id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 66
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 67
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Wettelijke bepalingen:
Art. 66
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 67
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:
Art. 66
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 67
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 4 Een directe douanevertegenwoordiger die een douaneaangifte bij invoer indient, is geen aangever in de zin van de artikelen 5.15) en 77.3, eerste lid, DWU en uit de bewoordingen van artikel 77.3, tweede lid, DWU volgt bovendien dat de betrokkene, in de regel, evenmin kan worden aangemerkt als een persoon die de voor het opstellen van de aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt; uit de doelstelling die met artikel 77.3, tweede lid, DWU wordt nagestreefd, volgt evenwel dat de directe douanevertegenwoordiger die bewust onjuiste gegevens op een douaneaangifte bij invoer vermeldt, waardoor de wettelijk verschuldigde rechten voor de aangegeven goederen niet worden geheven, eveneens schuldenaar is van de door de aangifte ontstane douaneschuld maar daartoe volstaat het niet dat de betrokkene de onjuistheid van de hem voor de aangifte verstrekte gegevens uit nalatigheid niet heeft achterhaald
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 5.15 Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 77.3 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1326.N DKM bv, met zetel te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 72 bus 2, ON 0880.384.371, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de regionale directeur van de algemene administratie van de douane en accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, ON 0308.357.159, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 september
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Op 22 januari 2026 heeft advocaat-generaal Dirk Schoeters ter griffie een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 3 februari 2026 heeft sectievoorzitter Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest verklaart de eiseres niet schuldig aan het feit 2b. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 66 en 67 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiseres schuldig als deelnemer aan het feit 2a (vermelding van een foutieve oorsprong op een aangifte bij invoer, waardoor de verplichting om de goederen aan te geven niet is nageleefd) omdat de invoeraangifte van 15 mei 2018 een foutieve oorsprong van de goederen vermeldde; met die aangifte had de eiseres de invoeraangifte van 4 mei 2018 geregulariseerd door de Filippijnen te vervangen door China als land van oorsprong van de goederen; uit de vaststellingen van het arrest, die vooral erop wijzen dat de eiseres door onachtzaamheid het plegen van het misdrijf mogelijk heeft gemaakt, kan niet wettig worden afgeleid dat zij wetens en willens en met het vereiste deelnemingsopzet heeft deelgenomen aan het vermelde misdrijf.
- De schuldigverklaring als deelnemer aan een misdaad of een wanbedrijf in de zin van de artikelen 66 en 67 Strafwetboek vereist het bewijs van het feit dat de deelnemer op een wijze zoals omschreven in een van die artikelen zijn medewerking heeft verleend aan een bepaalde misdaad of een bepaald wanbedrijf waarvan hij op de hoogte was, dat hij wist dat hij zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf verleende en dat hij het opzet had om zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf te verlenen.
- De rechter oordeelt op grond van alle hem regelmatig overgelegde gegevens onaantastbaar over het bestaan van dit deelnemingsopzet bij de beklaagde. Zodoende kan de rechter oordelen dat een douanevertegenwoordiger met dit opzet heeft gehandeld doordat hij voor rekening van zijn opdrachtgever een invoeraangifte met vermelding van onjuiste gegevens heeft ingediend, terwijl hij als professioneel wist of redelijkerwijze moest weten dat hij aldus noodzakelijke of nuttige hulp verleende aan het douanemisdrijf.
- Vereist is wel dat uit de vastgestelde feiten volgt dat het niet anders kan dan dat de douanevertegenwoordiger werkelijk over de vermelde kennis beschikte. Strafbare deelneming kan immers niet wettig worden afgeleid uit enkele nalatigheid, dit wil zeggen uit het enkele feit dat de douanevertegenwoordiger niet heeft gehandeld zoals een bedachtzame en zorgvuldige marktdeelnemer.
