikel 5, § 3, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering - 25-09-2018 - 06 ELI link Pub nr 2018013952 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 5 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 KB 25 september 2018 tot uitvoering van artikel 5, § 3, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering - 25-09-2018 - 06 ELI link Pub nr 2018013952 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 5 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 KB 25 september 2018 tot uitvoering van artikel 5, § 3, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering - 25-09-2018 - 06 ELI link Pub nr 2018013952 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1550.N P. V.E., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Kris Vincke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest spreekt de eiser vrij voor de telastlegging A en het verklaart de burgerlijke vordering van D. ontvankelijk maar ongegrond. In zoverre het cassatieberoep is gericht tegen die beslissingen, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5, § 3, Interneringswet: het arrest beslist ten onrechte tot de internering van de eiser op grond van het deskundigenverslag van 8 april 2025; dat verslag voldoet niet aan de vereisten van artikel 5, § 3, Interneringswet; de deskundige oordeelt dat de eiser op het ogenblik van de feiten en op het ogenblik van het deskundigenonderzoek leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen en de controle over zijn daden ernstig heeft aangetast en dat er een oorzakelijk verband is tussen de geestesstoornis en de feiten; die bevindingen komen voor het eerst voor in het besluit, op het einde van het deskundigenverslag; er wordt bij de beschrijving van de klinisch forensische bevindingen helemaal geen onderscheid gemaakt tussen de geestestoestand op het ogenblik van de feiten en die toestand op het ogenblik van het deskundigenonderzoek; ook wordt de geestesstoornis en het causaal verband tussen de geestesstoornis en de feiten niet nader toegelicht; het deskundigenverslag is bijgevolg geen omstandig verslag en werd niet opgesteld conform het model van het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek, zoals gevoegd bij het koninklijk besluit van 25 september 2018 tot uitvoering van artikel 5, § 3, Interneringswet.
- Artikel 5 Interneringswet bepaalt met betrekking tot het deskundigenverslag: “§
- Wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat een persoon zich bevindt in een in artikel 9 bedoelde toestand, bevelen de procureur des Konings, de onderzoeksrechter of de onderzoeks- of vonnisgerechten een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek teneinde minstens na te gaan: 1° of de persoon op het ogenblik van de feiten leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast en of de persoon op het ogenblik van het deskundigenonderzoek leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast; 2° of er mogelijk een oorzakelijk verband bestaat tussen de geestesstoornis en de feiten; 3° of het gevaar bestaat dat betrokkene ten gevolge van de geestesstoornis, in voorkomend geval in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw misdrijven pleegt, zoals bepaald in artikel 9, § 1, 1°; 4° dat en hoe de persoon in voorkomend geval kan worden behandeld, begeleid, verzorgd met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij; 5° dat desgevallend, indien de tenlastelegging betrekking heeft op de in artikelen 371/1 tot 378 van het Strafwetboek bedoelde feiten of de in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek bedoelde feiten indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, de noodzaak bestaat om een gespecialiseerde begeleiding of behandeling op te leggen. §
- Het forensisch psychiatrisch onderzoek wordt uitgevoerd onder de leiding en de verantwoordelijkheid van een deskundige, houder van de beroepstitel forensisch psychiater, die voldoet aan de voorwaarden welke zijn gesteld krachtens de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen. Het deskundigenonderzoek kan ook in college of met bijstand van andere gedragswetenschappers uitgevoerd worden, telkens onder leiding van voormelde deskundige. §
- De deskundige maakt van zijn bevindingen een omstandig verslag op, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde modellen. (…).”
- Het gebruik van de door de Koning vastgestelde modellen is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. Evenmin bepaalt de wet een door de deskundige in acht te nemen structuur bij het opmaken van zijn verslag. Niet vereist is bijgevolg dat bij de beschrijving van de klinische forensische bevindingen een onderscheid wordt gemaakt tussen de geestestoestand op het ogenblik van de feiten en die toestand op het ogenblik van het deskundigenonderzoek, noch dat een DSM-codering of een andere specifieke kwalificatie wordt aangeduid voor de vastgestelde geestesstoornis. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p.12, 13 en 14) oordeelt: - in het besluit van voormeld verslag is wel een onderscheid gemaakt tussen de geestestoestand op het ogenblik van de feiten en het ogenblik van de beoordeling terug te vinden; - tevens wordt een oorzakelijk verband tussen de diagnose en de feiten eveneens gemotiveerd; - de gerechtspsychiater besluit immers dat de eiser handelt op basis van waaninhoud; - hij stelde tevens vast dat er een duidelijk psychotisch beeld met vooral waanvorming aanwezig is, waarschijnlijk veroorzaakt door langdurig gebruik van illegale drugs, methylfenidaat, benzodiazepines en dergelijk; - uit het verslag van de gerechtsdeskundige blijkt weliswaar dat deze niet letterlijk alle rubrieken, zoals voorzien in het model van het forensisch psychiatrisch deskundigenverslag gevoegd bij het koninklijk besluit van 25 september 2018 tot uitvoering van artikel 5, § 3, Interneringswet, besprak maar wel rubrieken in zijn verslag opnam die overeenstemmen met de rubrieken in voormeld model; - het vastgestelde psychotische beeld met waanvorming, complotdenken, paranoïde uitspraken, vermoedelijk veroorzaakt door de langdurige polytoxicomanie, zoals blijkt uit het verslag van de gerechtspsychiater, wijst op een onderliggende geestesstoornis die het oordeelsvermogen van de eiser, of de controle over zijn daden ernstig aantast, ook op dit ogenblik; - tussen de geestesstoornis en de feiten bestaat volgende de gerechtspsychiater een oorzakelijk verband. Met die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht het oordeel dat zij door het deskundigenverslag van de gerechtspsychiater van 8 april 2025 voldoende ingelicht zijn over de geestestoestand van de eiser om mede op grond van dit verslag zijn internering te steunen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van het arrest over de bewijswaarde van het deskundigenverslag of verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 107,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 3 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260203.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div