- Het Hof gaat na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
- Het arrest (p. 14-16) stelt vast dat: - de zaakvoerder van de eiseres heeft verklaard dat in de aanvankelijke invoer-aangifte eerst op correcte wijze China werd ingevuld als land van oorsprong van de goederen omdat de eiseres vermoedelijk de vermelding China in het adres van de verkoper zal hebben opgemerkt op de factuur en de paklijst, terwijl de regularisatie wellicht gebeurde op basis van het formulier A; - de zaakvoerder van de eiseres heeft verklaard dat de opdracht tot inklaring, met een volmacht verstrekt en ondertekend namens de geadresseerde van de goederen, werd ontvangen van de commerciële partner van de eiseres uit Nederland. Rechtstreeks contact met de geadresseerde kan niet worden bevestigd; - de eiseres beschikte over concrete informatie die een concrete aanduiding vormde van de Chinese oorsprong van de goederen waarop de invoeraangifte betrekking had. De verklaring van de zaakvoerder van de eiseres bevestigt in dat verband dat de eiseres op basis van deze meegedeelde informatie en stukken zonder meer een aangifte indiende waarin als land van oorsprong van de goederen China werd aangemerkt. In haar appelsyntheseconclusie bevestigt de eiseres nogmaals dat dit wellicht gebeurde omdat uit de invoerfactuur en de paklijst bleek dat de verkoper over een adres in China beschikte; - de eiseres aanvoert dat de goederen in de regularisatieaangifte op instructie van de geadresseerde werden aangegeven als zijnde van Filipijnse oorsprong. Daarbij werd het preferentieel oorsprongscertificaat formulier A voorgelegd; - de eiseres geen enkel element aanvoert dat zou kunnen verantwoorden dat de specifieke elementen die ertoe hebben geleid dat de aanvankelijke aangifte de Chinese oorsprong van de goederen vermeldde, redelijkerwijs zonder meer terzijde konden worden geschoven om de Filipijnse oorsprong te vermelden op basis van een verzoek daartoe van de geadresseerde; - dit bovendien gebeurde zonder dat enige vraag werd gesteld aan de geadresseerde of een tussenpersoon waarmee de eiseres in contact stond, zelfs niet over de manier waarop de geadresseerde en zijn bestuurder in contact waren gekomen met de verkoper, dan wel over de producent en de productiefaciliteit waar de goederen zouden zijn geproduceerd. Minstens had uit het antwoord op die vragen onder meer kunnen blijken dat de geadresseerde in contact stond met een onderneming gevestigd in Hong Kong, een speciale bestuurlijke regio van de Volksrepubliek China. Daarover werden door de eiseres evenmin documenten of andere stukken gevraagd; - het hof van beroep ten overvloede nog vaststelt dat uit de e-mailcorrespondentie bijgebracht door de eiseres blijkt dat een medewerker van haar Nederlandse correspondent haar het formulier A reeds had meegedeeld op 3 mei 2018, dit is voorafgaand aan de indiening van de eerste aangifte op 4 mei
- Dit bevestigt ten overvloede dat de eiseres louter is verdergegaan op de instructie van de geadresseerde zonder dat enig behoorlijk nazicht is gebeurd om na te gaan of de regularisatie verantwoord was; - het niet vaststaat dat de douaneadministratie een grondig onderzoek heeft uitgevoerd naar de gegevens waarop de regularisatieaanvraag was gebaseerd; - in douanestrafzaken het bewijs van het deelnemingsopzet bij een gedaagde die medewerking verleent aan de materiële uitvoering van een bepaald fraudesysteem kan worden afgeleid uit de feitelijke organisatie en werking van dit systeem. Het wetens en willens handelen kan dan erin bestaan dat een douanevertegenwoordiger die substantieel intervenieert bij de invoer van goederen door het opstellen en indienen van een aangifte, waarvan hij als professionele actor weet of redelijkerwijze moet weten dat hij aldus noodzakelijke hulp aan een douanemisdrijf verleent, niettemin deze hulp verleent, wat door de eiseres is gebeurd. Het feit 2a is dan ook bewezen lastens de eiseres; - volledigheidshalve het hof van beroep vaststelt dat de eiseres zich niet beroept op artikel 135 AWDA, alsook dat geen reden voorligt om toepassing van dat artikel te maken.
- Op grond van die redenen, waaruit niet blijkt dat het arrest uitsluit dat de eiseres de feiten uit loutere nalatigheid heeft gepleegd, staat niet vast dat zij op de regularisatieaangifte wetens en willens en met het vereiste deelnemingsopzet onjuiste gegevens inzake het land van de oorsprong van de ingevoerde goederen heeft vermeld. Daaruit kan het arrest dan ook niet wettig afleiden dat de eiseres in de zin van artikel 66 of 67 Strafwetboek heeft deelgenomen aan het feit 2a. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 135 AWDA: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiseres zich wegens haar deelneming aan het misdrijf niet kan beroepen op artikel 135 AWDA; zodra vaststaat dat de douanevertegenwoordiger handelde overeenkomstig de instructies die zijn cliënt bezorgde, dient artikel 135 AWDA toepassing te vinden; de strafuitsluitingsgrond geldt alleen niet wanneer die douanevertegenwoordiger dader of medeplichtige is aan het douanemisdrijf omdat hij namens zijn cliënt een onjuiste aangifte of enige andere douaneverrichting doet, wetende dat deze onjuist is en hierbij het opzet heeft zijn bewuste medewerking te verlenen aan het douanemisdrijf van zijn cliënt; zelfs al wordt aangenomen dat de eiseres behoorde te weten dat de goederen van Chinese oorsprong waren, dan nog is zulks onvoldoende om de conclusie te verantwoorden dat de eiseres ook bewust een onjuiste douaneaangifte indiende en bewust haar medewerking aan het douanemisdrijf verleende.
- Gelet op de cassatie op het eerste onderdeel behoeft dit onderdeel geen antwoord. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 77 en 79 DWU: het arrest veroordeelt de eiseres op grond van artikel 77.3, tweede lid, DWU solidair met de eerste en de tweede beklaagden tot het betalen aan de verweerder van de ontdoken invoerrechten op de ingevoerde goederen waarvoor de invoeraangifte op 4 mei 2018 werd ingediend; het arrest oordeelt ten onrechte dat uit de systematiek en samenlezing van de artikelen 77 en 79 DWU volgt dat elke persoon, met inbegrip van een directe douanevertegenwoordiger, die een invoeraangifte indient waarin foutieve informatie wordt verstrekt waardoor de correcte invoerrechten niet worden geïnd, medeschuldenaar is van de ingevolge de aangifte ontstane douaneschuld; de categorieën van schuldenaren van een douaneschuld zijn limitatief bepaald; artikel 77.3, tweede lid, DWU betreft de situatie waarin een douaneaangifte wordt opgesteld op basis van gegevens die achteraf onjuist blijken te zijn; die bepaling is niet van toepassing op de rechtstreekse douanevertegenwoordiger die de invoeraangifte opstelt, maar die geen aangever is in de zin van de artikelen 5.15) en 77.3, tweede lid, DWU en die evenmin kan worden aangemerkt als een persoon die de voor het opstellen van de aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt in de zin van artikel 77.3, tweede lid, DWU.
- Het arrest (p. 26) oordeelt onder meer als volgt: “Het hof (van beroep) oordeelt dat uit de systematiek en samenlezing van de artikelen 77 en 79 DWU blijkt dat elke persoon die een aangifte indient waarin foutieve informatie wordt verstrekt waardoor de correcte invoerrechten niet worden geïnd, (mede)schuldenaar is van de invoerrechten. De door [de eiseres] vooropgestelde interpretatie waarbij de indiener van een invoeraangifte met rechtstreekse vertegenwoordiging die weet (of moet weten) dat de daarin vermelde gegevens niet correct zijn, niet als schuldenaar zou worden aangeduid, gaat hiertegen in en vindt ook geen steun in de tekst van deze bepalingen. Zoals [de eiseres] terecht aanvoert, regelt artikel 77, lid 3 in fine DWU uitdrukkelijk de situatie waarin een douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen wordt opgesteld op basis van gegevens die achteraf onjuist blijken te zijn. Iedere persoon die deze gegevens verstrekt terwijl hij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de gegevens onjuist waren, is douaneschuldenaar, zonder beperking tot of uitsluiting van bepaalde personen. Er is geen reden om de persoon die deze gegevens aan de overheid verstrekt onder de vorm van het indienen van een douaneaangifte uit te sluiten van de gehoudenheid tot de fiscale schuld.”
- Overeenkomstig artikel 77.1, a) en 77.2 DWU ontstaat een douaneschuld bij invoer indien aan invoerrechten onderworpen niet-uniegoederen in het vrije verkeer worden gebracht door middel van een douaneaangifte bij invoer. Overeenkomstig artikel 79 DWU ontstaat een douaneschuld bij invoer van aan invoerrechten onderworpen goederen ingevolge een onregelmatigheid zoals bepaald in artikel 79.1 en 79.2 DWU. Een douaneschuld kan voor hetzelfde feit niet ontstaan op grond van artikel 77 DWU en op grond van artikel 79 DWU.
- De invoeraangifte die de eiseres op 4 mei 2018 in de hoedanigheid van directe douanevertegenwoordiger heeft ingediend en die de verweerder heeft aanvaard, evenals de regularisatieaangifte die de eiseres op 15 mei 2018 heeft ingediend, geven aanleiding tot de toepassing van artikel 77 DWU op de goederen die het voorwerp van die aangifte uitmaakten.
- Artikel 77.3 DWU bepaalt: “Schuldenaar is de aangever. In geval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan, eveneens schuldenaar. Indien een douaneaangifte voor een van de in lid 1 bedoelde regelingen is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de invoerrechten geheel of gedeeltelijk niet worden geïnd, is de persoon die de voor het opstellen van de aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt en wist, of redelijkerwijze had moeten weten, dat die gegevens onjuist waren, eveneens schuldenaar.”
- Een directe douanevertegenwoordiger die een douaneaangifte bij invoer indient, is geen aangever in de zin van de artikelen 5.15) en 77.3, eerste lid, DWU. Uit de bewoordingen van artikel 77.3, tweede lid, DWU volgt bovendien dat de betrokkene, in de regel, evenmin kan worden aangemerkt als een persoon die de voor het opstellen van de aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt.
- Uit de doelstelling die met artikel 77.3, tweede lid, DWU wordt nagestreefd, volgt evenwel dat de directe douanevertegenwoordiger die bewust onjuiste gegevens op een douaneaangifte bij invoer vermeldt, waardoor de wettelijk verschuldigde rechten voor de aangegeven goederen niet worden geheven, eveneens schuldenaar is van de door de aangifte ontstane douaneschuld. Dat de betrokkene de onjuistheid van de hem voor de aangifte verstrekte gegevens uit nalatigheid niet heeft achterhaald, volstaat daartoe echter niet.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres op de regularisatieaangifte van 15 mei 2018 bewust een onjuist land van oorsprong van de aangegeven goederen heeft vermeld. Het arrest dat oordeelt zoals vermeld, verantwoordt de beslissing dan ook niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre het de eiseres vrijspreekt van het feit 2b. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot de helft van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 1.045,24 euro, waarvan 156,81 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 3 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260203.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260203.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div